|

Weer de woestijn in

Ons politie-escorte in El Kharga

Duiventillen staan
overal in de oasedorpjes

De grond ligt bezaaid
met 2.000 jaar oude potscherven

Het brengt de archeoloog
in Coen naar boven

Het fort van Dabadib

Het moet hier een
prachtige oase geweest zijn

Coen vindt o.a.
mummielinnen en botten

Coen wilde persé eens
de zandplaten uitproberen

We bereiken het asfalt weer

Oude Islamitische graven

El Qasr, een stadje van leem

Boven de deuren staan Arabische teksten

In bad, dat werd tijd

Een militair road-block,
tonnen versperren onze weg

We worden niet meer
door het road-block gelaten

Zandstorm in de Witte Woestijn

De Witte Woestijn lijkt
op een sneeuwlandschap

Gesluierde vrouw uit Bahariya

Coen kan het nooit laten als hij modder ziet

Het brood wordt aangegeven
door een gat in de muur

Coen 40 jaar

Hier mogen jullie niet staan!!

Jij daar, je mag
de politie niet fotograferen

Het verkeer in Cairo is een chaos

Een Willys Jeep 1940,
geparkeerd vlak bij de ambassade

Houd je neus maar dicht!

Bitterballen
en andere lekkernijen

De Nederlandse ambassadeur
en zijn vrouw, Sjoerd en Inge Leenstra
www.hollandemb.org.eg

Djoser

Afbeeldingen van Nubiërs

Tanja en Achim, www.unicat.net

Internetcafé, Muhammed Fathy
en Mirjam aan het werk

De ultieme 4x4 camper,
een Hummer met opbouw

Uitzicht op Cairo
vanaf de brug op de ringweg

Deze camping is veel beter,
waypoint: N 29'57.808' - E 031'09.551'

We gaan naar Libië!

