Into Africa by Jeep by
REISVERSLAG 17 (Egypte, deel 2)
Geschreven door: Mirjam, 17 - 21 juni 2004
We komen uit Angola!
We zijn het moeilijke road-block bij de brug in Luxor doorgekomen en
rijden de woestijn in. Het is heerlijk om de uitgestrektheid van de woestijn
om je heen te ervaren. Coen wil graag een 'bushcamp' maken maar we
kunnen niet echt een geschikte plek vinden. Ik vind het ook best om naar het
eerste oase-dorp te rijden. Coen ziet al weer op tegen de bemoeizucht van
de Egyptenaren dus we rijden op twee plekken de woestijn in maar het lukt
niet om de auto uit het zicht van de weg te zetten. We willen niet heel diep
de woestijn in rijden omdat het nogal ongelijk terrein is wat er voor zorgt
dat we maar heel langzaam vooruit komen. We besluiten toch maar door te rijden
naar het dorp.
Midden in de woestijn bevindt zich een road-block. Er staan drie olievaten
midden op de weg. Naast de weg staat een klein gebouwtje waar vier zwaar bewapende
jonge militairen uitkomen. Ik vind het eng. Ze vragen waar we vandaan komen
en waar we naar toe gaan: wer yu vrom? what'ss yourr nationality? where
yu go? Op een briefje hebben we de naam van een hotel geschreven in Baris,
het eerste dorpje in de Kharga-oase. Ze noteren onze paspoortnummers en nemen
het blaadje mee. Ze gaan bellen. We zien nog een oudere man in burger bij
het gebouwtje rondlopen. Dat stelt me gerust. Ik vind het maar niets van die
jonge jongens met die geavanceerde wapens. We wachten zenuwachtig af of we
doorgelaten worden. Na ongeveer vijftien minuten kregen we goedkeuring om
door te rijden. Nog geen honderd kilometer verder staan er weer olievaten
op de weg, het volgende road-block. Politieagenten stoppen de auto
en stellen hun vragen: wer yu vrom? what'ss yourr nationality?, wer yu
go? Na vijf minuten worden we doorgelaten.
Twintig meter verderop is de kruising, een kant is richting Baris en de andere
kant richting het noorden. Op drie punten zijn road-blocks. We stoppen
voor het eerste road-block. De politieagenten van alle drie de road-blocks
komen aangelopen. Wer yu vrom? What'ss yourr nationality. Wer yu go?,
klinkt het aan beide kanten van onze raampjes. We antwoorden, maar een van
hen blijft vlijtig zijn vragen stellen: what'ss yourr nationality? where
are we? Waar zijn we? Hij had blijkbaar niet goed geoefend. Wij antwoorden
dat we ook niet weten waar we zijn en dat hij dat vast beter zal weten. Hij
kijkt ons niet-begrijpend aan en gaat door met zijn vragen stellen. Wij kunnen
deze mensen toch niet serieus nemen? We worden na tien minuten doorgelaten
en rijden het dorp in om wat te drinken te kopen.
Midden op de dorpsstraat staat een grote politieagent die ons aanhoudt. Wer
yu vrom? What'ss yourr nationality. Wer yu go? Ja, donder op man. We komen
uit Angola en gaan wat te drinken kopen. Tevreden?
Wat heb jij daar mee te maken?
We kamperen naast een hotel. De eigenaar, Abbas Wahba, is de tweede (Rajeb
van het Habu Hotel was de eerste) aardige Egyptenaar die we tegen komen. Aan
de voorkant van het terrein komen drie mannen zitten, één van
hen is er nog als we gaan slapen. 's Nachts gaat het alarm van de auto af.
's Morgens is de man er nog steeds, waarschijnlijk heeft hij de afgelopen
nacht in de auto gekeken en is het alarm daardoor afgegaan. Hij staat naast
de auto als ik uit de daktent kom. Ik negeer hem maar hij loopt achter me
aan. Ik ben van de politie zegt hij tegen me en stelt zijn vragen: wer
yu vrom? Wer yu go? Ik kom net uit mijn bed dus val me niet lastig! Het
stormt en het zand waait in ons ontbijt. De politieagent moet toch echt een
antwoord hebben dus hij komt nogmaals naar ons toe om zijn vragen te stellen.
Wij geven hem antwoord en hij is tevreden.
We rijden het dorp uit en komen weer bij de road-blocks op de kruising.
Dit keer gaat het makkelijker, binnen een paar minuten zijn we erdoor. Na
zeventig kilometer komen we in El-Kharga, een plaatsje waar allerlei oudheidkundige
sites te zien zijn. Het ligt op een kruising, één weg
leidt naar Asyut dat aan de Nijl ligt en de ander weg is het vervolg van de
oase-route.
Aan het begin van het dorp staat een road-block. We hebben afgesproken
dat we zo weinig mogelijk informatie geven dus als ze ons vragen waar we heen
gaan, zeggen we dat we gaan tanken. We worden doorgelaten. Vijf minuten later
rijdt er een auto achter ons aan met vijf zwaar bewapende politieagenten.
Volgen ze ons? Als we stoppen om de weg te zoeken komen ze naast ons staan?
Bensien, yu need bensien? Ja, maar wat heb jij daar mee te maken? Deze
mensen zullen nooit iets uitleggen ze voeren enkel hun taak uit.
We moeten er zelf achter komen wat er aan de hand is en waarom ze ons volgen.
Al snel komen we erachter dat ze ons niet alleen zullen laten zolang we in
El Kharga zijn.
We laten ze voorop rijden. Het is vrijdag dus niet alle benzinestations zijn
open. Ze rijden ons naar een klein benzine station, maar Coen vindt het niet
goed. Ze hebben hier twee soorten benzine, 80 en 90. Het octaangehalte van
tachtig is te laag voor onze Jeep. Ze rijden ons naar een volgend benzinestation,
pas bij het vierde benzinestation hebben ze 90 en gaan we tanken.
Wij willen niet richting Asyut
De politieagenten vragen waar we nu naar toe gaan, wij antwoorden dat we falaffel
gaan eten. Ze rijden ons naar een pleintje met een aantal restaurantjes. Coen
koopt een halve gebraden kip en ik falaffel. Ook doen we inkopen voor de aankomende
dagen. De politieagenten willen weten of we in El Kharga blijven of dat we
weggaan, en als we weggaan waar we dan naar toe gaan.
We besluiten hier verder niks te gaan bezoeken omdat het zou inhouden dat
we de hele dag met hun opgescheept zouden zitten. Ik laat ze op onze Michelin-kaart
zien dat we via de oase-route naar Cairo zullen rijden. Oké, jullie
gaan naar Cairo. Gaan jullie nu naar Cairo? Ze zijn helemaal blij dat ze weten
waar ze aan toe zijn. Ze rijden voorop. Als we bij de splitsing aankomen rijden
ze richting Asyut. Dat is niet de bedoeling. Wij willen niet naar de Nijl
waar je niet meer van de politie-escortes afkomt, wij nemen de oase-route.
Zij rijden rechtdoor en wij slaan linksaf. Meteen is iedereen in paniek. De
politieauto claxonneert en de politieagenten van het road-block op
de splitsing gebaren naar ons dat we moeten stoppen. We stoppen en de politieauto
rijdt naar ons toe. Ik zeg boos dat ik hem net nog op de kaart heb laten zien
hoe we zouden reizen. Waarom leiden jullie ons dan naar Asyut?
We waren even bang dat ze ons niet over de oase-route verder zouden laten
reizen maar ze hadden ons blijkbaar verkeerd begrepen. Wij wachten het antwoord
niet af en rijden langzaam verder, de politieauto volgt ons. We komen bij
het raod-block dat aan het eind van het dorp staat. Als ze ons maar doorlaten.
