|
 
In de schemer zien we Abu Simbel liggen 
Op de GPS kunnen we zien
dat we Aswan naderen 
Coen rijdt Iz het cargoschip af 
Om de tijd te doden
wassen we onze kleren 
Bij de verkeerspolitie in Aswan 
Archief verkeerspolitie 
Eindelijk hebben we
Egyptische nummerplaten 
Na drie dagen laten ze ons gaan 
De jongetjes zien er schattig uit,
maar schijn bedriegt 
Afscheid van onze medereizigers 
Aswan vanaf de westoever 
Abu Simbel,
de vier 20 m hoge koningsbeelden 
Ramses beeld als Osiris-pijler 
Gevelbeeld van de Hator-tempel 
Edfoe, ingangspyloon van de Horus-tempel 
Haut-reliëf uit de Horus-tempel 
"Bush"camp in de woestijn 
Links af naar de Koningsvallei 
Schildering in het graf van
zoon van Ramses III 
Deir el-Medina, het arbeidersdorp 
Het graf van Peshedu 
Karnak, de grote zuilenzaal 
Ramsfinxen-laan 
Ingang van het graf van Ramses I 
Schildering in
het graf van Ramses I 
Vallei der Koningen 
Thebe (Luxor), kamperen bij het Habu Hotel 
Werkplek met uitzicht op
de tempel van Medinet Habu 
Olie verversen,
de oude olie gaat terug de grond in 
Medinet Hubu 
Gekleurde zuilengalerij 
We naderen de politiepost 
We trekken op richting de woestijn
|
REISVERSLAG 16 (Egypte, deel 1)
Geschreven door: Mirjam, 14 - 16 juni 2004
Stevig genoeg vastgemaakt?
We varen op het cargoschip over Lake Nasser, onderweg van Sudan
naar Egypte. De schemer heeft ingezet als we de rotstempel van Abu
Simbel passeren. We kunnen de grote beelden nog net onderscheiden.
We staan met vier wagens van reizigers op het cargoschip. Wij, een
Duits stel, een Zwitsers stel en een Nederlands-Italiaans stel.
We nodigen Antonio (van het Nederlands-Italiaanse stel) uit om met
ons te eten.
Na 40 jaar huwelijk had zelfs hij dit niet zien aankomen. Zijn vrouw,
Anne Marie had er geen fiducie in dat we veilig de overtocht zouden
kunnen maken met dit oude cargoschip en was op het laatste moment
van boord gegaan. Zij nam de ferry wel die later vertrok en eerder
in Aswan zou aankomen.
Antonio maakt soep met veel vermicelli en wij maken spaghetti. Na
het eten laat Sonja op de laptop hun website zien (www.rsverlag.ch).
Daarna gaan we slapen. Als we uit de daktent kijken zien we het
water van Lake Nasser onder ons. Het lijkt alsof we niet op een
boot staan, zo smal is het cargoschip. De golven slaan nu tegen
de zijkant van de boot aan. Dit veroorzaakt een deining waardoor
we toch niet zo lekker kunnen slapen. De auto staat wel met touwen
vast maar beweegt toch behoorlijk op en neer. Rondom het schip is
geen reling en het dek van het schip staat bol. Het lijkt ons geen
pretje om met auto en tent in het water te belanden. Ik kijk uit
het raampje naar het busje van Antonio om te zien hoe stevig zijn
wagen staat. Ondanks dat hij behoorlijk op en neer beweegt lijkt
hij toch stevig genoeg vast te staan. Gerustgesteld proberen we
toch nog wat te slapen.
De machinist en de kapitein hebben om de haverklap ruzie en schreeuwen
elkaar toe in het Arabisch, maar uiteindelijk wordt alles stil.
Waar blijven jullie nu?
We kunnen lekker uitrusten terwijl de boot verder vaart. De bemanning
laat vallen dat ze de hele nacht hebben doorgevaren wat ze normaal
niet doen. Ze willen bakshies. We doen alsof we het niet begrijpen.
Op de GPS konden we zien dat we Aswan naderden. We klapten de daktent
in en aten alvast een blikje bonen. Later zouden we in Aswan wel
wat lekkers gaan eten. De bemanning belde met een mobiele telefoon
naar de douane in Aswan maar kregen geen toestemming om de haven
binnen te varen. We konden de daktent dus weer openklappen. We zouden
aanmeren en hier bij dit eiland vlak voor de haven de nacht doorbrengen.
Afgelopen nacht was de ferry langsgekomen waar Anne Marie zich op
bevond. Zij was dus al in Aswan en zou zich zeker afvragen waar
we bleven. Vanuit de daktent hoorde ik dat de GSM van Antonio over
ging en ik hoorde hem zeggen dat we vlak voor Aswan afgemeerd lagen
en pas morgen ochtend de haven binnen mochten varen. Ik stootte
Coen aan en zei hem dat Antonio Anne Marie had gesproken.
's Morgens hoorde ik van Antoinio dat het Anne Maire helemaal niet
was geweest maar een vriendin van hun uit Nederland. Hij was er
ook vanuit gegaan dat het Anne Marie was. De verbinding was slecht
en de vragen die de vriendin stelde waren precies de vragen die
Anne Marie gesteld zou hebben. "Waar zitten jullie?",
"Waar blijven jullie nu?".
We hebben geen geduld meer
's Morgens zijn we opgestaan en hebben alles weer ingepakt. We vertrokken
vroeg richting de haven. Er was geen duidelijke afmeer plek voor
de boot. De ferry moest zijn touwen laten vieren zodat wij er tussen
konden maar dan snapte we nog steeds niet hoe we aan wal zouden
moeten komen. Maar in Afrika wacht je deze dingen gewoon 'rustig'
af. Er zal wel een oplossing komen.
