Into Africa by Jeep by
REISVERSLAG 16 (Egypte, deel 1)
Geschreven door: Mirjam, 14 - 16 juni 2004
Stevig genoeg vastgemaakt?
We varen op het cargoschip over Lake Nasser, onderweg van Sudan naar Egypte.
De schemer heeft ingezet als we de rotstempel van Abu Simbel passeren. We
kunnen de grote beelden nog net onderscheiden.
We staan met vier wagens van reizigers op het cargoschip. Wij, een Duits stel,
een Zwitsers stel en een Nederlands-Italiaans stel. We nodigen Antonio (van
het Nederlands-Italiaanse stel) uit om met ons te eten.
Na 40 jaar huwelijk had zelfs hij dit niet zien aankomen. Zijn vrouw, Anne
Marie had er geen fiducie in dat we veilig de overtocht zouden kunnen maken
met dit oude cargoschip en was op het laatste moment van boord gegaan. Zij
nam de ferry wel die later vertrok en eerder in Aswan zou aankomen.
Antonio maakt soep met veel vermicelli en wij maken spaghetti. Na het eten
laat Sonja op de laptop hun website zien (www.rsverlag.ch).
Daarna gaan we slapen. Als we uit de daktent kijken zien we het water van
Lake Nasser onder ons. Het lijkt alsof we niet op een boot staan, zo smal
is het cargoschip. De golven slaan nu tegen de zijkant van de boot aan. Dit
veroorzaakt een deining waardoor we toch niet zo lekker kunnen slapen. De
auto staat wel met touwen vast maar beweegt toch behoorlijk op en neer. Rondom
het schip is geen reling en het dek van het schip staat bol. Het lijkt ons
geen pretje om met auto en tent in het water te belanden. Ik kijk uit het
raampje naar het busje van Antonio om te zien hoe stevig zijn wagen staat.
Ondanks dat hij behoorlijk op en neer beweegt lijkt hij toch stevig genoeg
vast te staan. Gerustgesteld proberen we toch nog wat te slapen.
De machinist en de kapitein hebben om de haverklap ruzie en schreeuwen elkaar
toe in het Arabisch, maar uiteindelijk wordt alles stil.
Waar blijven jullie nu?
We kunnen lekker uitrusten terwijl de boot verder vaart. De bemanning laat
vallen dat ze de hele nacht hebben doorgevaren wat ze normaal niet doen. Ze
willen bakshies. We doen alsof we het niet begrijpen. Op de GPS konden we
zien dat we Aswan naderden. We klapten de daktent in en aten alvast een blikje
bonen. Later zouden we in Aswan wel wat lekkers gaan eten. De bemanning belde
met een mobiele telefoon naar de douane in Aswan maar kregen geen toestemming
om de haven binnen te varen. We konden de daktent dus weer openklappen. We
zouden aanmeren en hier bij dit eiland vlak voor de haven de nacht doorbrengen.
Afgelopen nacht was de ferry langsgekomen waar Anne Marie zich op bevond.
Zij was dus al in Aswan en zou zich zeker afvragen waar we bleven. Vanuit
de daktent hoorde ik dat de GSM van Antonio over ging en ik hoorde hem zeggen
dat we vlak voor Aswan afgemeerd lagen en pas morgen ochtend de haven binnen
mochten varen. Ik stootte Coen aan en zei hem dat Antonio Anne Marie had gesproken.
's Morgens hoorde ik van Antoinio dat het Anne Maire helemaal niet was geweest
maar een vriendin van hun uit Nederland. Hij was er ook vanuit gegaan dat
het Anne Marie was. De verbinding was slecht en de vragen die de vriendin
stelde waren precies de vragen die Anne Marie gesteld zou hebben. "Waar
zitten jullie?", "Waar blijven jullie nu?".
We hebben geen geduld meer
's Morgens zijn we opgestaan en hebben alles weer ingepakt. We vertrokken
vroeg richting de haven. Er was geen duidelijke afmeer plek voor de boot.
De ferry moest zijn touwen laten vieren zodat wij er tussen konden maar dan
snapte we nog steeds niet hoe we aan wal zouden moeten komen. Maar in Afrika
wacht je deze dingen gewoon 'rustig' af. Er zal wel een oplossing komen.
De wal was aflopend en toen de boot net zo lag dat Antonio er precies af kon
rijden deed hij dit snel. Hij reed de pier op om zijn wagen in het midden
te parkeren. Alle politiemensen waren meteen in paniek omdat ze dachten dat
hij door wilde rijden. Ze rende hem achterna en schreeuwden dat hij moest
stoppen. Het schip werd telkens zo neergelegd dat een van ons eraf kon rijden.
Wij reden er als laatste af. Met zijn allen hadden we wat geld bij elkaar
gelegd voor de kapitein en zijn bemanning. Hebben ze toch nog hun bakshies
gekregen!
We kregen kaartjes om onze gegevens in te vullen voor de immigratiedienst
en wachten verder af wat er ging gebeuren. Na een half uur kwamen ze ons halen.
We reden naar het kantoor van de douane en parkeerde de wagens. Twee mannen
zaten achter oude bureaus. Er hing een portret van Mubarak en er hingen twee
posters, een van een schattig uitziende baby en een van een sexy dame.
Marianne en Albrecht zijn al eerder Lake Nasser overgestoken en omdat ze dat
ook tegen de mannen zeggen wordt er een groot boek gepakt. Hier staan alle
auto's in vermeld die per schip het meer zijn overgestoken. Wij reageren allemaal
ongeduldig omdat ze het niet kunnen vinden en het systeem zo zinloos lijkt.