Na vijf minuten zijn we erdoor en de politieauto stopt precies op de grens
van het dorp.
Een oude oase-stad: Dabadib
We hebben een waypoint van Dabadib, overblijfselen van een fort en een stadje
midden in de woestijn, daterend uit het begin van de jaartelling. Niet ver
buiten El-Kharga rijden we de woestijn in. We lunchen bij een zandduin. We
rijden verder, het landschap is adembenemend mooi, op sommige plekken surrealistisch.
Aan het eind van de middag komen we bij het fort aan. Lemen gebouwen die half
zijn ingestort, huizen en pottenbakkersovens. Het ligt vol met potscherven.
Het is fascinerend. We zitten in het midden van een prachtige woestijn bij
dit ooit welvarende oase-stadje. Er is niemand in de weide omgeving te bekennen.
Wij zijn alleen in dit verlaten stadje. Ooit was hier veel water, waarschijnlijk
zelfs watervallen. Nu is daar bijna niets meer van over, er is net genoeg
water voor wat palmen en wat struiken. Na een prachtige zonsondergang gaan
we eten en dan naar bed. Veel slapen komt er niet van, het stormt.
Stormen in de woestijn zijn niet fijn, de tent klappert wild heen en weer.
Het stadje brengt de archeoloog in Coen naar boven. Hij wil een potje opgraven
wat nog intact is. Met schep en vegertje trekt hij er op uit. Het is bijzonder
om hier rond te lopen, toen er nog volop water aanwezig was moet het hier
fantastisch geweest zijn. De afbakeningen van de stukken grond die ooit bewerkt
werden zie je nog liggen. Coen kruipt overal in en onder. Het enige vervelende
zijn de vliegen. Er is ook een kerk waar we Griekse, Koptisch en Arabische
graffiti vinden en stukken beschilderd pleisterwerk. We verplaatsen ons kamp
van het fort naar het dorpsgedeelte waar we beschut tussen de bomen kunnen
staan. We zijn aan het eten als de duisternis in valt.
Als twee grote lichtgevende ogen ons aanstaren ronden we onze maaltijd vlug
af en gaan de daktent in. We willen het beest graag zien maar het is zo donker
dat we hem nooit zouden zien aankomen. We vinden het prettiger om boven in
onze tent te zitten. Er is geen wind en we genieten van de doodse stilte van
de woestijn.
We vinden twee oude graven
's Morgens zien we de pootafdrukken van het beest dat ons de nacht ervoor
gade heeft geslagen, op tien meter afstand heeft het rond ons kamp gelopen.
We pakken alles in en rijden nog wat verder de woestijn in richting het escarpement.
Coen heeft geen compleet potje gevonden, wel nemen we een aantal potscherven
mee.
Een stuk verderop ligt nog een fort. We kijken er rond en rijden dan verder
naar het escarpement waar we graven ontdekken, maar ze zijn leeg. We
steken de oude wadi over. Om ons heen zijn bergen die zijn opgebouwd
uit lagen gekleurd zand. De kleuren wisselen elkaar af en maken prachtige
patronen. Als je er een stukje van afbreekt, verpulvert het onder je handen.
We beklimmen de bergwand en vinden twee oude graven. Aan de buitenkant zijn
er nummers op geschilderd wat betekent dat ze al ontdekt zijn, maar nog niet
verder uitgegraven. Coen wil gaan graven, ik vind het maar niks. Hij mag het
van mij als hij alles maar weer terug legt. De graven zijn dan misschien wel
2000 jaar oud maar een mensengraf is toch eigenlijk heilig, daar kom je niet
aan. Ook al zijn in heel Egypte de graven geschonden en hebben we net nog
alle graven bezocht van de koningen en koninginnen uit de faraonische tijd.
Coen vindt overblijfselen van een gevlochten mand, stukken hout van een kist,
mummielinnen en botten. Als we er een foto van hebben gemaakt bedekt hij alles
weer met zand. We lopen naar de auto en genieten van de intense stilte van
de woestijn.
Zandduinen
We rijden weer in de richting van de asfaltweg. We rijden op de GPS en volgen
gedeeltelijk oude autosporen in het zand. Opeens zitten we midden tussen tientallen
meters hoge zandduinen. We kijken om ons heen en rijden daardoor te zacht
tussen twee zandduinen door en komen vast te zitten. We zakken diep in het
zand.
In Nairobi heeft Coen zandplaten gekocht die we nog nooit gebruikt hebben.
Hij wil ze graag een keer uitproberen terwijl je ze toch eigenlijk niet nodig
hebt als je maar weet wat je moet doen in zand. In Zuid-Afrika zeggen ze dat
zandplaten voor watjes zijn, maar Coen vindt het wel stoer.
Ook hadden we geen zin om de banden verder te laten leeglopen. Als je dat
doet kun je de auto er zo in zijn lage gearing uitrijden maar dan moeten we
ze ook weer oppompen. Dus wij aan de slag met de zandplaten, van het dak halen,
onder de achterbanden steken en voorzichtig gas geven. De zandplaten kwamen
omhoog tegen de bumper aan (een nadeel van zandplaten) maar nadat we ze er
opnieuw onder gestoken hadden reden we de Jeep los. Nu kwam het aan op momentum
maken. We namen een aanloopje en in volle vaart reden we tussen de zandduinen
door. Geen probleem! We volgen een oud bandenspoor dat stopt voor een enorme
zandduin. We gaan eerst maar even de boel verkennen want de zandduin is niet
alleen hoog maar ook lang. Ik loop erop en tot mijn verbazing is het zand
knuppelhard, tot boven aan toe. Ik loop vooruit en Coen rijdt achter me aan.
Zand in de zon is namelijk zeer verraderlijk. Je kunt geen diepte zien, alleen
als je vlak bij bent zie je of iets lichtelijk afloopt of steil naar beneden
gaat. De zijkant van de zandduin loopt steil naar beneden maar aan de andere
kant loopt hij geleidelijk af.
We vinden het allebei heerlijk om door de woestijn te rijden.
Vliegen en prijzen van eten
Voldaan bereiken we aan het eind van de dag het asfalt en rijden naar Mut,
de hoofdstad van de Dakhla-oase. We gaan nog op zoek naar rotstekeningen die
daar ergens in de buurt moeten zijn maar kunnen ze niet vinden. We eten falaffel
in een plaatselijk restaurantje. Naast ons zit er een vrouw met haar kind
te eten. Haar zoontje en het eten zitten onder de vliegen maar hij en zijn
moeder schijnen zich daar niet om te bekommeren. Wij wapperen boven onze broodjes
om de vliegen te verjagen. Wij vinden de vliegen onhygiënisch maar volgens
ons hebben ze hier nog nooit van dat begrip gehoord. Overal staat het eten
onbedekt te wachten op de klanten, ondertussen zit het vol met vliegen.
We kamperen bij bedoeïenkamp, waar we ontvangen worden door de gastvrije
aardige eigenaar. 's Morgens ontbijten we in het dorp maar we zijn zo stom
geweest om van tevoren niet over de prijs te onderhandelen. De rekening vinden
we te duur. Gisteren aten we falaffel voor veel minder geld en de halve kip
die Coen had, kost ook opeens het dubbele van de prijs in El Kharga. We betalen
wat wij denken dat een redelijke prijs is. Ze reageren verontwaardigd, maar
dat is hun techniek.