De wal was aflopend en toen de boot net zo lag dat Antonio er precies
af kon rijden deed hij dit snel. Hij reed de pier op om zijn wagen
in het midden te parkeren. Alle politiemensen waren meteen in paniek
omdat ze dachten dat hij door wilde rijden. Ze rende hem achterna
en schreeuwden dat hij moest stoppen. Het schip werd telkens zo
neergelegd dat een van ons eraf kon rijden. Wij reden er als laatste
af. Met zijn allen hadden we wat geld bij elkaar gelegd voor de
kapitein en zijn bemanning. Hebben ze toch nog hun bakshies gekregen!
We kregen kaartjes om onze gegevens in te vullen voor de immigratiedienst
en wachten verder af wat er ging gebeuren. Na een half uur kwamen
ze ons halen. We reden naar het kantoor van de douane en parkeerde
de wagens. Twee mannen zaten achter oude bureaus. Er hing een portret
van Mubarak en er hingen twee posters, een van een schattig uitziende
baby en een van een sexy dame.
Marianne en Albrecht zijn al eerder Lake Nasser overgestoken en
omdat ze dat ook tegen de mannen zeggen wordt er een groot boek
gepakt. Hier staan alle auto's in vermeld die per schip het meer
zijn overgestoken. Wij reageren allemaal ongeduldig omdat ze het
niet kunnen vinden en het systeem zo zinloos lijkt. Op de een of
andere manier lijkt het vaak meer te gaan over zinloze bureaucratie
dan over efficiëntie en nut. Soms lijken ze ook niet na te
denken. Ze laten ons eerst een papier invullen waar we alle gegevens
op schrijven en gaan dan nog eens naar onze gegevens vragen terwijl
het papier met de gegevens voor hun ligt. Ieder van ons heeft het
gehad met deze manier van doen en om de beurt verliezen we ons geduld.
Onze paspoorten zijn ondertussen naar een kantoor op de eerste verdieping
gegaan. Ook dat duurt erg lang. Maar na veel vragen en op en neer
lopen hebben we allemaal ons paspoort terug met een stempel op ons
visum.
We worden bedreigd
Anne Marie is het kantoor in komen lopen. Ze heeft de afgelopen
nacht in een hotel in Aswan doorgebracht. Tijdens haar reis over
Lake Nasser heeft ze ook van alles mee gemaakt. Toen ze als vrouw
alleen was bleek er nog minder respect voor haar te zijn. (Vrouwen
mogen niet alleen reizen in Sudan.) Gelukkig werd ze opgevangen
door de twee Amerikaanse mannen die met hun rubberboot de de Blue
Nile zijn afgezakt, en door een jonge Australiër die met zijn
motor door Afrika reist. De enige westerse mensen aan boord van
de ferry.
Coen en ik zijn blij dat Antonio en Anne Marie weer verenigd zijn
en alles weer goed is. We hebben nu een stempel in ons paspoort
en in het Carnet maar mogen pas het terrein af als we Egyptische
nummerplaten hebben en een bedrag van 1020 EP hebben betaald aan
belasting. De verkeerspolitie die de nummerplaten moet regelen bevindt
zich niet op het haventerrein maar in de stad. De douane zegt ons
dat we er met een taxi heen moeten en het daar moeten regelen.
Later komt een van de douaniers naar buiten met formulieren die
we moeten ondertekenen. De formulieren zijn opgesteld in het Arabisch.
Coen wil het niet ondertekenen en vraagt om een vertaling. De man
maakt ons duidelijk dat als we het niet ondertekenen hij het ons
heel moeilijk kan gaan maken. Wij maken hém duidelijk dat
we ons niet laten bedreigen maar onderteken toch maar het formulier
omdat we hier zo snel mogelijk weg willen.
We vertrekken met de taxi naar de stad. René en Albrecht
blijven bij de wagens. In het kantoor van de verkeerspolitie is
het druk en de twee hoogste beambten zeggen dat ze ons nu niet meer
kunnen helpen maar dat ze de volgende dag om 9 uur in de haven zullen
zijn. Dit houdt in dat we op de grenspost moeten overnachten. We
proberen ze nog over te halen maar ze zeggen dat het echt niet kan,
maar dat ze er zeker de volgende dag om 9.00 uur zullen zijn. We
vertrekken teleurgesteld terug naar de haven.
Geen sinecure
Albrecht en René zijn cynisch. Ze verwachten dat we hier
minimaal een week zullen staan, of misschien wel twee. Er zijn ook
verhalen van reizigers die hier drie weken vast zaten. Om negen
uur is er nog niemand van de verkeerspolitie aanwezig, om tien uur
is er nog steeds niemand.
De Australische motorrijder is gearriveerd om alle formaliteiten
af te handelen zodat hij kan vertrekken. Hij was al een dag eerder
met de ferry aan gekomen en hij heeft al helemaal geen geduld meer.
We gaan met zijn allen naar het kantoor op de bovenste verdieping
waar de hoogste militair zit. Sonja, Marianne en ik spreken de hoge
officier aan, maar hij lijkt ons niet te willen aankijken. Langzaam
dringt het tot me door dat ze hier totaal geen respect voor vrouwen
hebben. Het heeft geen zin. We nemen met zijn allen plaats op de
bank in het kantoor en zeggen pas weg te gaan als er weer iets gebeurt.
De Australiër houdt het voor gezien. Volgens hem kan er niet
veel mis gaan. Het enige wat kan gebeuren is dat hij wordt aangehouden
door de verkeerspolitie en dat zijn juist de mensen die hij nodig
heeft om zijn kentekenplaten te regelen. Dus dat komt goed uit.