Op de een of andere manier lijkt het vaak meer te gaan over zinloze bureaucratie
dan over efficiëntie en nut. Soms lijken ze ook niet na te denken. Ze
laten ons eerst een papier invullen waar we alle gegevens op schrijven en
gaan dan nog eens naar onze gegevens vragen terwijl het papier met de gegevens
voor hun ligt. Ieder van ons heeft het gehad met deze manier van doen en om
de beurt verliezen we ons geduld.
Onze paspoorten zijn ondertussen naar een kantoor op de eerste verdieping
gegaan. Ook dat duurt erg lang. Maar na veel vragen en op en neer lopen hebben
we allemaal ons paspoort terug met een stempel op ons visum.
We worden bedreigd
Anne Marie is het kantoor in komen lopen. Ze heeft de afgelopen nacht in een
hotel in Aswan doorgebracht. Tijdens haar reis over Lake Nasser heeft ze ook
van alles mee gemaakt. Toen ze als vrouw alleen was bleek er nog minder respect
voor haar te zijn. (Vrouwen mogen niet alleen reizen in Sudan.) Gelukkig werd
ze opgevangen door de twee Amerikaanse mannen die met hun rubberboot de de
Blue Nile zijn afgezakt, en door een jonge Australiër die met zijn motor
door Afrika reist. De enige westerse mensen aan boord van de ferry.
Coen en ik zijn blij dat Antonio en Anne Marie weer verenigd zijn en alles
weer goed is. We hebben nu een stempel in ons paspoort en in het Carnet maar
mogen pas het terrein af als we Egyptische nummerplaten hebben en een bedrag
van 1020 EP hebben betaald aan belasting. De verkeerspolitie die de nummerplaten
moet regelen bevindt zich niet op het haventerrein maar in de stad. De douane
zegt ons dat we er met een taxi heen moeten en het daar moeten regelen.
Later komt een van de douaniers naar buiten met formulieren die we moeten
ondertekenen. De formulieren zijn opgesteld in het Arabisch. Coen wil het
niet ondertekenen en vraagt om een vertaling. De man maakt ons duidelijk dat
als we het niet ondertekenen hij het ons heel moeilijk kan gaan maken. Wij
maken hém duidelijk dat we ons niet laten bedreigen maar onderteken
toch maar het formulier omdat we hier zo snel mogelijk weg willen.
We vertrekken met de taxi naar de stad. René en Albrecht blijven bij
de wagens. In het kantoor van de verkeerspolitie is het druk en de twee hoogste
beambten zeggen dat ze ons nu niet meer kunnen helpen maar dat ze de volgende
dag om 9 uur in de haven zullen zijn. Dit houdt in dat we op de grenspost
moeten overnachten. We proberen ze nog over te halen maar ze zeggen dat het
echt niet kan, maar dat ze er zeker de volgende dag om 9.00 uur zullen zijn.
We vertrekken teleurgesteld terug naar de haven.
Geen sinecure
Albrecht en René zijn cynisch. Ze verwachten dat we hier minimaal een
week zullen staan, of misschien wel twee. Er zijn ook verhalen van reizigers
die hier drie weken vast zaten. Om negen uur is er nog niemand van de verkeerspolitie
aanwezig, om tien uur is er nog steeds niemand.
De Australische motorrijder is gearriveerd om alle formaliteiten af te handelen
zodat hij kan vertrekken. Hij was al een dag eerder met de ferry aan gekomen
en hij heeft al helemaal geen geduld meer. We gaan met zijn allen naar het
kantoor op de bovenste verdieping waar de hoogste militair zit. Sonja, Marianne
en ik spreken de hoge officier aan, maar hij lijkt ons niet te willen aankijken.
Langzaam dringt het tot me door dat ze hier totaal geen respect voor vrouwen
hebben. Het heeft geen zin. We nemen met zijn allen plaats op de bank in het
kantoor en zeggen pas weg te gaan als er weer iets gebeurt.
De Australiër houdt het voor gezien. Volgens hem kan er niet veel mis
gaan. Het enige wat kan gebeuren is dat hij wordt aangehouden door de verkeerspolitie
en dat zijn juist de mensen die hij nodig heeft om zijn kentekenplaten te
regelen. Dus dat komt goed uit. Hij gaat zijn motor pakken die beneden in
de gang staat en rijdt in volle vaart het terrein af. Als dit maar goed afloopt!
In een politiestaat als deze is het geen sinecure om op deze manier de wet
te overtreden.
Boven in het kantoor heeft niemand het nog door. De hoge officier belt met
de verkeerspolitie en een andere man vertaalt het gesprek voor ons. Het schijnt
dat de verkeerspolitie vertraagd was maar er nu echt aankomt.
Ondertussen is beneden iedereen in rep en roer. Ik zie dat de militairen die
het terrein bewaken de poorten sluiten. De douaniers komen naar ons toe en
willen dat we de 1020 EP (per auto) betalen. Wij zijn niet bereid om dit al
te betalen omdat we bang zijn dat zij naar huis gaan zodra ze het geld in
hun zak hebben en niets meer voor ons zullen doen. Nu moeten ze wachten totdat
wij met alles klaar zijn en het terrein zullen verlaten voordat ze het belasting
geld van onze vier wagens kunnen innen.
Ze houden ons gevangen
Om de tijd te doden, en omdat we zin hebben in een koel drankje lopen Coen,
Antonio en ik naar een winkeltje dat zich net buiten de poorten van het terrein
bevindt. De hekken voor de auto's zijn nog steeds dicht maar aan de zijkanten
kunnen we passeren. We lopen langs de jonge jongens met hun machinegeweren.
Als we nog geen twee meter voorbij het hek zijn worden we tegengehouden. Drie
militairen versperren ons de weg, met machinegeweren in de aanslag. We moeten
terug en mogen het terrein niet verlaten. Woedend worden Coen en ik. Ik voel
mijn hart als een razende tekeer gaan. Hoe durven ze ons gevangen te houden.