Het is wel lastig als prijzen niet vastliggen. Wie weet kost een kip hier
meer dan in El Kharga, maar je kunt het de mensen niet vragen omdat je geen
oprecht antwoord zult krijgen. De meeste verkopers proberen je te belazeren
een enkeling hanteert vaste prijzen. We willen iemand ook niet onterecht behandelen
maar we willen ook niet afgezet worden.
We gaan groente kopen en vragen naar de prijzen bij een van de stalletjes.
Hij noemt belachelijke bedragen en wij lopen meteen weer weg. Bij een stalletje
aan de overkant vragen we hoeveel tomaten kosten en deze man noemt de gangbare
prijs. Hier slaan we ons groente en fruit in.
El Qasr
We maken een rondje in de Dakhla-oase langs de bezienswaardigheden. We rijden
door dorpjes en langs oude Islamitische graven. Ook zien we faraonische graven
en bezoeken we een Romeinse zandstenen tempel.
In Sudan en Egypte zie je veel oude (en nieuwe) graffiti. Bij de tempel is
Koptische graffiti te zien en de namen van negentiende-eeuwse reizigers zijn
in een zuil uitgebeiteld: 1819, Edmondstone; 1874, de expeditie van Rohlfs;1899
W. Kumm en van Cailliaud.
Als laatste bezoeken we het lemen stadje El Qasr. We lopen door de overdekte
steegjes en zien prachtige oude houten Islamitische deuren met Arabische teksten
erboven, moskeeën en een oude school. Kinderen lopen met ons mee. Een
jongetje wordt door zijn moeder naar ons toe geduwd en vraagt ons om bakshies.
Aan het eind van de dag gaan we terug naar bedoeïenkamp waar we de nacht
doorbrengen.
Een bekend busje
Van Mut rijden we over 300 km asfalt door de woestijn naar Farafra. Er stak
een zandstorm op en we zagen weinig van de omgeving.
Bij een road-block werden we aangehouden door ruig uitziende mannen
maar we kwamen er zonder problemen doorheen. Op het punt waar de weg een scherpe
bocht maakte bevond zich weer een road-block. Het werd bemand door
een jonge jongen die geen enkel woord Engels sprak. Hij zag er aardig en onbeholpen
uit. Jongens moeten in Egypte vier jaar in dienst en volgens ons worden ze
op al deze checkpoints gedumpt.
De zandstorm houdt aan. In Farafra werden we aangehouden door vijf politieagenten.
De gebruikelijke vragen werden weer gesteld. Ze willen altijd weten waar je
de nacht doorbrengt als je in hun dorp bent, omdat ze vanaf het moment dat
je het dorp inrijdt totdat je het dorp weer verlaat verantwoordelijk voor
je zijn.
Wij willen in de woestijn kamperen bij een bron waarvan we het waypoint hebben
maar zijn bang dat ze het ons niet toestaan. Ze doen nogal moeilijk maar gelukkig
komt een man die goed Engels spreekt ons helpen en overtuigt de politie dat
het goed is als we bij de bron kamperen.
We rijden naar de bron toe en zien daar een bekend busje staan. Het busje
van Anne Marie en Antonio. We toeteren luid en even later liggen we alle vier
in het naar ijzer ruikende water van de warmwaterbron.
's Nachts wordt ik wakker van een auto die met grootlicht op onze auto's schijnt
en mannen die om de auto's heenlopen. 's Morgens komt dezelfde auto aanrijden,
het is de politie die ons komt controleren. Ze willen weten wanneer we weer
weggaan.
Zandstorm ontneemt ons het zicht
We besluiten gezamenlijk naar de Witte Woestijn te gaan. We proberen te tanken
maar er is alleen benzine met het octaangehalte 80 in het dorp te krijgen.
We rijden het dorp uit en moeten stoppen voor een road-block. We vragen
de politieagenten of zij weten waar we benzine met een octaangehalte van 90
in plaats van 80 kunnen krijgen. Zij spreken geen Engels en we schrijven de
getallen 80 en 90 in het Arabisch op en wijzen op de benzinetank. Pas in de
volgende oase kunnen we weer 90 tanken volgens de agenten.
De zandstorm is weer komen opzetten en we kunnen niet meer dan honderd meter
voor ons uit kijken. We willen van de weg af de witte woestijn in. Anne Marie
en Antonio zijn er al eens geweest en proberen de plek te vinden waar ze er
destijds in zijn gegaan, maar kunnen het niet vinden. Door de zandstorm kunnen
we niet goed zien waar we de weg af kunnen. Anne Marie en Antonio denken toch
dat ze vorige keer via de andere asfaltweg de woestijn in zijn gereden. Om
op die weg te kunnen komen moeten we weer langs dezelfde politiepost. We rijden
er heen maar ze laten ons niet door. De bekende wijsvinger wordt opgeheven
en flink heen en weer gezwaaid.
Van jong tot oud bemoeien de Egyptenaren zich overal mee. Ze vinden al snel
dat iets niet mag. Als we bijvoorbeeld ergens willen parkeren komt er altijd
wel iemand met opgeheven wijsvinger die heen en weer wordt gezwaaid. Nee,
hier mag je niet staan. Het blijkt altijd een zelf verzonnen regel te zijn.
Wij hebben althans nooit een bord of iets kunnen vinden dat hetzelfde beweerde.
Maar goed, we komen met geen mogelijkheid meer door het road-block.
We zouden ook makkelijk door de woestijn naar de andere asfaltweg kunnen rijden
ware het niet dat de zandstorm ons elk zicht ontneemt en dat het geen doen
is om een doorgang te zoeken.
Een oeroude zeebodem
We besluiten aan de andere kant van de weg de woestijn in te gaan want daar
is hij egaler. We rijden er in en komen langs allerlei vreemd gevormde witte
kalkrotsen. We zoeken een plekje om te overnachten en gaan wat lezen in de
auto totdat de zandstorm is gaan liggen.
Aan het eind van de dag maken Coen en ik een wandeling door dit vreemd aandoende
witte landschap. De witte kalk in de woestijn lijkt op sneeuw. We zien twee
Land Cruisers rijden, het zijn toeristen die door gidsen worden rondgereden.
's Morgens zien we de sporen van het vosje dat we 's nachts hoorde blaffen.
Ook zien we sporen van muizen in het zand. Dat is het mooie van zand, je ziet
's morgens precies wie er 's nachts is langsgekomen.
De zandstorm is gaan liggen en we rijden aan de andere kant van de weg de
woestijn in. We rijden door diepzand en over harde stukken, langs monolieten
en langs het escarpement. We stoppen als we overal op de grond kleine
kwarts kristallen zien liggen. We zoeken alle vier naar mooie kristalen en
andere stenen en fossielen. Overal ligt versteend koraal. We blijken ons op
een oeroude zeebodem te bevinden. We verzamelen een zak vol met fossielen
en stenen.
De wind is weer opgestoken, maar het wordt gelukkig geen storm. We rijden
verder de woestijn in tot we een plekje vinden om te kamperen. Antonio, Coen
en ik beklimmen een berg en zien onze auto als een klein stipje in de uitgestrektheid
van de woestijn staan.
's Nacht is de wind weer gaan liggen en luisteren we naar de stilte van de
woestijn terwijl we omhoog kijken naar de maan en de sterrenhemel.
Gesluierde vrouwen en gouden mummies
We rijden terug naar de asfaltweg en vervolgen onze route naar het noorden.
Anne Marie weet dat er gouden mummies zijn gevonden in Bahariya en we gaan
op zoek naar de plek waar ze moeten zijn. De bewakers zeggen dat de sleutel
zich in het museum bevindt, maar het museum is vandaag gesloten omdat het
vrijdag is. We gaan het morgen weer proberen.