Hij gaat zijn motor pakken die beneden in de gang staat en rijdt
in volle vaart het terrein af. Als dit maar goed afloopt! In een
politiestaat als deze is het geen sinecure om op deze manier de
wet te overtreden.
Boven in het kantoor heeft niemand het nog door. De hoge officier
belt met de verkeerspolitie en een andere man vertaalt het gesprek
voor ons. Het schijnt dat de verkeerspolitie vertraagd was maar
er nu echt aankomt.
Ondertussen is beneden iedereen in rep en roer. Ik zie dat de militairen
die het terrein bewaken de poorten sluiten. De douaniers komen naar
ons toe en willen dat we de 1020 EP (per auto) betalen. Wij zijn
niet bereid om dit al te betalen omdat we bang zijn dat zij naar
huis gaan zodra ze het geld in hun zak hebben en niets meer voor
ons zullen doen. Nu moeten ze wachten totdat wij met alles klaar
zijn en het terrein zullen verlaten voordat ze het belasting geld
van onze vier wagens kunnen innen.
Ze houden ons gevangen
Om de tijd te doden, en omdat we zin hebben in een koel drankje
lopen Coen, Antonio en ik naar een winkeltje dat zich net buiten
de poorten van het terrein bevindt. De hekken voor de auto's zijn
nog steeds dicht maar aan de zijkanten kunnen we passeren. We lopen
langs de jonge jongens met hun machinegeweren. Als we nog geen twee
meter voorbij het hek zijn worden we tegengehouden. Drie militairen
versperren ons de weg, met machinegeweren in de aanslag. We moeten
terug en mogen het terrein niet verlaten. Woedend worden Coen en
ik. Ik voel mijn hart als een razende tekeer gaan. Hoe durven ze
ons gevangen te houden. Dit is ons nog nooit overkomen. Ik kom uit
een Vrij Nederland en het is voor het eerst dat ik zo behandeld
word.
Coen zegt hen dat ze het recht niet hebben om ons tegen te houden
omdat we geldige visa met stempels in onze paspoorten hebben en
dat we alleen met de auto het terrein niet mogen verlaten totdat
we de kentekenplaten hebben. Zij blijven ons de weg versperren en
bellen naar het kantoor met de vraag wat ze met ons aan moeten.
Wij wachten het niet af en lopen terug. Antonio en Coen gaan naar
de hoge officier op de bovenste verdieping om hun beklag te doen.
Ik vertel de anderen wat er gebeurd is. Ik heb me nog nooit zo gevoeld.
Mannen met geweren vertellen me dat ik niet meer vrij ben om te
gaan en staan waar ik wil. Ik voel me bedreigd. Ik zit hier tussen
Egyptische militairen die de hele dag naar ons zitten te kijken
en 'allo', 'allo' naar me roepen om mijn aandacht te trekken en
nu houden ze ons ook nog gevangen.
Coen en Antonio komen terug met als antwoord van de hoge officier
dat we geduld moeten hebben. Toen Coen zei dat we het terrein af
zouden moeten kunnen omdat we geldige visa en stempels in de paspoorten
hebben, antwoordde hij dat we geduld moesten hebben. Toen Coen vroeg
of hij ons soms gevangen hield, lachte hij schaapachtig en zei hij
opnieuw dat we geduld moesten hebben.
Wat een opluchting
Om half één kwam de verkeerspolitie aan. We waren
opgelucht dat er weer iets gebeurde. Het gevoel dat het niemand
iets kon schelen wat er met ons gebeurde werd hierdoor verbroken.
We luchtten ons hart bij de verkeerspolitie die hartelijk overkwam
en vol begrip naar ons luisterde.
We zeiden dat we hier al één nacht hadden moeten slapen
en dat we niet nog een nacht op deze vreselijke plek wilden doorbrengen.
Ze gingen praten met de douanebeambten en toen ze weer naar buiten
kwamen zeiden ze dat zij het hun erg moeilijk maakten maar dat het
allemaal goed zou komen. We waren weer hoopvol gestemd en omdat
we dachten nu snel klaar te zijn betaalden we de belasting die we
per auto verschuldigd waren.
Er bleek nog een addertje onder het gras. Voordat de verkeerspolitie
ons de nummerplaten mocht geven moesten we eerst een verzekering
voor de auto regelen. Dat kon alleen in de stad. Maar wij konden
het terrein niet af en het was ondertussen al weer laat geworden
(alles sluit hier om half drie). We klampten de verkeerspolitie
aan en vroegen hun naar een oplossing. Zij waren gekomen in een
pick-up en we vroegen of we in de bak mee mochten rijden het terrein
af. Ze vonden het goed. René, Albrecht en Anne Marie bleven
in de haven en de rest nam plaats achter in de pick-up. We wisten
niet of de militairen ons door zouden laten. Toen ze de hekken voor
de auto openden zagen ze ons niet zitten maar toen we voorbij reden
en ze ons zagen zitten zag je de verwarring op hun gezichten. Vlak
voordat we door de hekken reden was er een jonge militair in het
bakkie gesprongen en deze knikte naar de militairen bij het hek
dat het goed was. Wat een opluchting om het haventerrein te verlaten.
Ook deze Egyptenaren stelden ons teleur
De auto stopte toen er een taxibusje langs kwam. De twee heren van
de verkeerspolitie zetten ons over in de taxi. Ze zeiden dat ze
nog een aantal andere dingen te doen hadden. We drukten hen op het
hart dat ze op het politiebureau moesten zijn als we terug kwamen
met de verzekeringen zodat we alles konden regelen en vanmiddag
nog het haventerrein konden verlaten. Zij zeiden dat ze tot half
drie werkten maar dat ze nog wel een half uur langer wilden blijven.