Dit is ons nog nooit overkomen. Ik kom uit een Vrij Nederland en het is voor
het eerst dat ik zo behandeld word.
Coen zegt hen dat ze het recht niet hebben om ons tegen te houden omdat we
geldige visa met stempels in onze paspoorten hebben en dat we alleen met de
auto het terrein niet mogen verlaten totdat we de kentekenplaten hebben. Zij
blijven ons de weg versperren en bellen naar het kantoor met de vraag wat
ze met ons aan moeten. Wij wachten het niet af en lopen terug. Antonio en
Coen gaan naar de hoge officier op de bovenste verdieping om hun beklag te
doen. Ik vertel de anderen wat er gebeurd is. Ik heb me nog nooit zo gevoeld.
Mannen met geweren vertellen me dat ik niet meer vrij ben om te gaan en staan
waar ik wil. Ik voel me bedreigd. Ik zit hier tussen Egyptische militairen
die de hele dag naar ons zitten te kijken en 'allo', 'allo' naar me roepen
om mijn aandacht te trekken en nu houden ze ons ook nog gevangen.
Coen en Antonio komen terug met als antwoord van de hoge officier dat we geduld
moeten hebben. Toen Coen zei dat we het terrein af zouden moeten kunnen omdat
we geldige visa en stempels in de paspoorten hebben, antwoordde hij dat we
geduld moesten hebben. Toen Coen vroeg of hij ons soms gevangen hield, lachte
hij schaapachtig en zei hij opnieuw dat we geduld moesten hebben.
Wat een opluchting
Om half één kwam de verkeerspolitie aan. We waren opgelucht
dat er weer iets gebeurde. Het gevoel dat het niemand iets kon schelen wat
er met ons gebeurde werd hierdoor verbroken. We luchtten ons hart bij de verkeerspolitie
die hartelijk overkwam en vol begrip naar ons luisterde.
We zeiden dat we hier al één nacht hadden moeten slapen en dat
we niet nog een nacht op deze vreselijke plek wilden doorbrengen. Ze gingen
praten met de douanebeambten en toen ze weer naar buiten kwamen zeiden ze
dat zij het hun erg moeilijk maakten maar dat het allemaal goed zou komen.
We waren weer hoopvol gestemd en omdat we dachten nu snel klaar te zijn betaalden
we de belasting die we per auto verschuldigd waren.
Er bleek nog een addertje onder het gras. Voordat de verkeerspolitie ons de
nummerplaten mocht geven moesten we eerst een verzekering voor de auto regelen.
Dat kon alleen in de stad. Maar wij konden het terrein niet af en het was
ondertussen al weer laat geworden (alles sluit hier om half drie). We klampten
de verkeerspolitie aan en vroegen hun naar een oplossing. Zij waren gekomen
in een pick-up en we vroegen of we in de bak mee mochten rijden het terrein
af. Ze vonden het goed. René, Albrecht en Anne Marie bleven in de haven
en de rest nam plaats achter in de pick-up. We wisten niet of de militairen
ons door zouden laten. Toen ze de hekken voor de auto openden zagen ze ons
niet zitten maar toen we voorbij reden en ze ons zagen zitten zag je de verwarring
op hun gezichten. Vlak voordat we door de hekken reden was er een jonge militair
in het bakkie gesprongen en deze knikte naar de militairen bij het hek dat
het goed was. Wat een opluchting om het haventerrein te verlaten.
Ook deze Egyptenaren stelden ons teleur
De auto stopte toen er een taxibusje langs kwam. De twee heren van de verkeerspolitie
zetten ons over in de taxi. Ze zeiden dat ze nog een aantal andere dingen
te doen hadden. We drukten hen op het hart dat ze op het politiebureau moesten
zijn als we terug kwamen met de verzekeringen zodat we alles konden regelen
en vanmiddag nog het haventerrein konden verlaten. Zij zeiden dat ze tot half
drie werkten maar dat ze nog wel een half uur langer wilden blijven. Dat betekende
dat we maar een klein uur hadden om alles te regelen en terug te keren naar
het politiebureau. We zeiden dat ze desnoods langer moesten wachten omdat
ze zeker wisten dat we er ieder moment aan konden komen. We haasten ons met
de taxi naar het verzekeringsbureau.
We kwamen aan maar het bureau was al gesloten. We bleken bij het verkeerde
bureau te zijn. De taxi bracht ons naar het goede bureau, waar iemand op ons
zat te wachten. Alle papieren werden in orde gemaakt en we vertrokken weer
met het taxibusje naar het gebouw van de verkeerspolitie. We liepen door de
achteringang naar binnen. Ze probeerde ons tegen te houden maar we liepen
gewoon door. Er bleek niemand meer aanwezig te zijn. De twee heren hadden
het pand verlaten. Het was kwart over drie! We dachten dat zij aardig waren
en ons goedgezind maar ook deze Egyptenaren stelden ons teleur. Boos gingen
we op zoek naar iemand die ons opheldering kon geven.
Boven in het gebouw zat een politieman achter zijn bureau. We legden met handen
en voeten uit wat er aan de hand was en dat hij meteen zijn baas moest bellen.
Hij zei geen telefoon te hebben. Er stond inderdaad nergens een telefoon maar
op zijn bureau lag wel een GSM. Hij vroeg of een van ons een GSM had. Wij
vroegen hem waarom hij zijn eigen GSM niet gebruikte. Die was volgens hem
leeg en er zat geen beltegoed meer op. Met enige aarzeling gaf Marianne haar
GSM. Hij belde en zat even te praten en vertelde ons toen dat zijn baas in
de auto stapte en naar het bureau kwam. We wachtten en wachtten. We vroegen
hem hoe ver weg zijn baas woonde en waarom het zo lang duurde. Hij had geen
antwoord.