We rijden door het dorp waar de meeste vrouwen gesluierd zijn. Alleen hun
ogen zijn te zien, soms zijn zelfs hun handen bedekt door handschoenen.
We lunchen bij een restaurantje waar toeristen zitten. Bahariya ligt niet
ver vanaf Cairo en toeristen worden door gidsen in 4x4's rondgereden in dit
oase-stadje en door de witte woestijn. We lopen door het dorp en doen wat
inkopen.
Coen wil notenstaafjes kopen. De jongen vraagt voor vier losse staafjes 1
pond. Coen wil een pak kopen. Daar vraagt de jongen 5 pond voor. Er zitten
duidelijk 14 staafjes in het pak dus het is vreemd dat het 5 in plaats van
3,5 pond kost. Wij leggen het aan hem voor maar hij kijkt ons verbaast aan.
Coen probeert het nog eens en legt uit dat hij dan beter 3,5 maal 4 losse
staafjes kan kopen. Hij blijft zeggen dat het pak 5 pond kost. Dit is typisch
zoiets wat we alleen in Egypte zijn tegen gekomen.
We gaan naar de warmwaterbron om ons te wassen en natuurlijk komen er Egypenaren
kijken. Het duurt even voordat ze hun interesse verliezen en we ons kunnen
wassen. We rijden het dorp uit langs het road-block de woestijn weer
in. Hoe meer we richting Cairo komen hoe makkelijker de road-blocks worden.
We vinden een mooie kampeerplek bij een prachtige zandduin. Antoinio maakt
een kampvuur en Coen zet een muziekje op. Er is niets mooiers dan overnachten
in de woestijn.
Coen wordt morgen 40!
We rijden naar het museum terug om te vragen of we de sleutel voor de gouden
mummies kunnen krijgen. Het kan niet. We laten het er niet zomaar bij zitten
en gaan op zoek naar de grote baas. Als we die vinden, vertelt hij ons dat
men bezig is met de mummies en dat we de vindplaats op het moment niet kunnen
bezoeken.
Voordat we naar Cairo vertrekken kopen we brood uit een gat in de muur en
bezoeken we nogmaals de warmwaterbron. Het water is zacht en ruikt hier niet
naar ijzer.
We willen niet aan het eind van de dag Cairo binnen rijden en zoeken een plaatsje
in de woestijn om te overnachten. Er zijn hier overal olieraffinaderijen en
het duurt even voordat we een geschikte plek gevonden hebben.
Ik versier de daktent met slingers en ballonnen. Coen wordt morgen 40!
De Piramides en de Sfinx
Ik heb nergens een cadeau voor Coen kunnen kopen maar ik maak een ontbijt
voor hem en zing hem toe. Anne Marie heeft een pakket met lekkernijen voor
Coen samengesteld van chocola en cola. Coen is gelukkig. Ook al omdat hij
zijn verjaardag in de woestijn viert en straks de piramides zal zien.
We vertrekken, Coen rijdt altijd in de steden en ik navigeer. Cairo is een
stad van 18 miljoen mensen en is berucht om het gestoorde rijgedrag. Dat is
te veel stress voor mij. Laat het navigeren maar aan mij over, ik weet ons
altijd overal naartoe te leiden.
We rijden als eerste naar de piramides, eerst naar de achterkant, waar het
ticketoffice is en daarna naar de voorkant waar zich de Sfinx bevindt.
Overal worden we ontvangen met de opgeheven wijsvinger die heen en weer wordt
bewogen en aangeeft dat we iets doen dat niet mag. We laten ons er niet door
afleiden. Kleine jongetjes proberen de toeristen op deze manier wijs te maken
dat het verboden is om de site van de piramides lopend te betreden
en dat ze toch echt bij hun een ezel of kameel moeten huren.
We eten wat in de Pizzahut met uitzicht op de Sfinx. Er zijn hier weer veel
toeristen. Daarna gaan we op zoek naar de enige camping die Cairo rijk is
en dat is niet eenvoudig, maar we vinden hem.
Anne Marie en Antonio gaan logeren bij een vriendin van Anne Marie die getrouwd
is met een Egyptenaar en al twintig jaar in Egypte woont. Ze wijzen ons nog
even de weg naar de Carrefour, een enorme supermarkt, voordat zich onze wegen
weer scheiden. We willen beide proberen visa voor Libië te krijgen en
spreken af elkaar hierover op de hoogte te houden.
Het verkeer in Cairo
Onderweg zijn in Cairo is een hel. Het verkeer is een grote chaos. Mensen
rijden hard. Ze halen je zowel links als rechts in; ze schieten voor je langs;
ze snijden je af; ezelkarren steken over of rijden aan de rechterkant waardoor
iedereen op zijn rem moet gaan staan; auto's rijden achteruit, zelfs op de
ringweg; auto's rijden tegen het verkeer in, spookrijden is hier de normaalste
zaak van de wereld; taxibusjes stoppen op de ringweg om passagiers in en uit
te laten stappen; mensen parkeren hun auto op de ringweg en stappen uit zonder
te kijken terwijl het verkeer voorbij raast met 120 km per uur; mannen zitten
op de ringweg naast hun vrachtwagen een wiel te verwisselen met hun rug naar
het verkeer toe; van tweebaanswegen maken ze driebaanswegen, er past altijd
nog wel een auto tussen; auto's keren op de ringweg over de middenberm heen
en rijden zonder uit te kijken jouw helft op en uiteraard rijdt het overgrote
deel 's avonds zonder licht zoals te doen gebruikelijk in Egypte. We zijn
voortdurend op onze hoede, je kunt geen moment je aandacht laten verslappen.
De meeste mensen rijden hier met gloednieuwe auto's, maar zelfs de auto's
die nog geen jaar oud zijn zitten al onder de deuken.
Wij hopen Cairo te kunnen verlaten zonder schade. Coen rijdt geweldig en weet
steeds precies het juiste te doen, maar ik krijg pijn in mijn nek omdat ik
als reflex telkens wegduik.
1000 Euro voor vier dagen Libië
Op 26 april rijden we naar Zamalek, een van de twee eilanden in het centrum
van de stad, een soort klein Manhatten, waar zich de ambassade van Libië
bevindt. We vragen aan de man achter de balie of we een visum kunnen krijgen.
Hij vertelt ons dat het minimaal een maand duurt als we het via Tripoli aanvragen,
maar we kunnen ook alles regelen via een touroperator. Zij sturen dan een
uitnodigingsbrief naar de ambassade en regelen een gids. Vervolgens krijg
je waarschijnlijk je visum. Wat nu als we geen gids willen? Dan gaat het via
Tripoli en moet je minimaal een maand wachten op antwoord en de kans zit er
in dat het verzoek wordt afgewezen. Hij verwijst ons naar e-mailadressen van
touroperators die op een bord hangen.
We komen een Deens stel tegen dat tijdelijk in Cairo woont. Ze willen op vakantie
naar Libië maar zitten ook in hun maag met het verhaal over de touroperators.
Het gaat ons heel veel geld kosten als we het via een touroperator gaan regelen
en je zit met een gids opgescheept.
We gaan naar een internetcafé en schrijven een brief in het Engels
voor de touroperators met als vraag of ze voor ons een offerte kunnen opstellen.
We weten niet zeker of ze Engels spreken dus beginnen we aan een vertaling
in het Frans. Dat is te moeilijk en we roepen de hulp in van de jongen van
het internetcafé. Hij is enorm behulpzaam. Uiteindelijk vertaald een
man uit Kongo (DRC) voor ons de brief in het Frans. Ze willen geen vergoeding
voor hun hulp.