Dat betekende dat we maar een klein uur hadden om alles te regelen
en terug te keren naar het politiebureau. We zeiden dat ze desnoods
langer moesten wachten omdat ze zeker wisten dat we er ieder moment
aan konden komen. We haasten ons met de taxi naar het verzekeringsbureau.
We kwamen aan maar het bureau was al gesloten. We bleken bij het
verkeerde bureau te zijn. De taxi bracht ons naar het goede bureau,
waar iemand op ons zat te wachten. Alle papieren werden in orde
gemaakt en we vertrokken weer met het taxibusje naar het gebouw
van de verkeerspolitie. We liepen door de achteringang naar binnen.
Ze probeerde ons tegen te houden maar we liepen gewoon door. Er
bleek niemand meer aanwezig te zijn. De twee heren hadden het pand
verlaten. Het was kwart over drie! We dachten dat zij aardig waren
en ons goedgezind maar ook deze Egyptenaren stelden ons teleur.
Boos gingen we op zoek naar iemand die ons opheldering kon geven.
Boven in het gebouw zat een politieman achter zijn bureau. We legden
met handen en voeten uit wat er aan de hand was en dat hij meteen
zijn baas moest bellen. Hij zei geen telefoon te hebben. Er stond
inderdaad nergens een telefoon maar op zijn bureau lag wel een GSM.
Hij vroeg of een van ons een GSM had. Wij vroegen hem waarom hij
zijn eigen GSM niet gebruikte. Die was volgens hem leeg en er zat
geen beltegoed meer op. Met enige aarzeling gaf Marianne haar GSM.
Hij belde en zat even te praten en vertelde ons toen dat zijn baas
in de auto stapte en naar het bureau kwam. We wachtten en wachtten.
We vroegen hem hoe ver weg zijn baas woonde en waarom het zo lang
duurde. Hij had geen antwoord.
Toen het al tegen zessen liep vroegen we hem nogmaals te bellen.
Dit deed hij en hij vertelde ons dat zijn baas vandaag niet meer
zou komen maar dat we morgenochtend om acht uur meteen geholpen
zouden worden. We waren weer razend. We hadden hier een paar uur
voor niets zitten wachten en we zouden opnieuw een nacht op het
haventerrein moeten doorbrengen.
Wat bezielt deze gasten?
Er zat niets anders op dan terug te gaan. We hielden een taxibusje
aan en reden naar de haven. We vroegen aan de chauffeur of hij ons
de volgende morgen op wilde komen halen. We waren bang dat we anders
het terrein niet af zouden komen en in een taxi zou het wellicht
minder opvallen. We kwamen doodmoe aan. We maakten wat te eten en
luisterde met Anne Marie en Antonio naar Italiaanse muziek die Coen
bij zich had.
De muziek maakte dat we konden genieten ondanks de omstandigheden
en Antonio werd meegevoerd naar zijn Italiaanse verleden. De volgende
dag stonden we om acht uur klaar maar de taxi kwam niet opdagen.
De eerste de beste taxi die het terrein op kwam rijden klampten
we aan en we reden richting Aswan. De militairen aan de poort hadden
weer het nakijken. Coen, Sonja, Marianne, Antonio en ik kwamen om
kwart over acht aan op het bureau maar de twee heren waren er nog
niet.
Toen ze om negen uur aan kwamen zetten vroeg Marianne of een van
de twee nummers op haar GSM van een van hen was. Toen ze de twee
verschillende telefoonnummers op haar GSM had zien staan was ze
achterdochtig geworden. Had de politieagent wel naar zijn baas gebeld?
De twee hoge heren herkende de nummers niet. We waren dus belazerd.
De politieagent had gewoon zijn vriendinnetje gebeld en ons voor
niets uren laten wachten. Wat bezielt deze gasten?
We zijn weer vrij!
Ik had geen aardig woord meer over voor de twee heren en keek hun
kwaad aan en als ze iets vroegen over onze auto of de papieren was
ik kortaf tegen hun. Ze hadden het niet eens voor ons over gehad
om een uur langer op hun werk te blijven.
Ze werken van negen uur tot half drie en wat er ook gebeurt dit
is heilig. Liever lui dan moe. Maar wel opkijken naar de Europeanen
die zoveel geld verdienen. Ja, hoe denk je dat die daar aan komen?
Om te beginnen werken ze minimaal acht uur per dag. Ja, je wordt
cynisch van het reizen door Afrika. Vooral op de momenten dat dit
soort dingen je overkomen. Misschien dat het later nog wordt afgezwakt
doordat je de rottige dingen altijd schijnt te vergeten en het leuke
onthoudt, maar op dit moment hadden we geen goed woord voor hen
over.
Ze moesten ook een kopie van een van de papieren hebben en daar
moesten we zelf voor betalen. Het is toch ongelofelijk dat ze dit
zelf niet kunnen financieren. Wat is nu één kopie?
Zo kan ik nog wel even doorgaan maar om een lang verhaal kort te
maken. Uiteindelijk konden we met alle juiste papieren de kentekenplaten
ophalen.
Onze Jeep kreeg nummer 16. Daar kwamen we pas later achter omdat
de nummers in het Arabisch geschreven zijn. Samen met Marianne ging
ik nog op zoek naar de man die op haar GSM had gebeld maar we konden
hem nergens vinden. Marianne kon fluiten naar haar geld (haar GSM
belde via Duitsland).