Toen het al tegen zessen liep vroegen we hem nogmaals te bellen. Dit deed
hij en hij vertelde ons dat zijn baas vandaag niet meer zou komen maar dat
we morgenochtend om acht uur meteen geholpen zouden worden. We waren weer
razend. We hadden hier een paar uur voor niets zitten wachten en we zouden
opnieuw een nacht op het haventerrein moeten doorbrengen.
Wat bezielt deze gasten?
Er zat niets anders op dan terug te gaan. We hielden een taxibusje aan en
reden naar de haven. We vroegen aan de chauffeur of hij ons de volgende morgen
op wilde komen halen. We waren bang dat we anders het terrein niet af zouden
komen en in een taxi zou het wellicht minder opvallen. We kwamen doodmoe aan.
We maakten wat te eten en luisterde met Anne Marie en Antonio naar Italiaanse
muziek die Coen bij zich had.
De muziek maakte dat we konden genieten ondanks de omstandigheden en Antonio
werd meegevoerd naar zijn Italiaanse verleden. De volgende dag stonden we
om acht uur klaar maar de taxi kwam niet opdagen.
De eerste de beste taxi die het terrein op kwam rijden klampten we aan en
we reden richting Aswan. De militairen aan de poort hadden weer het nakijken.
Coen, Sonja, Marianne, Antonio en ik kwamen om kwart over acht aan op het
bureau maar de twee heren waren er nog niet.
Toen ze om negen uur aan kwamen zetten vroeg Marianne of een van de twee nummers
op haar GSM van een van hen was. Toen ze de twee verschillende telefoonnummers
op haar GSM had zien staan was ze achterdochtig geworden. Had de politieagent
wel naar zijn baas gebeld? De twee hoge heren herkende de nummers niet. We
waren dus belazerd. De politieagent had gewoon zijn vriendinnetje gebeld en
ons voor niets uren laten wachten. Wat bezielt deze gasten?
We zijn weer vrij!
Ik had geen aardig woord meer over voor de twee heren en keek hun kwaad aan
en als ze iets vroegen over onze auto of de papieren was ik kortaf tegen hun.
Ze hadden het niet eens voor ons over gehad om een uur langer op hun werk
te blijven.
Ze werken van negen uur tot half drie en wat er ook gebeurt dit is heilig.
Liever lui dan moe. Maar wel opkijken naar de Europeanen die zoveel geld verdienen.
Ja, hoe denk je dat die daar aan komen? Om te beginnen werken ze minimaal
acht uur per dag. Ja, je wordt cynisch van het reizen door Afrika. Vooral
op de momenten dat dit soort dingen je overkomen. Misschien dat het later
nog wordt afgezwakt doordat je de rottige dingen altijd schijnt te vergeten
en het leuke onthoudt, maar op dit moment hadden we geen goed woord voor hen
over.
Ze moesten ook een kopie van een van de papieren hebben en daar moesten we
zelf voor betalen. Het is toch ongelofelijk dat ze dit zelf niet kunnen financieren.
Wat is nu één kopie? Zo kan ik nog wel even doorgaan maar om
een lang verhaal kort te maken. Uiteindelijk konden we met alle juiste papieren
de kentekenplaten ophalen.
Onze Jeep kreeg nummer 16. Daar kwamen we pas later achter omdat de nummers
in het Arabisch geschreven zijn. Samen met Marianne ging ik nog op zoek naar
de man die op haar GSM had gebeld maar we konden hem nergens vinden. Marianne
kon fluiten naar haar geld (haar GSM belde via Duitsland).
Toen we weer op het haventerrein aankwamen wilde ze nog geld van ons hebben
voor de nachten die we hadden doorgebracht in de haven. Maar niemand van ons
was bereid om dat te betalen.
Coen, Antonio, René en Albrecht maakten de kentekenplaten op de auto's,
we pakten onze spullen in en reden in colonne naar het gesloten hek. We blokkeerde
op deze manier de doorgang en hoopten dat ze ons uiteindelijk wel door zouden
moeten laten. Ze maakten een ander hek open om auto's door te laten maar wij
stonden toch voor de hoofdingang en dat was knap lastig. Ze sommeerde ons
om aan de kant te gaan maar wij bleven pontificaal op de weg staan. Er ging
een kwartier voorbij en er werd gebeld met de grote baas. Opeens gingen de
hekken open en konden we het terrein afrijden. Eindelijk, we zijn weer vrij!
Deze grensovergang heeft ons drie dagen gekost.
Mannen hier hebben een probleem
In Aswan namen we afscheid van René, Sonja, Marianne en Albrecht. Zij
vertrokken naar Abu Simbel. Anne Marie en Antonio wisten een plekje aan de
Nijl waar we konden kamperen, aan de rand van Aswan. Er was namelijk geen
camping en de goedkopere hotels zijn niet schoon.
We proberen uit te rusten van onze avonturen maar veel rust krijgen we niet.
Op onze kampeerplek worden we lastig gevallen door jongetjes en mannen die
het niet kunnen laten om ons te bespieden en obscene dingen te roepen. Als
westerse vrouw ben je hier niet veel waard. In andere landen hadden we nog
overwicht als we boos werden maar hier lijkt het niet veel uit te maken. We
blijven drie nachten in Aswan.
Op een ochtend word ik wakker en moet ik naar de toilet (die er natuurlijk
niet is). Even verder op aan het water zit een man. Om te zorgen dat hij niet
ziet waar ik naar toe loop maak ik een omweg naar een plek waar ik beschut
kan gaan zitten. Ik ga zitten. Opeens zie ik hem achter een boom vandaan naar
me zitten kijken. Ik schreeuw naar hem. Het enige wat gebeurt is dat hij gaat
verzitten om het beter gade te kunnen slaan. Dit is niet de enige keer dat
zoiets gebeurde.