Iz zoekt het hogerop

Met zijn vieren zijn ze vier uur bezig

Coen wordt geknipt en... 
Mirjam is net geknipt

Onze Jeep bij de piramide

Een sarcofaag van Tut Ankh Amun

We zijn dwars door Afrika gereden!
|
REISVERSLAG 17 (Egypte, deel 2)
Geschreven door: Mirjam, 17 - 21 juni 2004
We komen uit Angola!
We zijn het moeilijke road-block bij de brug in Luxor doorgekomen
en rijden de woestijn in. Het is heerlijk om de uitgestrektheid
van de woestijn om je heen te ervaren. Coen wil graag een 'bushcamp'
maken maar we kunnen niet echt een geschikte plek vinden. Ik
vind het ook best om naar het eerste oase-dorp te rijden. Coen ziet
al weer op tegen de bemoeizucht van de Egyptenaren dus we rijden
op twee plekken de woestijn in maar het lukt niet om de auto uit
het zicht van de weg te zetten. We willen niet heel diep de woestijn
in rijden omdat het nogal ongelijk terrein is wat er voor zorgt
dat we maar heel langzaam vooruit komen. We besluiten toch maar
door te rijden naar het dorp.
Midden in de woestijn bevindt zich een road-block. Er staan
drie olievaten midden op de weg. Naast de weg staat een klein gebouwtje
waar vier zwaar bewapende jonge militairen uitkomen. Ik vind het
eng. Ze vragen waar we vandaan komen en waar we naar toe gaan: wer
yu vrom? what'ss yourr nationality? where yu go? Op een briefje
hebben we de naam van een hotel geschreven in Baris, het eerste
dorpje in de Kharga-oase. Ze noteren onze paspoortnummers en nemen
het blaadje mee. Ze gaan bellen. We zien nog een oudere man in burger
bij het gebouwtje rondlopen. Dat stelt me gerust. Ik vind het maar
niets van die jonge jongens met die geavanceerde wapens. We wachten
zenuwachtig af of we doorgelaten worden. Na ongeveer vijftien minuten
kregen we goedkeuring om door te rijden. Nog geen honderd kilometer
verder staan er weer olievaten op de weg, het volgende road-block.
Politieagenten stoppen de auto en stellen hun vragen: wer yu
vrom? what'ss yourr nationality?, wer yu go? Na vijf minuten
worden we doorgelaten.
Twintig meter verderop is de kruising, een kant is richting Baris
en de andere kant richting het noorden. Op drie punten zijn road-blocks.
We stoppen voor het eerste road-block. De politieagenten
van alle drie de road-blocks komen aangelopen. Wer yu
vrom? What'ss yourr nationality. Wer yu go?, klinkt het aan
beide kanten van onze raampjes. We antwoorden, maar een van hen
blijft vlijtig zijn vragen stellen: what'ss yourr nationality?
where are we? Waar zijn we? Hij had blijkbaar niet goed geoefend.
Wij antwoorden dat we ook niet weten waar we zijn en dat hij dat
vast beter zal weten. Hij kijkt ons niet-begrijpend aan en gaat
door met zijn vragen stellen. Wij kunnen deze mensen toch niet serieus
nemen? We worden na tien minuten doorgelaten en rijden het dorp
in om wat te drinken te kopen.
Midden op de dorpsstraat staat een grote politieagent die ons aanhoudt.
Wer yu vrom? What'ss yourr nationality. Wer yu go? Ja, donder
op man. We komen uit Angola en gaan wat te drinken kopen. Tevreden?
Wat heb jij daar mee te maken?
We kamperen naast een hotel. De eigenaar, Abbas Wahba, is de tweede
(Rajeb van het Habu Hotel was de eerste) aardige Egyptenaar die
we tegen komen. Aan de voorkant van het terrein komen drie mannen
zitten, één van hen is er nog als we gaan slapen.
's Nachts gaat het alarm van de auto af. 's Morgens is de man er
nog steeds, waarschijnlijk heeft hij de afgelopen nacht in de auto
gekeken en is het alarm daardoor afgegaan. Hij staat naast de auto
als ik uit de daktent kom. Ik negeer hem maar hij loopt achter me
aan. Ik ben van de politie zegt hij tegen me en stelt zijn vragen:
wer yu vrom? Wer yu go? Ik kom net uit mijn bed dus val me
niet lastig! Het stormt en het zand waait in ons ontbijt. De politieagent
moet toch echt een antwoord hebben dus hij komt nogmaals naar ons
toe om zijn vragen te stellen. Wij geven hem antwoord en hij is
tevreden.
We rijden het dorp uit en komen weer bij de road-blocks op
de kruising. Dit keer gaat het makkelijker, binnen een paar minuten
zijn we erdoor. Na zeventig kilometer komen we in El-Kharga, een
plaatsje waar allerlei oudheidkundige sites te zien zijn.
Het ligt op een kruising, één weg leidt naar Asyut
dat aan de Nijl ligt en de ander weg is het vervolg van de oase-route.
Aan het begin van het dorp staat een road-block. We hebben
afgesproken dat we zo weinig mogelijk informatie geven dus als ze
ons vragen waar we heen gaan, zeggen we dat we gaan tanken. We worden
doorgelaten. Vijf minuten later rijdt er een auto achter ons aan
met vijf zwaar bewapende politieagenten. Volgen ze ons? Als we stoppen
om de weg te zoeken komen ze naast ons staan? Bensien, yu need
bensien? Ja, maar wat heb jij daar mee te maken? Deze mensen
zullen nooit iets uitleggen ze voeren enkel hun taak uit.
We moeten er zelf achter komen wat er aan de hand is en waarom ze
ons volgen. Al snel komen we erachter dat ze ons niet alleen zullen
laten zolang we in El Kharga zijn.
We laten ze voorop rijden. Het is vrijdag dus niet alle benzinestations
zijn open. Ze rijden ons naar een klein benzine station, maar Coen
vindt het niet goed. Ze hebben hier twee soorten benzine, 80 en
90. Het octaangehalte van tachtig is te laag voor onze Jeep. Ze
rijden ons naar een volgend benzinestation, pas bij het vierde benzinestation
hebben ze 90 en gaan we tanken.
Wij willen niet richting Asyut
De politieagenten vragen waar we nu naar toe gaan, wij antwoorden
dat we falaffel gaan eten. Ze rijden ons naar een pleintje met een
aantal restaurantjes. Coen koopt een halve gebraden kip en ik falaffel.
Ook doen we inkopen voor de aankomende dagen. De politieagenten
willen weten of we in El Kharga blijven of dat we weggaan, en als
we weggaan waar we dan naar toe gaan.
We besluiten hier verder niks te gaan bezoeken omdat het zou inhouden
dat we de hele dag met hun opgescheept zouden zitten. Ik laat ze
op onze Michelin-kaart zien dat we via de oase-route naar Cairo
zullen rijden. Oké, jullie gaan naar Cairo. Gaan jullie nu
naar Cairo? Ze zijn helemaal blij dat ze weten waar ze aan toe zijn.
Ze rijden voorop. Als we bij de splitsing aankomen rijden ze richting
Asyut. Dat is niet de bedoeling. Wij willen niet naar de Nijl waar
je niet meer van de politie-escortes afkomt, wij nemen de oase-route.
Zij rijden rechtdoor en wij slaan linksaf. Meteen is iedereen in
paniek. De politieauto claxonneert en de politieagenten van het
road-block op de splitsing gebaren naar ons dat we moeten
stoppen. We stoppen en de politieauto rijdt naar ons toe. Ik zeg
boos dat ik hem net nog op de kaart heb laten zien hoe we zouden
reizen. Waarom leiden jullie ons dan naar Asyut?
We waren even bang dat ze ons niet over de oase-route verder zouden
laten reizen maar ze hadden ons blijkbaar verkeerd begrepen. Wij
wachten het antwoord niet af en rijden langzaam verder, de politieauto
volgt ons. We komen bij het raod-block dat aan het eind van het
dorp staat. Als ze ons maar doorlaten. Na vijf minuten zijn we erdoor
en de politieauto stopt precies op de grens van het dorp.
Een oude oase-stad: Dabadib
We hebben een waypoint van Dabadib, overblijfselen van een fort
en een stadje midden in de woestijn, daterend uit het begin van
de jaartelling. Niet ver buiten El-Kharga rijden we de woestijn
in. We lunchen bij een zandduin. We rijden verder, het landschap
is adembenemend mooi, op sommige plekken surrealistisch.
Aan het eind van de middag komen we bij het fort aan. Lemen gebouwen
die half zijn ingestort, huizen en pottenbakkersovens. Het ligt
vol met potscherven. Het is fascinerend. We zitten in het midden
van een prachtige woestijn bij dit ooit welvarende oase-stadje.
Er is niemand in de weide omgeving te bekennen. Wij zijn alleen
in dit verlaten stadje. Ooit was hier veel water, waarschijnlijk
zelfs watervallen. Nu is daar bijna niets meer van over, er is net
genoeg water voor wat palmen en wat struiken. Na een prachtige zonsondergang
gaan we eten en dan naar bed. Veel slapen komt er niet van, het
stormt.
Stormen in de woestijn zijn niet fijn, de tent klappert wild heen
en weer. Het stadje brengt de archeoloog in Coen naar boven. Hij
wil een potje opgraven wat nog intact is. Met schep en vegertje
trekt hij er op uit. Het is bijzonder om hier rond te lopen, toen
er nog volop water aanwezig was moet het hier fantastisch geweest
zijn. De afbakeningen van de stukken grond die ooit bewerkt werden
zie je nog liggen. Coen kruipt overal in en onder. Het enige vervelende
zijn de vliegen. Er is ook een kerk waar we Griekse, Koptisch en
Arabische graffiti vinden en stukken beschilderd pleisterwerk. We
verplaatsen ons kamp van het fort naar het dorpsgedeelte waar we