Toen we weer op het haventerrein aankwamen wilde ze nog geld van
ons hebben voor de nachten die we hadden doorgebracht in de haven.
Maar niemand van ons was bereid om dat te betalen.
Coen, Antonio, René en Albrecht maakten de kentekenplaten
op de auto's, we pakten onze spullen in en reden in colonne naar
het gesloten hek. We blokkeerde op deze manier de doorgang en hoopten
dat ze ons uiteindelijk wel door zouden moeten laten. Ze maakten
een ander hek open om auto's door te laten maar wij stonden toch
voor de hoofdingang en dat was knap lastig. Ze sommeerde ons om
aan de kant te gaan maar wij bleven pontificaal op de weg staan.
Er ging een kwartier voorbij en er werd gebeld met de grote baas.
Opeens gingen de hekken open en konden we het terrein afrijden.
Eindelijk, we zijn weer vrij! Deze grensovergang heeft ons drie
dagen gekost.
Mannen hier hebben een probleem
In Aswan namen we afscheid van René, Sonja, Marianne en Albrecht.
Zij vertrokken naar Abu Simbel. Anne Marie en Antonio wisten een
plekje aan de Nijl waar we konden kamperen, aan de rand van Aswan.
Er was namelijk geen camping en de goedkopere hotels zijn niet schoon.
We proberen uit te rusten van onze avonturen maar veel rust krijgen
we niet. Op onze kampeerplek worden we lastig gevallen door jongetjes
en mannen die het niet kunnen laten om ons te bespieden en obscene
dingen te roepen. Als westerse vrouw ben je hier niet veel waard.
In andere landen hadden we nog overwicht als we boos werden maar
hier lijkt het niet veel uit te maken. We blijven drie nachten in
Aswan.
Op een ochtend word ik wakker en moet ik naar de toilet (die er
natuurlijk niet is). Even verder op aan het water zit een man. Om
te zorgen dat hij niet ziet waar ik naar toe loop maak ik een omweg
naar een plek waar ik beschut kan gaan zitten. Ik ga zitten. Opeens
zie ik hem achter een boom vandaan naar me zitten kijken. Ik schreeuw
naar hem. Het enige wat gebeurt is dat hij gaat verzitten om het
beter gade te kunnen slaan. Dit is niet de enige keer dat zoiets
gebeurde.
Deze mannen hier hebben een behoorlijk probleem. Hun vrouwen lopen
in hobbezakken die tot aan hun enkels reiken en dragen een hoofddoek.
Het enige waaraan de mannen lijken te denken is vrouwen en seks.
Al sinds Ethiopië loop ik met een lange broek aan en blijven
de jurkjes ver weg gestopt, maar het helpt weinig. Als we door het
stadje lopen worden er voortdurend opmerkingen over mij gemaakt.
Dat Coen naast me loopt kan deze mannen niets schelen.
Bij de winkels wordt je voortdurend afgezet. Als we erachter komen
hoeveel iets werkelijk kost geven we dat bedrag en maken er verder
geen woord aan vuil. Voor de rest is het kopen van ieder flesje
cola en elk stuk kaas een gevecht. Nooit zullen ze je meteen het
juiste bedrag zeggen.
Massatoerisme verpest de mensen
Aswan is dan ook een toeristisch stadje. Het massatoerisme lijkt
geen goede uitwerking te hebben op mensen. Volgens Anne Marie waren
de mensen hier in Aswan ooit net zo als de mensen in Sudan. Iedere
vrouw wilde je de hand schudden en mensen waren vriendelijk. Nu
komen hier in Aswan hordes toeristen die met bussen en per Nijl-cruiser
worden aangevoerd. Het verstoort het hele stadsleven.
Op het pontje waarmee je de Nijl over kunt steken zitten de vrouwen
apart van de mannen, terwijl langs het pontje faroeks zeilen volgepakt
met toeristen in korte broeken en rokjes. Ze hebben veel geld betaald
voor deze georganiseerde reis en het interesseert hun weinig dat
ze niet de lokale prijs betalen voor producten en diensten. De Egyptenaren
lachen in hun vuistje en zetten de domme Europeanen met liefde af.

Wachten totdat het konvooi vertrekt |
Abu Simbel, de tempel van Ramses II
Op 1 april vertrekken Coen en ik met een konvooi om vier uur 's
morgens naar Abu Simbel. In Egypte mag je alleen in konvooi reizen.
Je moet je hiervoor aanmelden bij de toeristenpolitie. We sloten
aan in een lange rij van touringcars en kleine busjes waarmee toeristen
werden vervoerd. Om kwart over vier gingen we rijden. Al snel viel
het konvooi uit elkaar. De touringcars reden 140 km per uur maar
de kleinere busjes konden dit niet bij houden en wij wilden niet
harder dan 120 km per uur. Dat vonden we eigenlijk al te hard met
zo'n volgepakte wagen van 2200 kilo. We vroegen ons ook af wat het
nut was van zo'n konvooi. Als terroristen een aanslag wilden plegen
wisten ze precies waar ze moesten zijn, elke ochtend om vier uur
waren er tientallen toeristenbussen onderweg van Aswan naar Abu
Simbel. Het schijnt dat de Egyptische politiek op deze manier niets
verweten kan worden. Ze hebben hun best gedaan om de toeristen te
beschermen.
Onderweg passeerden we menig politiepost, die we vrij makkelijk
konden passeren omdat we deel van het konvooi uitmaakten. Toch stopte
ze ons soms en keken onderzoekend naar ons nummerbord voordat ze
ons doorlieten. Toen we aankwamen werden we gestopt door de politie
die vroeg: wer yu vrom? Wij antwoorden met: doet er niet
toe, waar kunnen we parkeren.