Deze mannen hier hebben een behoorlijk probleem. Hun vrouwen lopen in hobbezakken
die tot aan hun enkels reiken en dragen een hoofddoek. Het enige waaraan de
mannen lijken te denken is vrouwen en seks. Al sinds Ethiopië loop ik
met een lange broek aan en blijven de jurkjes ver weg gestopt, maar het helpt
weinig. Als we door het stadje lopen worden er voortdurend opmerkingen over
mij gemaakt. Dat Coen naast me loopt kan deze mannen niets schelen.
Bij de winkels wordt je voortdurend afgezet. Als we erachter komen hoeveel
iets werkelijk kost geven we dat bedrag en maken er verder geen woord aan
vuil. Voor de rest is het kopen van ieder flesje cola en elk stuk kaas een
gevecht. Nooit zullen ze je meteen het juiste bedrag zeggen.
Massatoerisme verpest de mensen
Aswan is dan ook een toeristisch stadje. Het massatoerisme lijkt geen goede
uitwerking te hebben op mensen. Volgens Anne Marie waren de mensen hier in
Aswan ooit net zo als de mensen in Sudan. Iedere vrouw wilde je de hand schudden
en mensen waren vriendelijk. Nu komen hier in Aswan hordes toeristen die met
bussen en per Nijl-cruiser worden aangevoerd. Het verstoort het hele stadsleven.
Op het pontje waarmee je de Nijl over kunt steken zitten de vrouwen apart
van de mannen, terwijl langs het pontje faroeks zeilen volgepakt met toeristen
in korte broeken en rokjes. Ze hebben veel geld betaald voor deze georganiseerde
reis en het interesseert hun weinig dat ze niet de lokale prijs betalen voor
producten en diensten. De Egyptenaren lachen in hun vuistje en zetten de domme
Europeanen met liefde af.
Abu Simbel, de tempel van Ramses II
Op 1 april vertrekken Coen en ik met een konvooi om vier uur 's morgens naar
Abu Simbel. In Egypte mag je alleen in konvooi reizen. Je moet je hiervoor
aanmelden bij de toeristenpolitie. We sloten aan in een lange rij van touringcars
en kleine busjes waarmee toeristen werden vervoerd. Om kwart over vier gingen
we rijden. Al snel viel het konvooi uit elkaar. De touringcars reden 140 km
per uur maar de kleinere busjes konden dit niet bij houden en wij wilden niet
harder dan 120 km per uur. Dat vonden we eigenlijk al te hard met zo'n volgepakte
wagen van 2200 kilo. We vroegen ons ook af wat het nut was van zo'n konvooi.
Als terroristen een aanslag wilden plegen wisten ze precies waar ze moesten
zijn, elke ochtend om vier uur waren er tientallen toeristenbussen onderweg
van Aswan naar Abu Simbel. Het schijnt dat de Egyptische politiek op deze
manier niets verweten kan worden. Ze hebben hun best gedaan om de toeristen
te beschermen.
Onderweg passeerden we menig politiepost, die we vrij makkelijk konden passeren
omdat we deel van het konvooi uitmaakten. Toch stopte ze ons soms en keken
onderzoekend naar ons nummerbord voordat ze ons doorlieten. Toen we aankwamen
werden we gestopt door de politie die vroeg: wer yu vrom? Wij antwoorden
met: doet er niet toe, waar kunnen we parkeren.
Het was indrukwekkend om in het echt de grote beelden van de Ramses tempel
te aanschouwen, al had ik ze al menig maal op afbeeldingen en op de televisie
gezien. De wanden in de tempels zijn bedekt met reliëfs die o.a. de slag
bij Kadesj uitbeelden. Deze tempel is volledig in de rots uitgehouwen. De
twee tempels (19de dynastie, de grote tempel van Ramses de II en de Hator
tempel voor Nofertari, zijn gemalin) zijn in de jaren zestig met behulp van
UNESCO verplaatst. Door de Hoge Dam die in Aswan werd aangelegd zouden de
tempels anders onder de waterspiegel van het nieuwe stuwmeer, Lake Nasser,
zijn verdwenen. Alle toeristen van zeker 40 bussen liepen tegelijkertijd met
ons over deze site, wat het een stuk onaantrekkelijker maakte.
Edfoe, de tempel van Horus
Om één uur waren we alweer terug en hadden we al meer dan 500
km gereden. We kwamen Anne Marie en Antonio tegen en lunchten met hun. Daarna
liepen Coen en ik over de souk waar een jongen tegen ons riep: how can
I get your money? Dit zou typerend worden voor onze ervaring in Egypte.
In ieder geval in de toeristische delen van Egypte.
We bezochten de staatswinkel die ons deed denken aan het Oostblok. Je kon
er van alles kopen van handdoeken tot motorfietsen.
Anne Marie was helemaal vergeten dat 1 april haar verjaardag was. Om het toch
nog een beetje te vieren aten we 's avonds een taartje.
De volgende dag vertrokken we gezamenlijk naar Luxor. We wilden niet in konvooi
reizen en wilden daarom de desert road nemen, daar was minder kans
op controle. Alleen moesten we eerst op deze weg zien te komen. Aan het begin
van de weg hadden we een politie road block zien staan maar net iets
buiten Aswan was een brug die ook naar deze weg leidde. Het lukte ons om op
de desert road te komen en we reden eerst naar Edfoe om de tempel van
Horus te gaan bezichtigen.
Anne Marie is Egyptoloog, en Antonio en zij weten erg veel over de faraonische
tijd, over Egypte en de oudheid in andere Arabische landen. Wat voor ons goed
uitkwam omdat we ons helemaal niet hadden voorbereid op een bezoek aan Egypte.
We waren de enige toeristen en waren erg onder de indruk van dit volledig
bewaard gebleven Ptolemaeïsche tempelcomplex.