Eindelijk ontmoeten we weer eens leuke mensen. Het internetcafé zit
er vol mee, allemaal leuke aardige Egyptische studenten. Het is heerlijk om
eens niet op je hoede te hoeven zijn.
We vinden een website waar we de prijzen voor de uitnodigingsbrief en de gids
vinden, het houdt in dat we 1000 Euro kwijt zullen zijn als we in vier dagen
door Libië willen reizen. We sturen de brief aan een paar touroperators
en wachten hun antwoord af.
Stinkende afval en Koptische architectuur
We rijden terug naar de camping. Voor de camping bevindt zich een kanaal wat
vol ligt met afval en het stinkt héél erg. Overal in Afrika
ligt afval, dat was in de rest van Egypte niet anders, maar in de miljoenenstad
Cairo zijn plekken die je voorstellingsvermogen te boven gaan.
Veel kanalen liggen vol met afval en het schijnt dat de mensen tussen het
afval in de was in dit water doen. Een broedplaats voor de vele muskieten
die de camping erg onaangenaam maken en overdag stikt het er van de vliegen.
Bij het kanaal ontmoeten we Nederlanders. Zij (een Nederlands-Frans stel)
wonen naast de camping en nodigen ons uit voor een drankje. Ze wonen in een
prachtig huis dat van een Koptische architect is. Meteen toen ze het zagen
waren ze er verliefd op. Coen en mij overkomt hetzelfde.
Prachtige koepels en gewelfde bogen met lichtgaten in het plafond waar verschillende
kleuren glas in zitten. Het enige nadeel is het kanaal voor de deur en de
honderden muskieten. Het is erg gezellig en heerlijk om even in zo'n mooie
omgeving te zijn.
Jordanië, Syrië of Libië?
Voor dat we gaan douchen spuiten we met insectenspray in de doucheruimte.
Honderden muggenlijkjes liggen op de grond, maar wij kunnen veilig douchen.
Ik schrijf aan het reisverslag van Sudan en Coen doet andere klusjes. 's Middags
checken we onze mail maar we hebben nog geen antwoord van de touroperators
uit Libië. We weten ook niet wat we moeten doen. Vinden we het reizen
door Libië zo belangrijk dat we er 1000 Euro voor over hebben? We kunnen
het niet beslissen en besluiten om ook maar vast te gaan informeren naar de
visa voor Jordanië en Syrië.
Eerst gaan we langs bij de Libische ambassade op Zamalek om nog meer e-mailadressen
op te halen. We gaan naar het internetcafé en mailen nog 15 verschillende
touroperators in Libië. Zeven er van komen meteen terug, ze bestaan niet
meer. We hebben nog steeds geen antwoord van de al eerder aangeschreven touroperators.
We gaan bij de Jordaanse ambassade langs en worden er hartelijk ontvangen,
een visum voor Jordanië is geen probleem. Het kost 135 Pond p.p.. We
bezoeken de Syrische ambassade waar we minder vriendelijk worden ontvangen.
Als we 235,- Pond p.p. betalen en er rekening mee houden dat de ambassade
op zondag gesloten is omdat het de sterfdag van Mohammed is, is het echter
ook geen probleem.
We zitten er mee in onze maag. We willen het liefs door Libië zodat we
onze reis door Afrika op een mooie manier kunnen afronden maar we hebben geen
zin om mee te doen aan het belachelijke systeem van gidsen. Je moet een plaatselijke
gids 1000 Euro betalen voor vier dagen begeleiding, terwijl deze mensen vaak
niet eens Engels of Frans spreken en niet op de hoogte zijn van de achtergronden
bij de bezienswaardigheden.
Koninginnedag in de tuin van de ambassadeur
We vinden een briefje van Anne Marie en Antonio achter de ruitenwisser. Ze
laten ons weten dat het Koninginnedagfeestje op de ambassade is verplaatst
van 30 april naar 28 april. Het is vandaag 28 april. De vriendin bij wie ze
logeren werkt op de ambassade.
Om zeven uur 's avonds parkeren we onze Jeep voor het huis van de ambassadeur
en zijn vrouw en mengen we ons tussen de expats die zich in de tuin van het
prachtige huis bevinden.
We lopen bijna voorbij aan de ambassadeur en zijn vrouw. We schudden hen de
hand en geven ons kaartje waarop onze website staat vermeld. Het bedienend
personeel gaat gekleed in het oranje en er wordt rondgegaan met de heerlijkste
hapjes waaronder natuurlijk de oer-Nederlandse haring.
We begroeten uitgelaten Anne Marie en Antonio en vergapen ons aan de luxe.
We voelen ons zwervers die opeens in een paradijs terecht zijn gekomen. We
laten geen beurt voorbij gaan als de lekkere hapjes voorbij komen en nippen
aan onze wijn en vers geperst vruchtensap (het mango- en aardbeiensap spannen
de kroon).
De ambassadeur houdt een toespraak en vertelt dat hij na vier jaar Egypte
zijn taak over twee weken zal overdragen aan de nieuwe ambassadeur. Hij en
zijn vrouw zullen vertrekken naar Marokko, voor zijn nieuwe post.
Een koor zingt het Wilhelmus en wij neuriën (bij gebrek aan kennis van
de tekst) vrolijk mee. We maken een praatje met de ambassadeur en zijn vrouw
over reizen, én over het reizen in Egypte in het bijzonder.
Het ziet er hoopgevend uit
De volgende dag zit ik weer achter de laptop terwijl Coen andere klusjes doet.
's Middags komen Anne Marie en Antonio op de camping langs. Zij hebben van
de Italiaanse ambassadeur (Antonio is Italiaans en Anne Marie bezit zowel
een Nederlands als een Italiaans paspoort) een aanbevelingsbrief gekregen
die bestemd is voor de Libische ambassade. Ze waren er net mee naar de Libische
ambassade geweest en er was hun beloofd dat de ambassadeur er naar zou kijken
en dat ze na het weekend konden langskomen. Dit zag er hoopgevend uit en het
leek ons ook een goed idee om bij de Nederlandse ambassade langs te gaan voor
met zo'n brief.
Niet om aan te horen
Op vrijdag (30 april) zijn alle ambassades dicht maar we gebruiken de dag
om onze paspoorten in het Arabisch te laten vertalen, wat nodig is voor een
Libisch visum. We doen het bij het internetcafé op Zamalek. Er zit
daar een aardige jongen die goed Engels spreekt. Muhammed heeft het druk maar
wil ons graag helpen. Ik zit samen met hem achter zijn bureau en leg hem uit
wat we willen en laat hem zien wat precies vertaald moet worden. Hij typt
onze gegevens in de computer in het Arabisch in.
Na anderhalf uur hebben we onze vertalingen. Het bedrag dat we hem voor zijn
diensten willen betalen vindt hij veel te hoog en hij vertelt ons wat we hem
wel mogen betalen. Het is heerlijk om weer zo oprecht behandeld te worden
en daarnaast hebben we ook lol met hem.
Op de camping begeven we ons weer tussen de vliegen en muggen. Het gejammer
uit de moskeeën kunnen we niet erg waarderen. Het begint om vijf uur,
het herhaalt zich overdag een aantal keer, en 's avonds moeten we er weer
naar luisteren. Als het nu mooie gezangen waren maar het is werkelijk niet
om aan te horen.
Sakkara
Omdat het in Cairo een lang weekend is in verband met de "hemelvaart"
van Mohammed kunnen we toch niets doen aan onze visa en rijden we naar Sakkara.