Het was indrukwekkend om in het echt de grote beelden van de Ramses
tempel te aanschouwen, al had ik ze al menig maal op afbeeldingen
en op de televisie gezien. De wanden in de tempels zijn bedekt met
reliëfs die o.a. de slag bij Kadesj uitbeelden. Deze tempel
is volledig in de rots uitgehouwen. De twee tempels (19de dynastie,
de grote tempel van Ramses de II en de Hator tempel voor Nofertari,
zijn gemalin) zijn in de jaren zestig met behulp van UNESCO verplaatst.
Door de Hoge Dam die in Aswan werd aangelegd zouden de tempels anders
onder de waterspiegel van het nieuwe stuwmeer, Lake Nasser, zijn
verdwenen. Alle toeristen van zeker 40 bussen liepen tegelijkertijd
met ons over deze site, wat het een stuk onaantrekkelijker
maakte.
Edfoe, de tempel van Horus
Om één uur waren we alweer terug en hadden we al meer
dan 500 km gereden. We kwamen Anne Marie en Antonio tegen en lunchten
met hun. Daarna liepen Coen en ik over de souk waar een jongen tegen
ons riep: how can I get your money? Dit zou typerend worden
voor onze ervaring in Egypte. In ieder geval in de toeristische
delen van Egypte.
We bezochten de staatswinkel die ons deed denken aan het Oostblok.
Je kon er van alles kopen van handdoeken tot motorfietsen.
Anne Marie was helemaal vergeten dat 1 april haar verjaardag was.
Om het toch nog een beetje te vieren aten we 's avonds een taartje.
De volgende dag vertrokken we gezamenlijk naar Luxor. We wilden
niet in konvooi reizen en wilden daarom de desert road nemen,
daar was minder kans op controle. Alleen moesten we eerst op deze
weg zien te komen. Aan het begin van de weg hadden we een politie
road block zien staan maar net iets buiten Aswan was een
brug die ook naar deze weg leidde. Het lukte ons om op de desert
road te komen en we reden eerst naar Edfoe om de tempel van
Horus te gaan bezichtigen.
Anne Marie is Egyptoloog, en Antonio en zij weten erg veel over
de faraonische tijd, over Egypte en de oudheid in andere Arabische
landen. Wat voor ons goed uitkwam omdat we ons helemaal niet hadden
voorbereid op een bezoek aan Egypte. We waren de enige toeristen
en waren erg onder de indruk van dit volledig bewaard gebleven Ptolemaeïsche
tempelcomplex.
Wer yu vrom?
We reden terug de desert road op en besloten te overnachten
in de woestijn. Door de storm die opstak was het onmogelijk om te
koken en het was onrustig slapen.
De volgende dag reden we naar Luxor. Vlak voor Luxor bevond zich
een politie road block. We werden gestopt en er werd gebeld.
We mochten niet alleen verder en moesten wachten op een politieauto
die ons zou begeleiden. Ondertussen vroegen de politieagenten aan
ons: wer yu vrom? What'ss yourr nationality?
De politieauto kwam en begeleide ons naar de brug bij Luxor waar
zich het volgende politie raod block bevond. Weer werd ons
gevraagd: wer yu vrom? What'ss yourr nationality?. Niet één
politieagent staat er naast je auto om dit te vragen maar aan beide
kanten van de auto staan er een paar. Er werd gebeld met het hoofdkantoor
en na een kwartier mochten we doorrijden.
Bij het restaurant van Muhammed in west-Thebe aten we wat en we
konden op het terrein van het Habu Hotel kamperen. We hadden uitzicht
op het tempelcomplex Medinet Habu.
Anne Marie en Antonio gaven ons een rondleiding langs alle belangrijke
plekken in Thebe, maar voordat we de graven en tempels gaan bezoeken
ga ik eerst een reisverslag afmaken. Dat kost me meestal drie hele
dagen. Coen gebruikt deze tijd voor onderhoud aan de auto.
De vallei der Koningen
We hebben prachtig uitzicht op de tempel, en de douches en wc's
zijn niet al te smerig. Rajeb het hulpje van de baas is ons goedgezind
en komt regelmatig kijken als ik bezig ben aan het reisverslag.
Hij brengt mij kopjes thee. Mohammed, de baas, doet weinig. Hij
hangt wat rond en later in de week komt zijn liefje uit Duitsland
op bezoek en brengt hij veel tijd met haar door.
Van af het moment dat we zijn opgestaan zijn er vliegen om ons heen,
ze gaan op ons en op ons eten zitten. Zodra de vliegen verdwijnen
komen de muggen in grote getale.
Uit pure ellende spuit Anne Marie om zich heen in de hoop de vliegenbevolking
uit te dunnen. Zelfs ik, die voorheen niets moest hebben van giftige
spuitbussen, spuit er naar verloop van tijd lustig op los.
Voordat het reisverslag over Ethiopië af is bezoeken we samen
met Anne Marie en Antonio de vallei der Koningen. Niet alle graven
zijn geopend. We bezoeken Ramses I, Ramses III, Ramses VI, Ramses
IX, Seti II, Tuthmosis I en Tausert & Setnakht. De graven van de
koningsvallei zijn uit de 18e, 19e en 20e dynastie.