Wer yu vrom?
We reden terug de desert road op en besloten te overnachten in de woestijn.
Door de storm die opstak was het onmogelijk om te koken en het was onrustig
slapen.
De volgende dag reden we naar Luxor. Vlak voor Luxor bevond zich een politie
road block. We werden gestopt en er werd gebeld. We mochten niet alleen
verder en moesten wachten op een politieauto die ons zou begeleiden. Ondertussen
vroegen de politieagenten aan ons: wer yu vrom? What'ss yourr nationality?
De politieauto kwam en begeleide ons naar de brug bij Luxor waar zich het
volgende politie raod block bevond. Weer werd ons gevraagd: wer
yu vrom? What'ss yourr nationality?. Niet één politieagent
staat er naast je auto om dit te vragen maar aan beide kanten van de auto
staan er een paar. Er werd gebeld met het hoofdkantoor en na een kwartier
mochten we doorrijden.
Bij het restaurant van Muhammed in west-Thebe aten we wat en we konden op
het terrein van het Habu Hotel kamperen. We hadden uitzicht op het tempelcomplex
Medinet Habu.
Anne Marie en Antonio gaven ons een rondleiding langs alle belangrijke plekken
in Thebe, maar voordat we de graven en tempels gaan bezoeken ga ik eerst een
reisverslag afmaken. Dat kost me meestal drie hele dagen. Coen gebruikt deze
tijd voor onderhoud aan de auto.
De vallei der Koningen
We hebben prachtig uitzicht op de tempel, en de douches en wc's zijn niet
al te smerig. Rajeb het hulpje van de baas is ons goedgezind en komt regelmatig
kijken als ik bezig ben aan het reisverslag. Hij brengt mij kopjes thee. Mohammed,
de baas, doet weinig. Hij hangt wat rond en later in de week komt zijn liefje
uit Duitsland op bezoek en brengt hij veel tijd met haar door.
Van af het moment dat we zijn opgestaan zijn er vliegen om ons heen, ze gaan
op ons en op ons eten zitten. Zodra de vliegen verdwijnen komen de muggen
in grote getale.
Uit pure ellende spuit Anne Marie om zich heen in de hoop de vliegenbevolking
uit te dunnen. Zelfs ik, die voorheen niets moest hebben van giftige spuitbussen,
spuit er naar verloop van tijd lustig op los.
Voordat het reisverslag over Ethiopië af is bezoeken we samen met Anne
Marie en Antonio de vallei der Koningen. Niet alle graven zijn geopend. We
bezoeken Ramses I, Ramses III, Ramses VI, Ramses IX, Seti II, Tuthmosis I
en Tausert & Setnakht. De graven van de koningsvallei zijn uit de 18e, 19e
en 20e dynastie.
Anne Marie en Antonio vertellen ons dat als er geen toeristen in de tombes
zijn en je de bewaker een paar ponden geeft je best foto's kunt maken. In
sommige tombes is het te druk maar in een aantal lukt het ons om de
bewaker om te kopen en foto's te maken. Voor hun is het een spel dat wij graag
meespelen als we daarvoor een aantal mooie foto's in ons bezit krijgen. Als
je vraagt of je foto's mag maken zeggen ze dat het goed is maar gebaren dat
we niets mogen vertellen, dat het ons geheim is. Ze maken het extra geheimzinnig
door telkens door de lange gang naar buiten te kijken en te doen of er ieder
moment iemand aan kan komen die ons kan verraden. Op deze manier proberen
ze het belang van hun daad aan te geven dat moet worden omgezet in ponden.
We zijn onder de indruk van de graven en de schilderingen. De kleuren zijn
prachtig en ook al zit er verschil in de kwaliteit van de tekeningen het is
een feest om de beschilderde muren en plafonds te bewonderen.
Deir el-Medina
We hebben de smaak te pakken en de volgende dag bezoeken we Deir el-Medina,
het arbeidersdorp. Naast de fundamenten van het dorp liggen de graven van
de arbeiders die de graven van de koningen en koninginnen hebben bewerkt.
Het afval (uitprobeersels, mislukkingen) van de arbeiders heeft er voor gezorgd
dat er veel bekend is geworden over het tot stand komen van de graven, de
schilderingen en reliëfs. Het zijn kleine graven maar prachtig beschilderd.
Wij zijn als enige bij het graf van Peshedu wat ons de gelegenheid geeft om
ook hier foto's te maken. Daarna bezoeken we nog de twee graven van Sennedjem
en Inkerchau. Bij deze graven zijn veel toeristen en in groepjes van acht
mogen we naar beneden. De Ptolemaeën-tempel bij het dorp uit de 3e eeuw
voor Christus werd later door Koptische monniken gebruikt. Na afloop maken
we een wandeling over de bergen naar de Koningsvallei.
We eindigen boven de tempel van Hatsjepsoet in Der el-Bari.
Karnak
Op zaterdag 10 april werken Coen en ik hard om de twee reisverslagen van Ethiopië
af te krijgen en te versturen. De dag daarop doen we nog een aantal taakjes,
zoals ons visum verlengen en de olie van de auto verversen.
We komen in een dorpje dat aan Luxor grenst maar waar geen toeristen komen.
Opeens zijn de mensen weer anders. Kinderen komen op een voor hun veilige
afstand naar ons kijken. We worden uitgenodigd om bij iemand op bezoek te
komen en voor de falaffel betalen we de gewone prijs van vijfenzeventig piaster.
Dan moet het toch echt het massatoerisme zijn dat mensen zo vreselijk maakt.
's Middags gaan we naar Karnak. Het is geweldig om tussen de enorme zuilen
door te lopen. We wanen ons in een aflevering van Agatha Christi, waar van
boven af de zuilen een rotsblok naar beneden wordt gegooid in een poging een
van de karakters te vermoorden.