beschut tussen de bomen kunnen staan. We zijn aan het eten als de
duisternis in valt.
Als twee grote lichtgevende ogen ons aanstaren ronden we onze maaltijd
vlug af en gaan de daktent in. We willen het beest graag zien maar
het is zo donker dat we hem nooit zouden zien aankomen. We vinden
het prettiger om boven in onze tent te zitten. Er is geen wind en
we genieten van de doodse stilte van de woestijn.
We vinden twee oude graven
's Morgens zien we de pootafdrukken van het beest dat ons de nacht
ervoor gade heeft geslagen, op tien meter afstand heeft het rond
ons kamp gelopen. We pakken alles in en rijden nog wat verder de
woestijn in richting het escarpement. Coen heeft geen compleet
potje gevonden, wel nemen we een aantal potscherven mee.
Een stuk verderop ligt nog een fort. We kijken er rond en rijden
dan verder naar het escarpement waar we graven ontdekken,
maar ze zijn leeg. We steken de oude wadi over. Om ons heen
zijn bergen die zijn opgebouwd uit lagen gekleurd zand. De kleuren
wisselen elkaar af en maken prachtige patronen. Als je er een stukje
van afbreekt, verpulvert het onder je handen.
We beklimmen de bergwand en vinden twee oude graven. Aan de buitenkant
zijn er nummers op geschilderd wat betekent dat ze al ontdekt zijn,
maar nog niet verder uitgegraven. Coen wil gaan graven, ik vind
het maar niks. Hij mag het van mij als hij alles maar weer terug
legt. De graven zijn dan misschien wel 2000 jaar oud maar een mensengraf
is toch eigenlijk heilig, daar kom je niet aan. Ook al zijn in heel
Egypte de graven geschonden en hebben we net nog alle graven bezocht
van de koningen en koninginnen uit de faraonische tijd. Coen vindt
overblijfselen van een gevlochten mand, stukken hout van een kist,
mummielinnen en botten. Als we er een foto van hebben gemaakt bedekt
hij alles weer met zand. We lopen naar de auto en genieten van de
intense stilte van de woestijn.
Zandduinen
We rijden weer in de richting van de asfaltweg. We rijden op de
GPS en volgen gedeeltelijk oude autosporen in het zand. Opeens zitten
we midden tussen tientallen meters hoge zandduinen. We kijken om
ons heen en rijden daardoor te zacht tussen twee zandduinen door
en komen vast te zitten. We zakken diep in het zand.
In Nairobi heeft Coen zandplaten gekocht die we nog nooit gebruikt
hebben. Hij wil ze graag een keer uitproberen terwijl je ze toch
eigenlijk niet nodig hebt als je maar weet wat je moet doen in zand.
In Zuid-Afrika zeggen ze dat zandplaten voor watjes zijn, maar Coen
vindt het wel stoer.
Ook hadden we geen zin om de banden verder te laten leeglopen. Als
je dat doet kun je de auto er zo in zijn lage gearing uitrijden
maar dan moeten we ze ook weer oppompen. Dus wij aan de slag met
de zandplaten, van het dak halen, onder de achterbanden steken en
voorzichtig gas geven. De zandplaten kwamen omhoog tegen de bumper
aan (een nadeel van zandplaten) maar nadat we ze er opnieuw onder
gestoken hadden reden we de Jeep los. Nu kwam het aan op momentum
maken. We namen een aanloopje en in volle vaart reden we tussen
de zandduinen door. Geen probleem! We volgen een oud bandenspoor
dat stopt voor een enorme zandduin. We gaan eerst maar even de boel
verkennen want de zandduin is niet alleen hoog maar ook lang. Ik
loop erop en tot mijn verbazing is het zand knuppelhard, tot boven
aan toe. Ik loop vooruit en Coen rijdt achter me aan.
Zand in de zon is namelijk zeer verraderlijk. Je kunt geen diepte
zien, alleen als je vlak bij bent zie je of iets lichtelijk afloopt
of steil naar beneden gaat. De zijkant van de zandduin loopt steil
naar beneden maar aan de andere kant loopt hij geleidelijk af.
We vinden het allebei heerlijk om door de woestijn te rijden.
Vliegen en prijzen van eten
Voldaan bereiken we aan het eind van de dag het asfalt en rijden
naar Mut, de hoofdstad van de Dakhla-oase. We gaan nog op zoek naar
rotstekeningen die daar ergens in de buurt moeten zijn maar kunnen
ze niet vinden. We eten falaffel in een plaatselijk restaurantje.
Naast ons zit er een vrouw met haar kind te eten. Haar zoontje en
het eten zitten onder de vliegen maar hij en zijn moeder schijnen
zich daar niet om te bekommeren. Wij wapperen boven onze broodjes
om de vliegen te verjagen. Wij vinden de vliegen onhygiënisch
maar volgens ons hebben ze hier nog nooit van dat begrip gehoord.
Overal staat het eten onbedekt te wachten op de klanten, ondertussen
zit het vol met vliegen.
We kamperen bij bedoeïenkamp, waar we ontvangen worden door
de gastvrije aardige eigenaar. 's Morgens ontbijten we in het dorp
maar we zijn zo stom geweest om van tevoren niet over de prijs te
onderhandelen. De rekening vinden we te duur. Gisteren aten we falaffel
voor veel minder geld en de halve kip die Coen had, kost ook opeens
het dubbele van de prijs in El Kharga. We betalen wat wij denken
dat een redelijke prijs is. Ze reageren verontwaardigd, maar dat
is hun techniek.
Het is wel lastig als prijzen niet vastliggen. Wie weet kost een
kip hier meer dan in El Kharga, maar je kunt het de mensen niet
vragen omdat je geen oprecht antwoord zult krijgen. De meeste verkopers
proberen je te belazeren een enkeling hanteert vaste prijzen. We
willen iemand ook niet onterecht behandelen maar we willen ook niet
afgezet worden.
We gaan groente kopen en vragen naar de prijzen bij een van de stalletjes.
Hij noemt belachelijke bedragen en wij lopen meteen weer weg. Bij
een stalletje aan de overkant vragen we hoeveel tomaten kosten en
deze man noemt de gangbare prijs. Hier slaan we ons groente en fruit
in.
El Qasr
We maken een rondje in de Dakhla-oase langs de bezienswaardigheden.
We rijden door dorpjes en langs oude Islamitische graven. Ook zien
we faraonische graven en bezoeken we een Romeinse zandstenen tempel.
In Sudan en Egypte zie je veel oude (en nieuwe) graffiti. Bij de
tempel is Koptische graffiti te zien en de namen van negentiende-eeuwse
reizigers zijn in een zuil uitgebeiteld: 1819, Edmondstone; 1874,
de expeditie van Rohlfs;1899 W. Kumm en van Cailliaud.
Als laatste bezoeken we het lemen stadje El Qasr. We lopen door
de overdekte steegjes en zien prachtige oude houten Islamitische
deuren met Arabische teksten erboven, moskeeën en een oude
school. Kinderen lopen met ons mee. Een jongetje wordt door zijn
moeder naar ons toe geduwd en vraagt ons om bakshies.
Aan het eind van de dag gaan we terug naar bedoeïenkamp waar
we de nacht doorbrengen.
Een bekend busje
Van Mut rijden we over 300 km asfalt door de woestijn naar Farafra.
Er stak een zandstorm op en we zagen weinig van de omgeving.
Bij een road-block werden we aangehouden door ruig uitziende
mannen maar we kwamen er zonder problemen doorheen. Op het punt
waar de weg een scherpe bocht maakte bevond zich weer een road-block.
Het werd bemand door een jonge jongen die geen enkel woord Engels
sprak. Hij zag er aardig en onbeholpen uit. Jongens moeten in Egypte
vier jaar in dienst en volgens ons worden ze op al deze checkpoints
gedumpt.
De zandstorm houdt aan. In Farafra werden we aangehouden door vijf
politieagenten. De gebruikelijke vragen werden weer gesteld. Ze
willen altijd weten waar je de nacht doorbrengt als je in hun dorp
bent, omdat ze vanaf het moment dat je het dorp inrijdt totdat je
het dorp weer verlaat verantwoordelijk voor je zijn.
Wij willen in de woestijn kamperen bij een bron waarvan we het waypoint
hebben maar zijn bang dat ze het ons niet toestaan. Ze doen nogal
moeilijk maar gelukkig komt een man die goed Engels spreekt ons
helpen en overtuigt de politie dat het goed is als we bij de bron
kamperen.
We rijden naar de bron toe en zien daar een bekend busje staan.
Het busje van Anne Marie en Antonio. We toeteren luid en even later
liggen we alle vier in het naar ijzer ruikende water van de warmwaterbron.
's Nachts wordt ik wakker van een auto die met grootlicht op onze
auto's schijnt en mannen die om de auto's heenlopen. 's Morgens
komt dezelfde auto aanrijden, het is de politie die ons komt controleren.
Ze willen weten wanneer we weer weggaan.
Zandstorm ontneemt ons het zicht
We besluiten gezamenlijk naar de Witte Woestijn te gaan. We proberen
te tanken maar er is alleen benzine met het octaangehalte 80 in
het dorp te krijgen. We rijden het dorp uit en moeten stoppen voor
een road-block. We vragen de politieagenten of zij weten
waar we benzine met een octaangehalte van 90 in plaats van 80 kunnen
krijgen. Zij spreken geen Engels en we schrijven de getallen 80
en 90 in het Arabisch op en wijzen op de benzinetank. Pas in de
volgende oase kunnen we weer 90 tanken volgens de agenten.
De zandstorm is weer komen opzetten en we kunnen niet meer dan honderd