Anne Marie en Antonio vertellen ons dat als er geen toeristen in
de tombes zijn en je de bewaker een paar ponden geeft je
best foto's kunt maken. In sommige tombes is het te druk
maar in een aantal lukt het ons om de bewaker om te kopen en foto's
te maken. Voor hun is het een spel dat wij graag meespelen als we
daarvoor een aantal mooie foto's in ons bezit krijgen. Als je vraagt
of je foto's mag maken zeggen ze dat het goed is maar gebaren dat
we niets mogen vertellen, dat het ons geheim is. Ze maken het extra
geheimzinnig door telkens door de lange gang naar buiten te kijken
en te doen of er ieder moment iemand aan kan komen die ons kan verraden.
Op deze manier proberen ze het belang van hun daad aan te geven
dat moet worden omgezet in ponden.
We zijn onder de indruk van de graven en de schilderingen. De kleuren
zijn prachtig en ook al zit er verschil in de kwaliteit van de tekeningen
het is een feest om de beschilderde muren en plafonds te bewonderen.
Deir el-Medina
We hebben de smaak te pakken en de volgende dag bezoeken we Deir
el-Medina, het arbeidersdorp. Naast de fundamenten van het dorp
liggen de graven van de arbeiders die de graven van de koningen
en koninginnen hebben bewerkt.
Het afval (uitprobeersels, mislukkingen) van de arbeiders heeft
er voor gezorgd dat er veel bekend is geworden over het tot stand
komen van de graven, de schilderingen en reliëfs. Het zijn
kleine graven maar prachtig beschilderd.
Wij zijn als enige bij het graf van Peshedu wat ons de gelegenheid
geeft om ook hier foto's te maken. Daarna bezoeken we nog de twee
graven van Sennedjem en Inkerchau. Bij deze graven zijn veel toeristen
en in groepjes van acht mogen we naar beneden. De Ptolemaeën-tempel
bij het dorp uit de 3e eeuw voor Christus werd later door Koptische
monniken gebruikt. Na afloop maken we een wandeling over de bergen
naar de Koningsvallei.
We eindigen boven de tempel van Hatsjepsoet in Der el-Bari.
Karnak
Op zaterdag 10 april werken Coen en ik hard om de twee reisverslagen
van Ethiopië af te krijgen en te versturen. De dag daarop doen
we nog een aantal taakjes, zoals ons visum verlengen en de olie
van de auto verversen.
We komen in een dorpje dat aan Luxor grenst maar waar geen toeristen
komen. Opeens zijn de mensen weer anders. Kinderen komen op een
voor hun veilige afstand naar ons kijken. We worden uitgenodigd
om bij iemand op bezoek te komen en voor de falaffel betalen we
de gewone prijs van vijfenzeventig piaster. Dan moet het toch echt
het massatoerisme zijn dat mensen zo vreselijk maakt.
's Middags gaan we naar Karnak. Het is geweldig om tussen de enorme
zuilen door te lopen. We wanen ons in een aflevering van Agatha
Christi, waar van boven af de zuilen een rotsblok naar beneden wordt
gegooid in een poging een van de karakters te vermoorden.
We ontmoeten twee Saoedi's die een bewaker hebben omgekocht en op
een deel van het terrein mogen dat normaal is afgesloten voor toeristen.
Wij mogen mee. De bewakers doen het allemaal interessanter voorkomen
dan het in werkelijkheid is. Aan het eind van onze tocht over het
terrein zie ik al weer een andere bewaker met twee toeristen rondlopen.
Hoe geheimzinniger hoe meer ponden er te halen zijn. De Saoedi's
hebben veel betaald want ze worden uitgebreid bedankt en de hand
geschud.
Foto (ob)sessie
We bezoeken een aantal graven van de nobelen en daarna gaan we naar
de vallei der Koninginnen. Het graf van Nofertari schijnt het mooiste
te zijn maar doordat het verval intreedt door vocht en aardverschuivingen
is dit meestal gesloten. We zien de twee graven van de zonen van
Ramses III, Prince Kha em Wast en Amen Khopshef en een graf van
een koningin.
We gaan terug naar de vallei der Koningen. De foto's zijn namelijk
voor een groot deel mislukt. Je mocht niet flitsen in de tombes
en we hadden het toestel verkeerd ingesteld waardoor alle foto's
van de graven van de koningen onscherp waren. We kochten opnieuw
kaartjes en gingen op zoek naar de graven waarvan we foto's hadden
gemaakt. Het werd een obsessie. Wachten tot de toeristen weg waren,
de bewaker vragen of het mocht, een prijs met hem afspreken en foto's
maken.
Je had hele aardige bewakers maar ook geslepen types die steeds
meer wilde. Eentje probeerde me wijs te maken dat hij arm was en
honger had. Ik vroeg aan hem hoe hij dan aan die enorme bierbuik
van hem kwam. Toch is het ook een feit dat ze weinig betaald krijgen
en soms zelfs niet uitbetaald worden, maar deze man had alles behalve
honger.
Veel mensen in Egypte hebben een maandsalaris van 150 pond (1 Egyptische
pond staat gelijk aan 0,15 Eurocent). Ook Rajeb het hulpje van de
hoteleigenaar krijgt 150 pond per maand (dus Euro 22,50).

Schildering in het graf van Ramses I |
Tut Ankh Amun
We willen ook nog naar Tut. Je kan toch niet in Luxor geweest zijn
zonder het graf van Tut Ankh Amun gezien te hebben. We komen een
aardige Belg tegen met zijn zonen. Hij is hier dertig jaar geleden
voor het eerst geweest en laat de graven nu aan zijn zonen zien.
Hij is enorm enthousiast en hij vindt het zo jammer dat hij geen
foto's kan maken. Coen en ik kijken elkaar aan en vertellen hem
hoe wij het aanpakken. Hij kijkt helemaal blij.