Deze uitgestrekte begraafplaats van Memphis heet naar de God van de begraafplaatsen
(Sokar) Sakkara.
Memphis was vroeger de hoofdstad van Egypte totdat de stad Alexandrië
werd gesticht. Djoser, de oudste piramide van Egypte staat hier. We bezoeken
een aantal graven en een piramide. Ik vind het geen pretje om langs de smalle
schacht naar beneden te klauteren, het opengebroken graf in.
Aan de andere kant van de site laat een bewaker ons nog twee graven
zien en daarna worden we door een andere bewaker met veel geheimzinnigheid
meegenomen naar een complex waar Nederlandse archeologen bezig zijn. We zien
er prachtige reliëfs met afbeeldingen van Syriërs en Nubiërs.
We betalen hem bakshies, wat natuurlijk niet genoeg is.
10 pond voor een servetje
Op 2 mei ontmoeten we Tanja en Achim een Duits stel dat op de motor door Afrika
reist. Ze reizen naar het zuiden en komen net uit Libië. Ze vertellen
ons dat ze van alles geprobeerd hebben en internet afgezocht hebben, maar
dat de conclusie was dat het onmogelijk was om zonder gids door Libië
te reizen. Ze waren onderweg reizigers tegen gekomen die tevergeefs een week
voor de grens van Libië gebivakkeerd hadden. Ze zijn er niet ingekomen.
Tanja en Achim hadden een gids geregeld en zouden in verband met de onkosten
in vier dagen door Libië reizen. Ze hadden een aardige gids die ze heeft
toegestaan om zonder bij te betalen nog drie dagen extra te blijven.
Dit is geen goed nieuws voor ons maar we geven het nog niet op. We gaan wat
drinken met hen op Pyramidroad. We nemen de minibus. Coen en ik nemen thee,
Tanja en Achim koffie en een zoete lekkernij. Alle medewerkers komen ons om
de beurt de hand schudden en blijven ons de hele tijd aanstaren. We vragen
om de rekening en we krijgen hem. Of we tachtig pond willen betalen. We dachten
het niet hè. Neem deze maar weer mee en kom maar terug met een rekening
met een normaal gedrag. Ze komen terug met een rekening van 75 pond. De bedragen
staan op de rekening uitgesplitst.
Tien pond voor een kopje thee, op de meest toeristische plekken betaal je
uiterlijk twee pond voor een kopje thee. Ook hadden ze flesjes water op tafel
gezet waar Coen en ik niet aangekomen waren. Tanja en Achim hadden er wel
van gedronken en omdat het naar chloor smaakte, en dus leidingwater was, hadden
ze het laten staan. Zij wilde het ons nu verkopen als mineraal water.
Het mooiste was wel de prijs voor het gebruik van een servetje. Dat koste
maar liefst vijftien pond. We moesten er erg om lachen.
We legde een bedrag op tafel dat overeen kwam met de normale prijzen voor
de dingen die we genuttigd hadden en liepen weg. Hoe dom denken ze dat we
zijn?
De Nederlandse ambassade
Op maandag 3 mei bezoeken we de Nederlandse ambassade op Zamalek. Een wereld
van verschil met de Libische. De Nederlandse ambassade zit in een prachtig
gebouw en binnen en buiten zijn verschillende kunstwerken te bewonderen. Alles
is nieuw in tegenstelling tot de vele ambassades die we bezocht hebben op
onze reis door Afrika. Ook zijn de regels duidelijk, als we willen kunnen
ze ons zo alles op schrift laten zien.
We vragen om een aanbevelingsbrief en hebben zelf al een opzetje gemaakt.
Ze mogen ons geen persoonlijke brief meegeven maar hebben een standaard brief.
Doorzeuren heeft hier geen zin. Hij zet het briefpapier in de printer en met
een druk op de knop ligt de aanbevelingsbrief voor ons klaar. We vragen er
nog één en twee enveloppen. Hij plakt ze dicht en wij maken
ze stiekem snel weer open, dan kunnen we er nog het een en ander bij stoppen.
Ook vragen we om een stempel op de Arabische vertaling van ons paspoort. Deze
wordt eerst nagekeken en daarna krijgen we hem terug met stempel. Na twintig
minuten staan we weer buiten. Wat heerlijk efficiënt en effectief.
Gewapend met onze brief
We gaan naar het internetcafé waar we hartelijk ontvangen worden door
Muhammed. We willen dat de brief zo persoonlijk mogelijk overkomt ook al staat
er in de brief dat er geen persoonlijke brieven worden afgegeven, maar dat
de Nederlandse ambassade zich beroept op hun gastvrijheid en hopen dat Libië
de Nederlandse onderdanen ook gastvrij ontvangt.
In de envelop stoppen we de brief, kopieën van ons paspoort, kopieën
van de vertaling in het Arabisch en alvast twee pasfoto's. We plakken de envelop
keurig dicht en zetten het adres van de Libische ambassade er op. Zo lijkt
het of dit alles door het ambassade personeel in de envelop gestopt is en
aan de ambassadeur van de Libische ambassade is gericht.
Gewapend met onze brief vertrekken we naar de Libische ambassade.
Gadaffi heet toeristen welkom
We hebben ondertussen ook een antwoord van een touroperator en de prijzen
komen overeen met de informatie van het internet.
We willen niet naar de balie waar de aanvragen voor visa worden behandeld
omdat het duidelijk is dat daar geen beslissingen worden genomen. We nemen
de diplomateningang. We nemen plaats in de wachtruimte. We maken stampei totdat
we iemand te spreken krijgen die ons belooft dat de ambassadeur er naar zal
kijken. Hij loopt met ons mee naar de ruimte voor de visaanvragen. We lopen
buiten om het gebouw heen en als er niemand aanwezig is zegt hij dat we daar
moeten wachten en dat hij even omloopt. We wachten maar er gebeurt niets.
De Denen zijn er ook weer, zij hebben ook nog steeds geen visum. Ik loop weer
naar de diplomateningang maar de deur zit potdicht. Als ik klop wordt er niet
opengedaan. Boos loop ik terug naar Coen en we spreken de man achter de balie
aan. Wij vragen waar de man is gebleven die de deur voor ons zou openen en
ons verder zou helpen. Hij antwoordt niet maar zegt ons dat we toch eerst
een uitnodigingsbrief van een touroperator moeten hebben, voordat we een visum
kunnen krijgen. We worden kwaad en zeggen dat we wel over Jordanië en
Syrië gaan reizen en dat we niet eens meer door Libië willen.
Coen zegt tegen hem dat we net een persoonlijke brief van de ambassadeur van
het "Koninklijke" Koninkrijk der Nederlanden hebben afgegeven en
als ze daar niet correct mee om gaan we hem direct terug willen hebben.
Boos lopen we naar de diplomateningang waar we naar binnen glippen op het
moment dat er iemand naar buiten komt. Ik loop te foeteren tegen de man in
het kantoor maar hij blijkt geen Engels te verstaan. Even later komt er een
man bij wie we ons verhaal houden maar dit levert helaas niets op. We weten
ook niet goed wat we nu nog in de ambassade doen. Blijkbaar kom je het land
niet in zonder uitnodigingsbrief, wat inhoudt dat we ook vastzitten aan een
gids. Het wordt ons nu duidelijk dat wij het er niet voor over hebben om 1000
Euro uit te geven om transit in vier dagen door Libië te reizen, maar
we vinden het ook moeilijk om het los te laten. We blijven op het kantoor
rondhangen en spreken iedereen aan die langskomt.