meter voor ons uit kijken. We willen van de weg af de witte woestijn
in. Anne Marie en Antonio zijn er al eens geweest en proberen de
plek te vinden waar ze er destijds in zijn gegaan, maar kunnen het
niet vinden. Door de zandstorm kunnen we niet goed zien waar we
de weg af kunnen. Anne Marie en Antonio denken toch dat ze vorige
keer via de andere asfaltweg de woestijn in zijn gereden. Om op
die weg te kunnen komen moeten we weer langs dezelfde politiepost.
We rijden er heen maar ze laten ons niet door. De bekende wijsvinger
wordt opgeheven en flink heen en weer gezwaaid.
Van jong tot oud bemoeien de Egyptenaren zich overal mee. Ze vinden
al snel dat iets niet mag. Als we bijvoorbeeld ergens willen parkeren
komt er altijd wel iemand met opgeheven wijsvinger die heen en weer
wordt gezwaaid. Nee, hier mag je niet staan. Het blijkt altijd een
zelf verzonnen regel te zijn. Wij hebben althans nooit een bord
of iets kunnen vinden dat hetzelfde beweerde.
Maar goed, we komen met geen mogelijkheid meer door het road-block.
We zouden ook makkelijk door de woestijn naar de andere asfaltweg
kunnen rijden ware het niet dat de zandstorm ons elk zicht ontneemt
en dat het geen doen is om een doorgang te zoeken.
Een oeroude zeebodem
We besluiten aan de andere kant van de weg de woestijn in te gaan
want daar is hij egaler. We rijden er in en komen langs allerlei
vreemd gevormde witte kalkrotsen. We zoeken een plekje om te overnachten
en gaan wat lezen in de auto totdat de zandstorm is gaan liggen.
Aan het eind van de dag maken Coen en ik een wandeling door dit
vreemd aandoende witte landschap. De witte kalk in de woestijn lijkt
op sneeuw. We zien twee Land Cruisers rijden, het zijn toeristen
die door gidsen worden rondgereden.
's Morgens zien we de sporen van het vosje dat we 's nachts hoorde
blaffen. Ook zien we sporen van muizen in het zand. Dat is het mooie
van zand, je ziet 's morgens precies wie er 's nachts is langsgekomen.
De zandstorm is gaan liggen en we rijden aan de andere kant van
de weg de woestijn in. We rijden door diepzand en over harde stukken,
langs monolieten en langs het escarpement. We stoppen als
we overal op de grond kleine kwarts kristallen zien liggen. We zoeken
alle vier naar mooie kristalen en andere stenen en fossielen. Overal
ligt versteend koraal. We blijken ons op een oeroude zeebodem te
bevinden. We verzamelen een zak vol met fossielen en stenen.
De wind is weer opgestoken, maar het wordt gelukkig geen storm.
We rijden verder de woestijn in tot we een plekje vinden om te kamperen.
Antonio, Coen en ik beklimmen een berg en zien onze auto als een
klein stipje in de uitgestrektheid van de woestijn staan.
's Nacht is de wind weer gaan liggen en luisteren we naar de stilte
van de woestijn terwijl we omhoog kijken naar de maan en de sterrenhemel.
Gesluierde vrouwen en gouden mummies
We rijden terug naar de asfaltweg en vervolgen onze route naar het
noorden. Anne Marie weet dat er gouden mummies zijn gevonden in
Bahariya en we gaan op zoek naar de plek waar ze moeten zijn. De
bewakers zeggen dat de sleutel zich in het museum bevindt, maar
het museum is vandaag gesloten omdat het vrijdag is. We gaan het
morgen weer proberen.
We rijden door het dorp waar de meeste vrouwen gesluierd zijn. Alleen
hun ogen zijn te zien, soms zijn zelfs hun handen bedekt door handschoenen.
We lunchen bij een restaurantje waar toeristen zitten. Bahariya
ligt niet ver vanaf Cairo en toeristen worden door gidsen in 4x4's
rondgereden in dit oase-stadje en door de witte woestijn. We lopen
door het dorp en doen wat inkopen.
Coen wil notenstaafjes kopen. De jongen vraagt voor vier losse staafjes
1 pond. Coen wil een pak kopen. Daar vraagt de jongen 5 pond voor.
Er zitten duidelijk 14 staafjes in het pak dus het is vreemd dat
het 5 in plaats van 3,5 pond kost. Wij leggen het aan hem voor maar
hij kijkt ons verbaast aan. Coen probeert het nog eens en legt uit
dat hij dan beter 3,5 maal 4 losse staafjes kan kopen. Hij blijft
zeggen dat het pak 5 pond kost. Dit is typisch zoiets wat we alleen
in Egypte zijn tegen gekomen.
We gaan naar de warmwaterbron om ons te wassen en natuurlijk komen
er Egypenaren kijken. Het duurt even voordat ze hun interesse verliezen
en we ons kunnen wassen. We rijden het dorp uit langs het road-block
de woestijn weer in. Hoe meer we richting Cairo komen hoe makkelijker
de road-blocks worden. We vinden een mooie kampeerplek bij een prachtige
zandduin. Antoinio maakt een kampvuur en Coen zet een muziekje op.
Er is niets mooiers dan overnachten in de woestijn.
Coen wordt morgen 40!
We rijden naar het museum terug om te vragen of we de sleutel voor
de gouden mummies kunnen krijgen. Het kan niet. We laten het er
niet zomaar bij zitten en gaan op zoek naar de grote baas. Als we
die vinden, vertelt hij ons dat men bezig is met de mummies en dat
we de vindplaats op het moment niet kunnen bezoeken.
Voordat we naar Cairo vertrekken kopen we brood uit een gat in de
muur en bezoeken we nogmaals de warmwaterbron. Het water is zacht
en ruikt hier niet naar ijzer.
We willen niet aan het eind van de dag Cairo binnen rijden en zoeken
een plaatsje in de woestijn om te overnachten. Er zijn hier overal
olieraffinaderijen en het duurt even voordat we een geschikte plek
gevonden hebben.
Ik versier de daktent met slingers en ballonnen. Coen wordt morgen
40!
De Piramides en de Sfinx
Ik heb nergens een cadeau voor Coen kunnen kopen maar ik maak een
ontbijt voor hem en zing hem toe. Anne Marie heeft een pakket met
lekkernijen voor Coen samengesteld van chocola en cola. Coen is
gelukkig. Ook al omdat hij zijn verjaardag in de woestijn viert
en straks de piramides zal zien.
We vertrekken, Coen rijdt altijd in de steden en ik navigeer. Cairo
is een stad van 18 miljoen mensen en is berucht om het gestoorde
rijgedrag. Dat is te veel stress voor mij. Laat het navigeren maar
aan mij over, ik weet ons altijd overal naartoe te leiden.
We rijden als eerste naar de piramides, eerst naar de achterkant,
waar het ticketoffice is en daarna naar de voorkant waar zich de
Sfinx bevindt.
Overal worden we ontvangen met de opgeheven wijsvinger die heen
en weer wordt bewogen en aangeeft dat we iets doen dat niet mag.
We laten ons er niet door afleiden. Kleine jongetjes proberen de
toeristen op deze manier wijs te maken dat het verboden is om de
site van de piramides lopend te betreden en dat ze toch echt
bij hun een ezel of kameel moeten huren.
We eten wat in de Pizzahut met uitzicht op de Sfinx. Er zijn hier
weer veel toeristen. Daarna gaan we op zoek naar de enige camping
die Cairo rijk is en dat is niet eenvoudig, maar we vinden hem.
Anne Marie en Antonio gaan logeren bij een vriendin van Anne Marie
die getrouwd is met een Egyptenaar en al twintig jaar in Egypte
woont. Ze wijzen ons nog even de weg naar de Carrefour, een enorme
supermarkt, voordat zich onze wegen weer scheiden. We willen beide
proberen visa voor Libië te krijgen en spreken af elkaar hierover
op de hoogte te houden.
Het verkeer in Cairo
Onderweg zijn in Cairo is een hel. Het verkeer is een grote chaos.
Mensen rijden hard. Ze halen je zowel links als rechts in; ze schieten
voor je langs; ze snijden je af; ezelkarren steken over of rijden
aan de rechterkant waardoor iedereen op zijn rem moet gaan staan;
auto's rijden achteruit, zelfs op de ringweg; auto's rijden tegen
het verkeer in, spookrijden is hier de normaalste zaak van de wereld;
taxibusjes stoppen op de ringweg om passagiers in en uit te laten
stappen; mensen parkeren hun auto op de ringweg en stappen uit zonder
te kijken terwijl het verkeer voorbij raast met 120 km per uur;
mannen zitten op de ringweg naast hun vrachtwagen een wiel te verwisselen
met hun rug naar het verkeer toe; van tweebaanswegen maken ze driebaanswegen,
er past altijd nog wel een auto tussen; auto's keren op de ringweg
over de middenberm heen en rijden zonder uit te kijken jouw helft
op en uiteraard rijdt het overgrote deel 's avonds zonder licht
zoals te doen gebruikelijk in Egypte. We zijn voortdurend op onze
hoede, je kunt geen moment je aandacht laten verslappen.
De meeste mensen rijden hier met gloednieuwe auto's, maar zelfs
de auto's die nog geen jaar oud zijn zitten al onder de deuken.
Wij hopen Cairo te kunnen verlaten zonder schade. Coen rijdt geweldig
en weet steeds precies het juiste te doen, maar ik krijg pijn in
mijn nek omdat ik als reflex telkens wegduik.
1000 Euro voor vier dagen Libië
Op 26 april rijden we naar Zamalek, een van de twee eilanden in
het centrum van de stad, een soort klein Manhatten, waar zich de
ambassade van Libië bevindt. We vragen aan de man achter de