We ontmoeten twee Saoedi's die een bewaker hebben omgekocht en op een deel
van het terrein mogen dat normaal is afgesloten voor toeristen. Wij mogen
mee. De bewakers doen het allemaal interessanter voorkomen dan het in werkelijkheid
is. Aan het eind van onze tocht over het terrein zie ik al weer een andere
bewaker met twee toeristen rondlopen. Hoe geheimzinniger hoe meer ponden er
te halen zijn. De Saoedi's hebben veel betaald want ze worden uitgebreid bedankt
en de hand geschud.
Foto (ob)sessie
We bezoeken een aantal graven van de nobelen en daarna gaan we naar de vallei
der Koninginnen. Het graf van Nofertari schijnt het mooiste te zijn maar doordat
het verval intreedt door vocht en aardverschuivingen is dit meestal gesloten.
We zien de twee graven van de zonen van Ramses III, Prince Kha em Wast en
Amen Khopshef en een graf van een koningin.
We gaan terug naar de vallei der Koningen. De foto's zijn namelijk voor een
groot deel mislukt. Je mocht niet flitsen in de tombes en we hadden
het toestel verkeerd ingesteld waardoor alle foto's van de graven van de koningen
onscherp waren. We kochten opnieuw kaartjes en gingen op zoek naar de graven
waarvan we foto's hadden gemaakt. Het werd een obsessie. Wachten tot de toeristen
weg waren, de bewaker vragen of het mocht, een prijs met hem afspreken en
foto's maken.
Je had hele aardige bewakers maar ook geslepen types die steeds meer wilde.
Eentje probeerde me wijs te maken dat hij arm was en honger had. Ik vroeg
aan hem hoe hij dan aan die enorme bierbuik van hem kwam. Toch is het ook
een feit dat ze weinig betaald krijgen en soms zelfs niet uitbetaald worden,
maar deze man had alles behalve honger.
Veel mensen in Egypte hebben een maandsalaris van 150 pond (1 Egyptische pond
staat gelijk aan 0,15 Eurocent). Ook Rajeb het hulpje van de hoteleigenaar
krijgt 150 pond per maand (dus Euro 22,50).
Tut Ankh Amun
We willen ook nog naar Tut. Je kan toch niet in Luxor geweest zijn zonder
het graf van Tut Ankh Amun gezien te hebben. We komen een aardige Belg tegen
met zijn zonen. Hij is hier dertig jaar geleden voor het eerst geweest en
laat de graven nu aan zijn zonen zien. Hij is enorm enthousiast en hij vindt
het zo jammer dat hij geen foto's kan maken. Coen en ik kijken elkaar aan
en vertellen hem hoe wij het aanpakken. Hij kijkt helemaal blij.
Wij moeten nog kaartjes gaan kopen voor Tut en zien even later de Belg weer
terug. Hij is al naar benenden in het graf geweest en laat ons vol trots de
mooiste foto's zien; van zijn zonen naast de tombe en van de schilderingen
op de wanden. Wij kunnen haast niet wachten. Als we bij het graf aankomen
zegt de bewaker tegen ons dat we ons fototoestel bij hem achter moeten laten.
Wat krijgen we nu? Dat willen we juist niet. We proberen de man over te halen
maar hij is onvermurwbaar. Hoe kan dat nu, nog geen vijf minuten geleden heeft
de Belg hier foto's staan maken? Later bedenken we dat de Belg waarschijnlijk
een flink bedrag aan de bewaker heeft betaald en die vond het blijkbaar wel
genoeg voor vandaag. Het was het einde van de dag en hij was tevreden.
Wij baalden als een stekker en probeerde hem nog te intimideren door te vertellen
dat we wisten dat er nog geen vijf minuten geleden iemand foto's had gemaakt
in de tombe, maar het hielp niet. We bekijken nog snel even het graf,
wat ook lang niet zo mooi is als de andere graven, en verlaten de vallei der
Koningen.
Road-blocks
We rijden door naar Luxor dat aan de andere kant van de Nijl ligt. We gaan
naar de McDonald's, waar een zwaar bewapende politieagent de wacht houdt.
Vanuit de McDonald's heb je een prachtig uitzicht over het tempelcomplex van
Luxor. We hebben er al een aantal keer gegeten en als we na zonsondergang
terugkeren naar west-Thebe worden we steevast aangehouden bij het road-block
voor de brug over de Nijl. Ze willen ons nooit zonder politie begeleiding
doorlaten maar telkens weten we een manier te vinden om er onder uit te komen.
We zijn ook zo enorm brutaal geworden tijdens onze reis door Afrika.
Als we over de brug zijn worden we alsnog aangehouden door de politie. We
krijgen een waarschuwing. Of we onze lichten s.v.p. uit willen doen. Maar
meneer de politieagent het is donker en dan moeten we toch met onze lichten
aan rijden? We waarschuwen maar een keer, lichten uit! Oké dan! Coen
doet de lichten uit en we rijden verder. Even later doet hij ze weer aan.
We gaan echt niet 's avonds zonder lichten rijden. Alle tegenliggers geven
lichtsignalen. Doe die lichten toch uit, het is donker dan rijdt je niet met
je lichten aan. Waarschijnlijk komt het doordat de Egyptenaren de lichten
van hun auto's niet goed kunnen afstellen en het gevolg daarvan is dat als
ze met lichten aan rijden elkaar verblinden. Dus een logische conclusie is
dat iedereen maar zonder licht rijdt.
Anne Marie en Antonio hadden ook een waarschuwing gekregen en toen ze zonder
lichten verder reden, botste ze bijna op een onverlichte ezelkar.