De man op het kantoor belt naar iemand en zegt mij dat ik de telefoon moet
overnemen. Het is het hoofd van de visumdienst van de ambassade. Ik leg hem
uit dat we graag door Libië willen reizen maar dat het ons niet lukt
om aan een visum te komen. Ook zeg ik hem dat Gadaffi aan de wereld heeft
laten weten dat toeristen vanaf heden welkom zouden zijn. Het hoofd begint
over de touroperators. Ik zeg hem dat we er al vijftien gemaild hebben maar
nog geen antwoord hebben gekregen (wat niet waar is). Hij wil me wel een goed
adres geven. Ik bedenk dat we toch niets meer te verliezen hebben en zeg hem
dat we geen gids willen waar we 1000 Euro aan moeten betalen.
Gadaffi heet ons als toerist welkom in zijn land maar nu lijkt het erop dat
Libië alleen geïnteresseerd is in ons geld. Wij dachten welkom te
zijn. Hij zegt me dat hij het vanmiddag nog met de ambassadeur zal bepreken
en dat we morgen weer moeten langskomen. Ik vraag hem nog of het dan mogelijk
is om zonder gids door Libië te reizen, hij ontkende het maar zei dat
we morgen verder zouden praten.
We gaan naar Libië!
We hadden er geen hoge verwachtingen van en waren ons al geestelijk aan het
voorbereiden op het feit dat we richting Jordanië zouden reizen. In het
internetcafé lezen we dat een van de touroperators bereidt is om over
de prijs te praten. We vragen hem om concrete bedragen te noemen. Ook mailen
we nog twee andere touroperators om te vragen of ook zij voor ons een goede
deal kunnen maken.
Op dinsdag 4 mei hebben we om 12:00 uur een afspraak met Meneer Awad. Er is
niemand bij de diplomateningang. We lopen naar de ruimte van de visumaanvragen
maar daar zit alleen een vrouw. Als we zeggen dat we een afspraak hebben met
het hoofd van de visumdienst, zegt ze dat er niemand van de afdeling aanwezig
is.
Moeten we nu alweer boos worden om iets te bereiken? We dringen er op aan
dat we haar chef willen spreken. Ze belt, maar Meneer Awad is niet aanwezig.
Na een kwartier komt de man binnen die normaal gesproken altijd achter de
balie zit. Ik wil al boos worden omdat we niet een afspraak met hem, maar
met meneer Awad hebben. Hij onderbreekt me en vertelt dat de ambassadeur besloten
heeft om ons een visum te geven. We zijn stom verbaasd maar gaan meteen de
kaartjes invullen die hij ons aanreikt, bang dat dit magische moment als een
zeepbel uiteen zal spatten. We mogen bij "het soort visum" geen
transit of toerist invullen, maar visit.
Later bedenken we dat ze ons een zakenvisum hebben gegeven. Het is ons tot
op de dag van vandaag niet duidelijk waarom wij wel een visum hebben gekregen
zonder uitnodigingsbrief. Het kost ons 220 Pond p.p.
We moeten geld gaan wisselen bij de bank die zich aan de overkant van de straat
bevindt. Huppelend lopen we over straat, we gaan naar Libië! Het wisselen
duurt ons allemaal te lang want we zijn bang dat de ambassade zich in de tussentijd
zal bedenken. Bij terugkomst maakt de man achter de balie hierover nog een
grapje. "Waar bleven jullie nu?" We betalen hem en hij vraagt ons
of we om half twee terug willen komen omdat de ambassadeur de visa nog moet
ondertekenen.
En dan is het zo ver...
Helemaal hyper liepen we over straat. We gaan naar Libië! We trakteerden
onszelf op een ijsje en konden ons geluk niet op. Dit hield niet alleen in
dat we naar Libië zouden gaan, maar ook dat we zonder uitnodigingsbrief
en zonder gids zouden gaan, en dus ook zonder het bedrag te betalen van 1000
Euro.
We snapten er helmaal niets van, was het de brief van de Nederlandse ambassade
geweest of had het invloed gehad wat ik tegen meneer Awad had gezegd over
de speech van Gadaffi. Het was een groot mysterie. Om stipt half twee waren
we terug. De man van de balie was er ook, maar de paspoorten nog niet. Ik
vroeg hem hoe lang het nog kon duren omdat we een afspraak met Anne Marie
en Antronio hadden. Een kwartier, insjalla (als God het wil)! Opeens gingen
we twijfelen, hadden we te vroeg gejuicht en was dit gewoon een afscheep tactiek?
Er zat ook een Amerikaanse zakenman te wachten. Zijn visumaanvraag was afgewezen
terwijl hij investeringen had gedaan in Libië en erheen moest voor besprekingen.
Ook zat er een Canadese zakenman te wachten, hij moest de volgende ochtend
in Libië zijn voor een bijeenkomst. Om half drie ben ik weer naar de
ander kant van het gebouw gelopen maar de deur was dicht. Er was nog een ingang
waar net iemand uit kwam. Ik ben naar binnen gelopen en informeerde naar onze
paspoorten. Vandaag wordt er niet meer gewerkt, kom morgen maar terug. Hoezo
vandaag wordt er niet meer gewerkt. Er is tegen ons gezegd dat we op ons visum
konden wachten. Ik liet de mannen weten dat ik dit geen stijl vond en dat
we bleven wachten totdat we onze visa hadden.
Ik ga Coen en de Canadese zakenman halen en zeg de portier dat hij me moet
garanderen dat hij ons er weer inlaat, dus niet opeens de deur gesloten houdt.
We worden weer binnengelaten en we wachten af. Om de tien minuten speken we
iemand aan.
Voor de Canadese zakenman is niets geregeld, hij gaat ter plaatse contact
op nemen met zijn reisagent in Libië. Voor ons is het eindelijk zo ver.
Om half vier komt er iemand aanlopen met onze paspoorten waar de visa voor
Libië in staan. Hij geeft nog een uitleg omdat alles in het Arabisch
staat geschreven, waarna we de ambassade verlaten. We gaan naar Libië!
Aandrijfassen en naaldlagers
Coen en ik hebben nog van alles te doen dus we willen best afwachten of het
Anne Marie en Antonio ook lukt om visa te krijgen. Ze zijn zes jaar geleden
al eens in Libië geweest en kennen daar mensen. Ze proberen via een van
hun kennissen een uitnodigingsbrief te krijgen. Als je via een zakenrelatie
of kennis wordt uitgenodigd hoef je ook geen gids te hebben.
De ambassade maakt het hun erg moeilijk en laat hun dagelijks terug komen,
terwijl er niets gebeurd. Ze krijgen via hun kennis een uitnodigingsbrief
en dan opeens na bijna twee weken dagelijks de ambassade te hebben bezocht
krijgen ze op 17 mei hun visa toegewezen.
Ondertussen zijn we naar een andere camping uitgeweken die Antonio gevonden
had. Hij is veel beter, er is een grasveld en het toiletgebouw is een stuk
schoner. Anne Marie en Antonio zijn ook op de camping komen staan. In de tussentijd
dat zij bezig waren met de aanvraag hebben Coen en ik allerlei klussen gedaan.
Deze klussen kosten op reis altijd meer tijd dan thuis omdat je niet precies
weet waar je moet zijn.
Een van de dingen die we doen is langsgaan bij de Jeepdealer. In Cairo lijkt
iedereen in een Jeep Cherokee te rijden, onze auto valt hier niet meer op.
In Egypte worden de Jeeps ook door het leger gebruikt en we gaan langs bij
het staatsbedrijf, AAV Jeep Vehicles Co., die deze auto's onderhoudt. Het
is eigenlijk een assemblagefabriek waar de Jeeps in onderdelen aankomen en
in elkaar worden gezet.