balie of we een visum kunnen krijgen. Hij vertelt ons dat het minimaal
een maand duurt als we het via Tripoli aanvragen, maar we kunnen
ook alles regelen via een touroperator. Zij sturen dan een uitnodigingsbrief
naar de ambassade en regelen een gids. Vervolgens krijg je waarschijnlijk
je visum. Wat nu als we geen gids willen? Dan gaat het via Tripoli
en moet je minimaal een maand wachten op antwoord en de kans zit
er in dat het verzoek wordt afgewezen. Hij verwijst ons naar e-mailadressen
van touroperators die op een bord hangen.
We komen een Deens stel tegen dat tijdelijk in Cairo woont. Ze willen
op vakantie naar Libië maar zitten ook in hun maag met het
verhaal over de touroperators. Het gaat ons heel veel geld kosten
als we het via een touroperator gaan regelen en je zit met een gids
opgescheept.
We gaan naar een internetcafé en schrijven een brief in het
Engels voor de touroperators met als vraag of ze voor ons een offerte
kunnen opstellen. We weten niet zeker of ze Engels spreken dus beginnen
we aan een vertaling in het Frans. Dat is te moeilijk en we roepen
de hulp in van de jongen van het internetcafé. Hij is enorm
behulpzaam. Uiteindelijk vertaald een man uit Kongo (DRC) voor ons
de brief in het Frans. Ze willen geen vergoeding voor hun hulp.
Eindelijk ontmoeten we weer eens leuke mensen. Het internetcafé
zit er vol mee, allemaal leuke aardige Egyptische studenten. Het
is heerlijk om eens niet op je hoede te hoeven zijn.
We vinden een website waar we de prijzen voor de uitnodigingsbrief
en de gids vinden, het houdt in dat we 1000 Euro kwijt zullen zijn
als we in vier dagen door Libië willen reizen. We sturen de
brief aan een paar touroperators en wachten hun antwoord af.
Stinkende afval en Koptische architectuur
We rijden terug naar de camping. Voor de camping bevindt zich een
kanaal wat vol ligt met afval en het stinkt héél erg.
Overal in Afrika ligt afval, dat was in de rest van Egypte niet
anders, maar in de miljoenenstad Cairo zijn plekken die je voorstellingsvermogen
te boven gaan.
Veel kanalen liggen vol met afval en het schijnt dat de mensen tussen
het afval in de was in dit water doen. Een broedplaats voor de vele
muskieten die de camping erg onaangenaam maken en overdag stikt
het er van de vliegen.
Bij het kanaal ontmoeten we Nederlanders. Zij (een Nederlands-Frans
stel) wonen naast de camping en nodigen ons uit voor een drankje.
Ze wonen in een prachtig huis dat van een Koptische architect is.
Meteen toen ze het zagen waren ze er verliefd op. Coen en mij overkomt
hetzelfde.
Prachtige koepels en gewelfde bogen met lichtgaten in het plafond
waar verschillende kleuren glas in zitten. Het enige nadeel is het
kanaal voor de deur en de honderden muskieten. Het is erg gezellig
en heerlijk om even in zo'n mooie omgeving te zijn.
Jordanië, Syrië of Libië?
Voor dat we gaan douchen spuiten we met insectenspray in de doucheruimte.
Honderden muggenlijkjes liggen op de grond, maar wij kunnen veilig
douchen.
Ik schrijf aan het reisverslag van Sudan en Coen doet andere klusjes.
's Middags checken we onze mail maar we hebben nog geen antwoord
van de touroperators uit Libië. We weten ook niet wat we moeten
doen. Vinden we het reizen door Libië zo belangrijk dat we
er 1000 Euro voor over hebben? We kunnen het niet beslissen en besluiten
om ook maar vast te gaan informeren naar de visa voor Jordanië
en Syrië.
Eerst gaan we langs bij de Libische ambassade op Zamalek om nog
meer e-mailadressen op te halen. We gaan naar het internetcafé
en mailen nog 15 verschillende touroperators in Libië. Zeven
er van komen meteen terug, ze bestaan niet meer. We hebben nog steeds
geen antwoord van de al eerder aangeschreven touroperators.
We gaan bij de Jordaanse ambassade langs en worden er hartelijk
ontvangen, een visum voor Jordanië is geen probleem. Het kost
135 Pond p.p.. We bezoeken de Syrische ambassade waar we minder
vriendelijk worden ontvangen. Als we 235,- Pond p.p. betalen en
er rekening mee houden dat de ambassade op zondag gesloten is omdat
het de sterfdag van Mohammed is, is het echter ook geen probleem.
We zitten er mee in onze maag. We willen het liefs door Libië
zodat we onze reis door Afrika op een mooie manier kunnen afronden
maar we hebben geen zin om mee te doen aan het belachelijke systeem
van gidsen. Je moet een plaatselijke gids 1000 Euro betalen voor
vier dagen begeleiding, terwijl deze mensen vaak niet eens Engels
of Frans spreken en niet op de hoogte zijn van de achtergronden
bij de bezienswaardigheden.
Koninginnedag in de tuin van de ambassadeur
We vinden een briefje van Anne Marie en Antonio achter de ruitenwisser.
Ze laten ons weten dat het Koninginnedagfeestje op de ambassade
is verplaatst van 30 april naar 28 april. Het is vandaag 28 april.
De vriendin bij wie ze logeren werkt op de ambassade.
Om zeven uur 's avonds parkeren we onze Jeep voor het huis van de
ambassadeur en zijn vrouw en mengen we ons tussen de expats die
zich in de tuin van het prachtige huis bevinden.
We lopen bijna voorbij aan de ambassadeur en zijn vrouw. We schudden
hen de hand en geven ons kaartje waarop onze website staat vermeld.
Het bedienend personeel gaat gekleed in het oranje en er wordt rondgegaan
met de heerlijkste hapjes waaronder natuurlijk de oer-Nederlandse
haring.
We begroeten uitgelaten Anne Marie en Antonio en vergapen ons aan
de luxe. We voelen ons zwervers die opeens in een paradijs terecht
zijn gekomen. We laten geen beurt voorbij gaan als de lekkere hapjes
voorbij komen en nippen aan onze wijn en vers geperst vruchtensap
(het mango- en aardbeiensap spannen de kroon).
De ambassadeur houdt een toespraak en vertelt dat hij na vier jaar
Egypte zijn taak over twee weken zal overdragen aan de nieuwe ambassadeur.
Hij en zijn vrouw zullen vertrekken naar Marokko, voor zijn nieuwe
post.
Een koor zingt het Wilhelmus en wij neuriën (bij gebrek aan
kennis van de tekst) vrolijk mee. We maken een praatje met de ambassadeur
en zijn vrouw over reizen, én over het reizen in Egypte in
het bijzonder.
Het ziet er hoopgevend uit
De volgende dag zit ik weer achter de laptop terwijl Coen andere
klusjes doet. 's Middags komen Anne Marie en Antonio op de camping
langs. Zij hebben van de Italiaanse ambassadeur (Antonio is Italiaans
en Anne Marie bezit zowel een Nederlands als een Italiaans paspoort)
een aanbevelingsbrief gekregen die bestemd is voor de Libische ambassade.
Ze waren er net mee naar de Libische ambassade geweest en er was
hun beloofd dat de ambassadeur er naar zou kijken en dat ze na het
weekend konden langskomen. Dit zag er hoopgevend uit en het leek
ons ook een goed idee om bij de Nederlandse ambassade langs te gaan
voor met zo'n brief.
Niet om aan te horen
Op vrijdag (30 april) zijn alle ambassades dicht maar we gebruiken
de dag om onze paspoorten in het Arabisch te laten vertalen, wat
nodig is voor een Libisch visum. We doen het bij het internetcafé
op Zamalek. Er zit daar een aardige jongen die goed Engels spreekt.
Muhammed heeft het druk maar wil ons graag helpen. Ik zit samen
met hem achter zijn bureau en leg hem uit wat we willen en laat
hem zien wat precies vertaald moet worden. Hij typt onze gegevens
in de computer in het Arabisch in.
Na anderhalf uur hebben we onze vertalingen. Het bedrag dat we hem
voor zijn diensten willen betalen vindt hij veel te hoog en hij
vertelt ons wat we hem wel mogen betalen. Het is heerlijk om weer
zo oprecht behandeld te worden en daarnaast hebben we ook lol met
hem.
Op de camping begeven we ons weer tussen de vliegen en muggen. Het
gejammer uit de moskeeën kunnen we niet erg waarderen. Het
begint om vijf uur, het herhaalt zich overdag een aantal keer, en
's avonds moeten we er weer naar luisteren. Als het nu mooie gezangen
waren maar het is werkelijk niet om aan te horen.
Sakkara
Omdat het in Cairo een lang weekend is in verband met de "hemelvaart"
van Mohammed kunnen we toch niets doen aan onze visa en rijden we
naar Sakkara. Deze uitgestrekte begraafplaats van Memphis heet naar
de God van de begraafplaatsen (Sokar) Sakkara.
Memphis was vroeger de hoofdstad van Egypte totdat de stad Alexandrië
werd gesticht. Djoser, de oudste piramide van Egypte staat hier.
We bezoeken een aantal graven en een piramide. Ik vind het geen
pretje om langs de smalle schacht naar beneden te klauteren, het
opengebroken graf in.
Aan de andere kant van de site laat een bewaker ons nog twee
graven zien en daarna worden we door een andere bewaker met veel
geheimzinnigheid meegenomen naar een complex waar Nederlandse archeologen
bezig zijn. We zien er prachtige reliëfs met afbeeldingen van
Syriërs en Nubiërs. We betalen hem bakshies, wat natuurlijk