Onderweg van west-Thebe naar Luxor zijn maar liefst vijf road-blocks
die we moeten passeren (west ŠThebe ligt tegenover Luxor aan de andere kant
van de Nijl). Een voorproefje op wat nog komen gaat. Deze overdaad aan politiemensen
is natuurlijk niet zomaar uit de lucht komen vallen. Tussen 1993 en 1997 zijn
er veel aanslagen gepleegd door de islamitische oppositie groep 'the Gama's'
waar toeristen het slachtoffer van zijn geworden. Na de aanslag in 1997 in
de vallei der Koningen, vooral bij de tempel van Hatsjepsoet, heeft de groepering
aangekondigd geen aanslagen meer te zullen plegen op toeristen.
Medinet Habu
Als laatste bezoeken we Medinet Habu. We kijken elke dag tegen de tempel aan,
maar hebben niet gezien hoe groot het complex eigenlijk is. Ramses III bouwde
dit heiligdom als versterkte tempel op de plek waar god Amon voor het eerst
zou zijn verschenen. Hatsjepsoet en Tuthmosis III hadden hier al eerder een
Amon-tempel opgericht. Ramses III trok beide gebouwen bij zijn eigen tempelcomplex.
We gaan nog een laatste keer naar Luxor voordat we vertrekken richting het
noorden. We hebben gemaild en als we terugkomen bij de auto staat er een taxi
bijna boven op onze Jeep geparkeerd. Ik loop er naar toe en kijk toe als de
taxi optrekt. Ik denk dat hij wel goed zal opletten omdat ik erbij sta. Hij
trekt op en ramt de achterbumper van de Jeep. Hij rijdt een stukje terug en
rijdt weg. Ik houd hem tegen. Waar denk je naar toe te gaan? Je rijdt net
onze auto aan! We zeggen tegen hem dat hij er uit moet komen. Er zit een deukje
in de bumper. Het is niet groot maar we zijn vooral verontwaardigd over het
gedrag van deze taxichauffeur. Wij wijzen op het deukje en vragen hem wat
hij er aan gaat doen. "No problem", antwoord hij. Ook de
klant van de taxichauffeur gaat zich ermee bemoeien. No problem, nee
in Afrika zijn er nooit problemen. Hoe vaak we dat al niet gehoord hebben:
no problem, hakuna matata. Het interesseert ze gewoon niet.
Bakshies
Met Anne Marie en Antonio hebben we afgesproken dat we Rajeb bakshies zullen
geven. Het is een aardige oprechte man die het niet makkelijk heeft met zijn
baas Mohammed. Hij wordt als slaafje gebruikt voor een karig loon. Hij is
getrouwd maar zijn vrouw en hij kunnen geen kinderen krijgen, wat een probleem
is omdat er dan geen oudedagvoorziening voor hun is.
We roepen hem en geven hem 50 pond. Hij wil het eerst niet aannemen. Het is
voor het eerst dat een Egyptenaar zo reageert. Het enige wat we tot nu toe
gehoord hebben als we geld aan iemand gaven is dat het te weinig was. We zeggen
dat hij het moet houden en we gunnen het hem van harte. De volgende dag vertrekken
we. We zijn zo stom geweest om Mohammed niet per dag te betalen voor de overnachtingen.
Nu beweert hij dat de 15 pond niet per stel was maar per persoon. Terwijl
hij tegen ons alle vier gezegd heeft dat het per stel was.
Ze schijnen het altijd te proberen maar wij hebben hier geen zin in. Graag
of niet. Hij kan 15 pond per nacht krijgen of helemaal niets. Hij neemt het
toch maar aan. Jammer dat het zo moet eindigen. We nemen afscheid van Anne
Marie en Antonio en van Rajeb.
Gesloten voor toeristen
Na twaalf dagen Luxor vertrekken we. We willen de oase-route naar Cairo
nemen. We hebben van andere overlanders gehoord dat als je van Cairo
komt je wel langs de oase-route kunt rijden maar als je vanuit het
zuiden de oase-route op wilt je niet wordt toegelaten.
We zijn zenuwachtig maar gemotiveerd. We hebben elkaar toegesproken dat we
rustig moeten blijven en vooral niet boos moeten worden. We komen aan bij
het raod-block bij de brug en worden tegengehouden. Een groep politieagenten
staat om ons heen, aan ieder raampje een paar. Wer yu vrom?, what'ss yourr
nationality? What'ss yourr name? Wer yu going? We noemen het eerste plaatsje
op van de oase-route. Het antwoord is negatief. We mogen daar niet reizen.
Jawel hoor, zegt Coen, wij hebben speciale permissie, wij mogen daar wel reizen.
Nee hoor, de oase-route is gesloten voor toeristen.
Het is duidelijk dat wij niet terug gaan, en dat we de tijd hebben. Zij blijven
zeggen dat het niet mag en wij blijven herhalen dat het geen probleem is en
dat wij daar best mogen reizen. Ze snappen dat ze niet makkelijk van ons af
komen en bellen met het hoofdkantoor. Een van de politieagenten staat naast
het raampje van Coen en zegt ons dat het echt niet mogelijk is en dat we moeten
omkeren. De man die gebeld heeft met het hoofdkantoor komt bij mijn raampje
staan en zegt dat we door mogen rijden. De man aan Coen's raampje houdt nog
steeds vol dat we niet verder mogen reizen. Vanuit hun positie aan onze raampjes
discussiëren de mannen met elkaar, dwars door onze auto heen. Wij bedanken
de man aan mijn kant en trekken snel op richting de woestijn.
Het zelfde geldt voor alle afbeeldingen en foto's.
Mirjam van Tiel & Coen Barthels © 2004
Rieky en Ad van Tiel en zij zetten ze in het gastenboek
van Into Africa by Jeep voor Mirjam van Tiel en Coen Barthels?
rieky-ad@art3400ad.nl