We laten de keerring van het achter differentieel en een keerring van het
centrale differentieel vervangen omdat ze een klein beetje lekken. Coen helpt
en kijkt of alles wel goed gebeurd. Om bij de keerringen te komen moesten
ze allebei de aandrijfassen demonteren. Per ongeluk lieten ze een naaldlager
op de grond vallen. Ze wilden de kooi met naalden al vervangen voor een nieuwe
maar het type dat wij hebben is versterkt en hebben we speciaal uit Amerika
laten komen. Coen was dus helemaal over de zeik. Van de tweeëndertig
naaldjes miste er één, maar gelukkig werd die terug gevonden.
Ze hebben vier uur met vier man aan de auto gewerkt.
Ook is de olie vervangen van de vooras, achteras, versnellingsbak en tussenbak,
en dit voor maar 135 Euro. Een klant, Ayman Ahmed, die daar toevallig was
heeft Coen de hele tijd bijgestaan. Hij heeft alles voor Coen vertaald in
het Engels omdat de monteurs alleen Arabisch spraken. We zijn altijd erg blij
om leuke, aardige mensen tegen te komen.
Het lijkt wel of we in Cairo wonen
Coen gooit alle jerrycans vol, 100 liter voor 15 Euro. Hij is uren bezig met
het zoeken naar gas voor onze gasfles, want de vulaansluiting hier in Egypte
past niet op onze Zuid-Afrikaanse gastank. Hij laat een nippel draaien voor
1,50 Euro en de campingeigenaar zorgt dat de tank alsnog gevuld wordt.
Ik maak de twee reisverslagen af over Sudan; we branden al onze foto's die
we telkens naar mijn ouders opsturen om ze veilig te stellen; Coen gaat naar
de kapper en knipt mij; we passen de groene kaart van de auto aan omdat we
denken dat we hem al in Tunesië nodig zullen hebben; we besteden anderhalve
dag aan het omwisselen van Egyptisch geld naar Euro's omdat er weer allerlei
rare regeltjes aan verbonden zijn die nergens geschreven staan. Kortom, we
hebben het er maar druk mee.
We hebben allerlei vaste plekken in Cairo waar we thee drinken, eten en onze
boodschappen doen. Het lijkt ondertussen wel of we er wonen. We zijn gewend
geraakt aan de politiemensen die op gepaste tijden hun matje uitrollen en
voor Allah op de knieën gaan. We zijn ook gewend geraakt aan het drukke
verkeer, de koffiehuizen waar de mannen waterpijp zitten te roken, de Carrefour
waar alle gezinnen van de hogere middenklasse boodschappen doen en de kleine
eethuisjes met de vele vliegen.
Muhammed van het internetcafé op Zamalek heeft het er moeilijk mee
dat hij ons niet meer zal zien. We waren er kind aan huis met al onze administratieve
klusjes.
Piramides van Giza en het museum van Cairo
Gelukkig is er ook tijd voor leuke dingen. We bezoeken de piramides van Giza.
We willen graag de Jeep bij de piramides fotograferen en rijden naar de parkeerplaats.
We worden er niet toegelaten maar willen toch met de auto het terrein op.
De politieagent wil ons er niet doorlaten, en heft alweer zijn wijsvinger
op om ons terecht te wijzen.
Een hogere functionaris komt aangelopen en legt in het Engels uit dat je gewoon
vanaf de andere kant het terrein op kan rijden. We kopen kaartjes en daarna
lopen we over het terrein langs de drie piramides en de verschillende graven
die bijna allemaal gesloten zijn. Vervolgens nemen we de auto mee om foto's
te gaan maken. Iz bij de piramide van Cheops, bij de piramide van Chefren,
en bij de piramide van Mykerinos.
Tot twee keer toe bezoeken we het museum van Cairo. De omgeving is afgezet
en wordt bewaakt door zwaar bewapende militairen. In het verleden zijn hier
aanlagen geweest. Een ambulance staat klaar voor het geval het toch mis gaat.
Er zijn massa's toeristen. We kijken onze ogen uit, er is zoveel bewaard gebleven.
Op de bovenverdieping is alles uit het graf van Tut Ankh Amun te bezichtigen
zoals de gouden maskers, sarcofagen, sieraden, stoelen en grafbedden. Daarnaast
zien we het beeldschone onvoltooide stenen hoofd van Nefertiti. We zien honderden
beelden in alle denkbare formaten en materialen.
Verder zien we de kolossen van Amenhotep met zijn langgerekte hoofd en lichaam,
dat peervormig is als dat van een vrouw.
We zien tabletten met spijkerschrift, mummies, sarcofagen en het wereldberoemde
beeld van Mentuhotep II van beschilderd zandsteen en van Rahotep en Nofret
(2575-2551 voor Christus).
Ook zien we de Fayum portretten, die zijn geschilderd ten tijde van de Grieks,
Romeinse en Byzantijnse overheersingen in Egypte.
Ondanks dat we twee keer naar het museum zijn geweest, hebben we nog lang
niet alles gezien.
Zenuwachtig voor wat gaat komen
Op dinsdag 18 mei vertrekken we samen met Antonio en Anne Marie naar de grens
van Libië. We rijden eerst naar de kust en vervolgens westelijk richting
de grens. De hele kustlijn is volgebouwd met vreselijke hotels en bungalowparken,
die zo goed als leeg staan.
Als we gaan tanken slaat de pompbediende met de ijzeren vultuit tegen de auto
waardoor er een stukje lak afspringt. "No problem" zegt hij
tegen ons. Dat maken wij wel uit, maar we laten het er bij zitten.
We rijden verder langs de Middellandse zee, wat op een of andere manier vertrouwd
aanvoelt. We zijn dwars door Afrika gereden, van Kaapstad naar Cairo en het
lijkt in deze Mediterrane omgeving alsof we al bijna thuis zijn, terwijl een
van de moeilijkste grensovergangen nog moet komen.
Laat in de middag vinden we in Marsa Matruh een kampeerplek bij een hotel
aan het strand. We eten wat in de stad en zijn allemaal zenuwachtig voor de
grensovergang, waar we morgen zullen aankomen.
Op weg naar Libië
We vertrekken bijtijds. We nemen de kustweg. De kust is hier prachtig, het
water is azuurblauw en groen. We stoppen om met onze gezichten in de wind
te staan, kijkend naar de zee en naar de overkant die niet te zien is, Europa.
We tanken nog een keer en rijden dan het gebergte in, omhoog naar de grensovergang.
Er is hier in de tweede Wereld Oorlog zwaar gevochten en overal zijn begraafplaatsen
van Europese oorlogsslachtoffers.
We waren bang dat we problemen bij de Egyptische grens zouden krijgen omdat
onze nummerplaten verlengd hadden moeten worden en omdat ons kenteken tot
twee maal toe is opgeschreven toen we ergens keerde waar dat verboden was.
Iedereen had ons gewaarschuwd dat deze dingen bij de grens gecontroleerd werden
en dat je de openstaande boetes moest betalen voordat je het land kon verlaten.
Maar alles verliep vlekkeloos, waarschijnlijk omdat onze dossiers bij de grensovergang
met Jordanië lagen.
Voor we het wisten waren we klaar en reden we het niemandsland in richting
de grenspost van Libië, wat heel anders zou verlopen.
Het zelfde geldt voor alle afbeeldingen en foto's.
Mirjam van Tiel & Coen Barthels © 2004
Klik op het Gastenboek en en mail jouw reactie naar rieky-ad@art3400ad.nl
en zij zetten
het in het gastenboek