niet genoeg is.
10 pond voor een servetje
Op 2 mei ontmoeten we Tanja en Achim een Duits stel dat op de motor
door Afrika reist. Ze reizen naar het zuiden en komen net uit Libië.
Ze vertellen ons dat ze van alles geprobeerd hebben en internet
afgezocht hebben, maar dat de conclusie was dat het onmogelijk was
om zonder gids door Libië te reizen. Ze waren onderweg reizigers
tegen gekomen die tevergeefs een week voor de grens van Libië
gebivakkeerd hadden. Ze zijn er niet ingekomen.
Tanja en Achim hadden een gids geregeld en zouden in verband met
de onkosten in vier dagen door Libië reizen. Ze hadden een
aardige gids die ze heeft toegestaan om zonder bij te betalen nog
drie dagen extra te blijven.
Dit is geen goed nieuws voor ons maar we geven het nog niet op.
We gaan wat drinken met hen op Pyramidroad. We nemen de minibus.
Coen en ik nemen thee, Tanja en Achim koffie en een zoete lekkernij.
Alle medewerkers komen ons om de beurt de hand schudden en blijven
ons de hele tijd aanstaren. We vragen om de rekening en we krijgen
hem. Of we tachtig pond willen betalen. We dachten het niet hè.
Neem deze maar weer mee en kom maar terug met een rekening met een
normaal gedrag. Ze komen terug met een rekening van 75 pond. De
bedragen staan op de rekening uitgesplitst.
Tien pond voor een kopje thee, op de meest toeristische plekken
betaal je uiterlijk twee pond voor een kopje thee. Ook hadden ze
flesjes water op tafel gezet waar Coen en ik niet aangekomen waren.
Tanja en Achim hadden er wel van gedronken en omdat het naar chloor
smaakte, en dus leidingwater was, hadden ze het laten staan. Zij
wilde het ons nu verkopen als mineraal water.
Het mooiste was wel de prijs voor het gebruik van een servetje.
Dat koste maar liefst vijftien pond. We moesten er erg om lachen.
We legde een bedrag op tafel dat overeen kwam met de normale prijzen
voor de dingen die we genuttigd hadden en liepen weg. Hoe dom denken
ze dat we zijn?
De Nederlandse ambassade
Op maandag 3 mei bezoeken we de Nederlandse ambassade op Zamalek.
Een wereld van verschil met de Libische. De Nederlandse ambassade
zit in een prachtig gebouw en binnen en buiten zijn verschillende
kunstwerken te bewonderen. Alles is nieuw in tegenstelling tot de
vele ambassades die we bezocht hebben op onze reis door Afrika.
Ook zijn de regels duidelijk, als we willen kunnen ze ons zo alles
op schrift laten zien.
We vragen om een aanbevelingsbrief en hebben zelf al een opzetje
gemaakt. Ze mogen ons geen persoonlijke brief meegeven maar hebben
een standaard brief. Doorzeuren heeft hier geen zin. Hij zet het
briefpapier in de printer en met een druk op de knop ligt de aanbevelingsbrief
voor ons klaar. We vragen er nog één en twee enveloppen.
Hij plakt ze dicht en wij maken ze stiekem snel weer open, dan kunnen
we er nog het een en ander bij stoppen.
Ook vragen we om een stempel op de Arabische vertaling van ons paspoort.
Deze wordt eerst nagekeken en daarna krijgen we hem terug met stempel.
Na twintig minuten staan we weer buiten. Wat heerlijk efficiënt
en effectief.
Gewapend met onze brief
We gaan naar het internetcafé waar we hartelijk ontvangen
worden door Muhammed. We willen dat de brief zo persoonlijk mogelijk
overkomt ook al staat er in de brief dat er geen persoonlijke brieven
worden afgegeven, maar dat de Nederlandse ambassade zich beroept
op hun gastvrijheid en hopen dat Libië de Nederlandse onderdanen
ook gastvrij ontvangt.
In de envelop stoppen we de brief, kopieën van ons paspoort,
kopieën van de vertaling in het Arabisch en alvast twee pasfoto's.
We plakken de envelop keurig dicht en zetten het adres van de Libische
ambassade er op. Zo lijkt het of dit alles door het ambassade personeel
in de envelop gestopt is en aan de ambassadeur van de Libische ambassade
is gericht.
Gewapend met onze brief vertrekken we naar de Libische ambassade.
Gadaffi heet toeristen welkom
We hebben ondertussen ook een antwoord van een touroperator en de
prijzen komen overeen met de informatie van het internet.
We willen niet naar de balie waar de aanvragen voor visa worden
behandeld omdat het duidelijk is dat daar geen beslissingen worden
genomen. We nemen de diplomateningang. We nemen plaats in de wachtruimte.
We maken stampei totdat we iemand te spreken krijgen die ons belooft
dat de ambassadeur er naar zal kijken. Hij loopt met ons mee naar
de ruimte voor de visaanvragen. We lopen buiten om het gebouw heen
en als er niemand aanwezig is zegt hij dat we daar moeten wachten
en dat hij even omloopt. We wachten maar er gebeurt niets.
De Denen zijn er ook weer, zij hebben ook nog steeds geen visum.
Ik loop weer naar de diplomateningang maar de deur zit potdicht.
Als ik klop wordt er niet opengedaan. Boos loop ik terug naar Coen
en we spreken de man achter de balie aan. Wij vragen waar de man
is gebleven die de deur voor ons zou openen en ons verder zou helpen.
Hij antwoordt niet maar zegt ons dat we toch eerst een uitnodigingsbrief
van een touroperator moeten hebben, voordat we een visum kunnen
krijgen. We worden kwaad en zeggen dat we wel over Jordanië
en Syrië gaan reizen en dat we niet eens meer door Libië
willen.
Coen zegt tegen hem dat we net een persoonlijke brief van de ambassadeur
van het "Koninklijke" Koninkrijk der Nederlanden hebben
afgegeven en als ze daar niet correct mee om gaan we hem direct
terug willen hebben.
Boos lopen we naar de diplomateningang waar we naar binnen glippen
op het moment dat er iemand naar buiten komt. Ik loop te foeteren
tegen de man in het kantoor maar hij blijkt geen Engels te verstaan.
Even later komt er een man bij wie we ons verhaal houden maar dit
levert helaas niets op. We weten ook niet goed wat we nu nog in
de ambassade doen. Blijkbaar kom je het land niet in zonder uitnodigingsbrief,
wat inhoudt dat we ook vastzitten aan een gids. Het wordt ons nu
duidelijk dat wij het er niet voor over hebben om 1000 Euro uit
te geven om transit in vier dagen door Libië te reizen, maar
we vinden het ook moeilijk om het los te laten. We blijven op het
kantoor rondhangen en spreken iedereen aan die langskomt.
De man op het kantoor belt naar iemand en zegt mij dat ik de telefoon
moet overnemen. Het is het hoofd van de visumdienst van de ambassade.
Ik leg hem uit dat we graag door Libië willen reizen maar dat
het ons niet lukt om aan een visum te komen. Ook zeg ik hem dat
Gadaffi aan de wereld heeft laten weten dat toeristen vanaf heden
welkom zouden zijn. Het hoofd begint over de touroperators. Ik zeg
hem dat we er al vijftien gemaild hebben maar nog geen antwoord
hebben gekregen (wat niet waar is). Hij wil me wel een goed adres
geven. Ik bedenk dat we toch niets meer te verliezen hebben en zeg
hem dat we geen gids willen waar we 1000 Euro aan moeten betalen.
Gadaffi heet ons als toerist welkom in zijn land maar nu lijkt het
erop dat Libië alleen geïnteresseerd is in ons geld. Wij
dachten welkom te zijn. Hij zegt me dat hij het vanmiddag nog met
de ambassadeur zal bepreken en dat we morgen weer moeten langskomen.
Ik vraag hem nog of het dan mogelijk is om zonder gids door Libië
te reizen, hij ontkende het maar zei dat we morgen verder zouden
praten.
We gaan naar Libië!
We hadden er geen hoge verwachtingen van en waren ons al geestelijk
aan het voorbereiden op het feit dat we richting Jordanië zouden
reizen. In het internetcafé lezen we dat een van de touroperators
bereidt is om over de prijs te praten. We vragen hem om concrete
bedragen te noemen. Ook mailen we nog twee andere touroperators
om te vragen of ook zij voor ons een goede deal kunnen maken.
Op dinsdag 4 mei hebben we om 12:00 uur een afspraak met Meneer
Awad. Er is niemand bij de diplomateningang. We lopen naar de ruimte
van de visumaanvragen maar daar zit alleen een vrouw. Als we zeggen
dat we een afspraak hebben met het hoofd van de visumdienst, zegt
ze dat er niemand van de afdeling aanwezig is.
Moeten we nu alweer boos worden om iets te bereiken? We dringen
er op aan dat we haar chef willen spreken. Ze belt, maar Meneer
Awad is niet aanwezig.
Na een kwartier komt de man binnen die normaal gesproken altijd
achter de balie zit. Ik wil al boos worden omdat we niet een afspraak
met hem, maar met meneer Awad hebben. Hij onderbreekt me en vertelt
dat de ambassadeur besloten heeft om ons een visum te geven. We
zijn stom verbaasd maar gaan meteen de kaartjes invullen die hij
ons aanreikt, bang dat dit magische moment als een zeepbel uiteen
zal spatten. We mogen bij "het soort visum" geen transit
of toerist invullen, maar visit.
Later bedenken we dat ze ons een zakenvisum hebben gegeven. Het
is ons tot op de dag van vandaag niet duidelijk waarom wij wel een
visum hebben gekregen zonder uitnodigingsbrief. Het kost ons 220
Pond p.p.
We moeten geld gaan wisselen bij de bank die zich aan de overkant
van de straat bevindt. Huppelend lopen we over straat, we gaan naar
Libië! Het wisselen duurt ons allemaal te lang want we zijn
bang dat de ambassade zich in de tussentijd zal bedenken. Bij terugkomst
maakt de man achter de balie hierover nog een grapje. "Waar
bleven jullie nu?" We betalen hem en hij vraagt ons of we om
half twee terug willen komen omdat de ambassadeur de visa nog moet
ondertekenen.
En dan is het zo ver...
Helemaal hyper liepen we over straat. We gaan naar Libië! We
trakteerden onszelf op een ijsje en konden ons geluk niet op. Dit
hield niet alleen in dat we naar Libië zouden gaan, maar ook
dat we zonder uitnodigingsbrief en zonder gids zouden gaan, en dus
ook zonder het bedrag te betalen van 1000 Euro.
We snapten er helmaal niets van, was het de brief van de Nederlandse
ambassade geweest of had het invloed gehad wat ik tegen meneer Awad
had gezegd over de speech van Gadaffi. Het was een groot mysterie.
Om stipt half twee waren we terug. De man van de balie was er ook,
maar de paspoorten nog niet. Ik vroeg hem hoe lang het nog kon duren
omdat we een afspraak met Anne Marie en Antronio hadden. Een kwartier,
insjalla (als God het wil)! Opeens gingen we twijfelen, hadden we
te vroeg gejuicht en was dit gewoon een afscheep tactiek?
Er zat ook een Amerikaanse zakenman te wachten. Zijn visumaanvraag
was afgewezen terwijl hij investeringen had gedaan in Libië
en erheen moest voor besprekingen. Ook zat er een Canadese zakenman
te wachten, hij moest de volgende ochtend in Libië zijn voor
een bijeenkomst. Om half drie ben ik weer naar de ander kant van
het gebouw gelopen maar de deur was dicht. Er was nog een ingang
waar net iemand uit kwam. Ik ben naar binnen gelopen en informeerde
naar onze paspoorten. Vandaag wordt er niet meer gewerkt, kom morgen
maar terug. Hoezo vandaag wordt er niet meer gewerkt. Er is tegen
ons gezegd dat we op ons visum konden wachten. Ik liet de mannen
weten dat ik dit geen stijl vond en dat we bleven wachten totdat
we onze visa hadden.
Ik ga Coen en de Canadese zakenman halen en zeg de portier dat hij
me moet garanderen dat hij ons er weer inlaat, dus niet opeens de
deur gesloten houdt. We worden weer binnengelaten en we wachten
af. Om de tien minuten speken we iemand aan.
Voor de Canadese zakenman is niets geregeld, hij gaat ter plaatse
contact op nemen met zijn reisagent in Libië. Voor ons is het
eindelijk zo ver. Om half vier komt er iemand aanlopen met onze
paspoorten waar de visa voor Libië in staan. Hij geeft nog
een uitleg omdat alles in het Arabisch staat geschreven, waarna
we de ambassade verlaten. We gaan naar Libië!
Aandrijfassen en naaldlagers
Coen en ik hebben nog van alles te doen dus we willen best afwachten
of het Anne Marie en Antonio ook lukt om visa te krijgen. Ze zijn
zes jaar geleden al eens in Libië geweest en kennen daar mensen.
Ze proberen via een van hun kennissen een uitnodigingsbrief te krijgen.
Als je via een zakenrelatie of kennis wordt uitgenodigd hoef je
ook geen gids te hebben.
De ambassade maakt het hun erg moeilijk en laat hun dagelijks terug
komen, terwijl er niets gebeurd. Ze krijgen via hun kennis een uitnodigingsbrief
en dan opeens na bijna twee weken dagelijks de ambassade te hebben
bezocht krijgen ze op 17 mei hun visa toegewezen.
Ondertussen zijn we naar een andere camping uitgeweken die Antonio
gevonden had. Hij is veel beter, er is een grasveld en het toiletgebouw
is een stuk schoner. Anne Marie en Antonio zijn ook op de camping
komen staan. In de tussentijd dat zij bezig waren met de aanvraag
hebben Coen en ik allerlei klussen gedaan. Deze klussen kosten op
reis altijd meer tijd dan thuis omdat je niet precies weet waar
je moet zijn.
Een van de dingen die we doen is langsgaan bij de Jeepdealer. In
Cairo lijkt iedereen in een Jeep Cherokee te rijden, onze auto valt
hier niet meer op. In Egypte worden de Jeeps ook door het leger
gebruikt en we gaan langs bij het staatsbedrijf, AAV Jeep Vehicles
Co., die deze auto's onderhoudt. Het is eigenlijk een assemblagefabriek
waar de Jeeps in onderdelen aankomen en in elkaar worden gezet.
We laten de keerring van het achter differentieel en een keerring
van het centrale differentieel vervangen omdat ze een klein beetje
lekken. Coen helpt en kijkt of alles wel goed gebeurd. Om bij de
keerringen te komen moesten ze allebei de aandrijfassen demonteren.
Per ongeluk lieten ze een naaldlager op de grond vallen. Ze wilden
de kooi met naalden al vervangen voor een nieuwe maar het type dat
wij hebben is versterkt en hebben we speciaal uit Amerika laten
komen. Coen was dus helemaal over de zeik. Van de tweeëndertig
naaldjes miste er één, maar gelukkig werd die terug
gevonden. Ze hebben vier uur met vier man aan de auto gewerkt.
Ook is de olie vervangen van de vooras, achteras, versnellingsbak
en tussenbak, en dit voor maar 135 Euro. Een klant, Ayman Ahmed,
die daar toevallig was heeft Coen de hele tijd bijgestaan. Hij heeft
alles voor Coen vertaald in het Engels omdat de monteurs alleen
Arabisch spraken. We zijn altijd erg blij om leuke, aardige mensen
tegen te komen.
Het lijkt wel of we in Cairo wonen
Coen gooit alle jerrycans vol, 100 liter voor 15 Euro. Hij is uren
bezig met het zoeken naar gas voor onze gasfles, want de vulaansluiting
hier in Egypte past niet op onze Zuid-Afrikaanse gastank. Hij laat
een nippel draaien voor 1,50 Euro en de campingeigenaar zorgt dat
de tank alsnog gevuld wordt.
Ik maak de twee reisverslagen af over Sudan; we branden al onze
foto's die we telkens naar mijn ouders opsturen om ze veilig te
stellen; Coen gaat naar de kapper en knipt mij; we passen de groene
kaart van de auto aan omdat we denken dat we hem al in Tunesië
nodig zullen hebben; we besteden anderhalve dag aan het omwisselen
van Egyptisch geld naar Euro's omdat er weer allerlei rare regeltjes
aan verbonden zijn die nergens geschreven staan. Kortom, we hebben
het er maar druk mee.
We hebben allerlei vaste plekken in Cairo waar we thee drinken,
eten en onze boodschappen doen. Het lijkt ondertussen wel of we
er wonen. We zijn gewend geraakt aan de politiemensen die op gepaste
tijden hun matje uitrollen en voor Allah op de knieën gaan.
We zijn ook gewend geraakt aan het drukke verkeer, de koffiehuizen
waar de mannen waterpijp zitten te roken, de Carrefour waar alle
gezinnen van de hogere middenklasse boodschappen doen en de kleine
eethuisjes met de vele vliegen.
Muhammed van het internetcafé op Zamalek heeft het er moeilijk
mee dat hij ons niet meer zal zien. We waren er kind aan huis met
al onze administratieve klusjes.
Piramides van Giza en het museum van Cairo
Gelukkig is er ook tijd voor leuke dingen. We bezoeken de piramides
van Giza. We willen graag de Jeep bij de piramides fotograferen
en rijden naar de parkeerplaats. We worden er niet toegelaten maar
willen toch met de auto het terrein op. De politieagent wil ons
er niet doorlaten, en heft alweer zijn wijsvinger op om ons terecht
te wijzen.
Een hogere functionaris komt aangelopen en legt in het Engels uit
dat je gewoon vanaf de andere kant het terrein op kan rijden. We
kopen kaartjes en daarna lopen we over het terrein langs de drie
piramides en de verschillende graven die bijna allemaal gesloten
zijn. Vervolgens nemen we de auto mee om foto's te gaan maken. Iz
bij de piramide van Cheops, bij de piramide van Chefren, en bij
de piramide van Mykerinos.
Tot twee keer toe bezoeken we het museum van Cairo. De omgeving
is afgezet en wordt bewaakt door zwaar bewapende militairen. In
het verleden zijn hier aanlagen geweest. Een ambulance staat klaar
voor het geval het toch mis gaat. Er zijn massa's toeristen. We
kijken onze ogen uit, er is zoveel bewaard gebleven. Op de bovenverdieping
is alles uit het graf van Tut Ankh Amun te bezichtigen zoals de
gouden maskers, sarcofagen, sieraden, stoelen en grafbedden. Daarnaast
zien we het beeldschone onvoltooide stenen hoofd van Nefertiti.
We zien honderden beelden in alle denkbare formaten en materialen.
Verder zien we de kolossen van Amenhotep met zijn langgerekte hoofd
en lichaam, dat peervormig is als dat van een vrouw.
We zien tabletten met spijkerschrift, mummies, sarcofagen en het
wereldberoemde beeld van Mentuhotep II van beschilderd zandsteen
en van Rahotep en Nofret (2575-2551 voor Christus).
Ook zien we de Fayum portretten, die zijn geschilderd ten tijde
van de Grieks, Romeinse en Byzantijnse overheersingen in Egypte.
Ondanks dat we twee keer naar het museum zijn geweest, hebben we
nog lang niet alles gezien.

Rahotep en Nofret,
2575-2551 voor Christus |

Mentuhotep
II,
2065-2014 voor Christus |
Zenuwachtig voor wat gaat komen
Op dinsdag 18 mei vertrekken we samen met Antonio en Anne Marie
naar de grens van Libië. We rijden eerst naar de kust en vervolgens
westelijk richting de grens. De hele kustlijn is volgebouwd met
vreselijke hotels en bungalowparken, die zo goed als leeg staan.
Als we gaan tanken slaat de pompbediende met de ijzeren vultuit
tegen de auto waardoor er een stukje lak afspringt. "No
problem" zegt hij tegen ons. Dat maken wij wel uit, maar
we laten het er bij zitten.
We rijden verder langs de Middellandse zee, wat op een of andere
manier vertrouwd aanvoelt. We zijn dwars door Afrika gereden, van
Kaapstad naar Cairo en het lijkt in deze Mediterrane omgeving alsof
we al bijna thuis zijn, terwijl een van de moeilijkste grensovergangen
nog moet komen.
Laat in de middag vinden we in Marsa Matruh een kampeerplek bij
een hotel aan het strand. We eten wat in de stad en zijn allemaal
zenuwachtig voor de grensovergang, waar we morgen zullen aankomen.
Op weg naar Libië
We vertrekken bijtijds. We nemen de kustweg. De kust is hier prachtig,
het water is azuurblauw en groen. We stoppen om met onze gezichten
in de wind te staan, kijkend naar de zee en naar de overkant die
niet te zien is, Europa.
We tanken nog een keer en rijden dan het gebergte in, omhoog naar
de grensovergang. Er is hier in de tweede Wereld Oorlog zwaar gevochten
en overal zijn begraafplaatsen van Europese oorlogsslachtoffers.
We waren bang dat we problemen bij de Egyptische grens zouden krijgen
omdat onze nummerplaten verlengd hadden moeten worden en omdat ons
kenteken tot twee maal toe is opgeschreven toen we ergens keerde
waar dat verboden was. Iedereen had ons gewaarschuwd dat deze dingen
bij de grens gecontroleerd werden en dat je de openstaande boetes
moest betalen voordat je het land kon verlaten. Maar alles verliep
vlekkeloos, waarschijnlijk omdat onze dossiers bij de grensovergang
met Jordanië lagen.
Voor we het wisten waren we klaar en reden we het niemandsland in
richting de grenspost van Libië, wat heel anders zou verlopen.
Niets uit bovenstaande tekst mag worden
gepubliceerd zonder voorafgaande toestemming van de auteurs.
Het zelfde geldt voor alle afbeeldingen en foto's.
Mirjam van Tiel & Coen Barthels ©
2004
|