Wij moeten nog kaartjes gaan kopen voor Tut en zien even later de
Belg weer terug. Hij is al naar benenden in het graf geweest en
laat ons vol trots de mooiste foto's zien; van zijn zonen naast
de tombe en van de schilderingen op de wanden. Wij kunnen
haast niet wachten. Als we bij het graf aankomen zegt de bewaker
tegen ons dat we ons fototoestel bij hem achter moeten laten. Wat
krijgen we nu? Dat willen we juist niet. We proberen de man over
te halen maar hij is onvermurwbaar. Hoe kan dat nu, nog geen vijf
minuten geleden heeft de Belg hier foto's staan maken? Later bedenken
we dat de Belg waarschijnlijk een flink bedrag aan de bewaker heeft
betaald en die vond het blijkbaar wel genoeg voor vandaag. Het was
het einde van de dag en hij was tevreden.
Wij baalden als een stekker en probeerde hem nog te intimideren
door te vertellen dat we wisten dat er nog geen vijf minuten geleden
iemand foto's had gemaakt in de tombe, maar het hielp niet.
We bekijken nog snel even het graf, wat ook lang niet zo mooi is
als de andere graven, en verlaten de vallei der Koningen.
Road-blocks
We rijden door naar Luxor dat aan de andere kant van de Nijl ligt.
We gaan naar de McDonald's, waar een zwaar bewapende politieagent
de wacht houdt. Vanuit de McDonald's heb je een prachtig uitzicht
over het tempelcomplex van Luxor. We hebben er al een aantal keer
gegeten en als we na zonsondergang terugkeren naar west-Thebe worden
we steevast aangehouden bij het road-block voor de brug over de
Nijl. Ze willen ons nooit zonder politie begeleiding doorlaten maar
telkens weten we een manier te vinden om er onder uit te komen.
We zijn ook zo enorm brutaal geworden tijdens onze reis door Afrika.
Als we over de brug zijn worden we alsnog aangehouden door de politie.
We krijgen een waarschuwing. Of we onze lichten s.v.p. uit willen
doen. Maar meneer de politieagent het is donker en dan moeten we
toch met onze lichten aan rijden? We waarschuwen maar een keer,
lichten uit! Oké dan! Coen doet de lichten uit en we rijden
verder. Even later doet hij ze weer aan. We gaan echt niet 's avonds
zonder lichten rijden. Alle tegenliggers geven lichtsignalen. Doe
die lichten toch uit, het is donker dan rijdt je niet met je lichten
aan. Waarschijnlijk komt het doordat de Egyptenaren de lichten van
hun auto's niet goed kunnen afstellen en het gevolg daarvan is dat
als ze met lichten aan rijden elkaar verblinden. Dus een logische
conclusie is dat iedereen maar zonder licht rijdt.
Anne Marie en Antonio hadden ook een waarschuwing gekregen en toen
ze zonder lichten verder reden, botste ze bijna op een onverlichte
ezelkar.
Onderweg van west-Thebe naar Luxor zijn maar liefst vijf road-blocks
die we moeten passeren (west ŠThebe ligt tegenover Luxor aan de
andere kant van de Nijl). Een voorproefje op wat nog komen gaat.
Deze overdaad aan politiemensen is natuurlijk niet zomaar uit de
lucht komen vallen. Tussen 1993 en 1997 zijn er veel aanslagen gepleegd
door de islamitische oppositie groep 'the Gama's' waar toeristen
het slachtoffer van zijn geworden. Na de aanslag in 1997 in de vallei
der Koningen, vooral bij de tempel van Hatsjepsoet, heeft de groepering
aangekondigd geen aanslagen meer te zullen plegen op toeristen.
Medinet Habu
Als laatste bezoeken we Medinet Habu. We kijken elke dag tegen de
tempel aan, maar hebben niet gezien hoe groot het complex eigenlijk
is. Ramses III bouwde dit heiligdom als versterkte tempel op de
plek waar god Amon voor het eerst zou zijn verschenen. Hatsjepsoet
en Tuthmosis III hadden hier al eerder een Amon-tempel opgericht.
Ramses III trok beide gebouwen bij zijn eigen tempelcomplex.
We gaan nog een laatste keer naar Luxor voordat we vertrekken richting
het noorden. We hebben gemaild en als we terugkomen bij de auto
staat er een taxi bijna boven op onze Jeep geparkeerd. Ik loop er
naar toe en kijk toe als de taxi optrekt. Ik denk dat hij wel goed
zal opletten omdat ik erbij sta. Hij trekt op en ramt de achterbumper
van de Jeep. Hij rijdt een stukje terug en rijdt weg. Ik houd hem
tegen. Waar denk je naar toe te gaan? Je rijdt net onze auto aan!
We zeggen tegen hem dat hij er uit moet komen. Er zit een deukje
in de bumper. Het is niet groot maar we zijn vooral verontwaardigd
over het gedrag van deze taxichauffeur. Wij wijzen op het deukje
en vragen hem wat hij er aan gaat doen. "No problem",
antwoord hij. Ook de klant van de taxichauffeur gaat zich ermee
bemoeien. No problem, nee in Afrika zijn er nooit problemen.
Hoe vaak we dat al niet gehoord hebben: no problem, hakuna matata.
Het interesseert ze gewoon niet.
Bakshies
Met Anne Marie en Antonio hebben we afgesproken dat we Rajeb bakshies
zullen geven. Het is een aardige oprechte man die het niet makkelijk
heeft met zijn baas Mohammed. Hij wordt als slaafje gebruikt voor
een karig loon. Hij is getrouwd maar zijn vrouw en hij kunnen geen
kinderen krijgen, wat een probleem is omdat er dan geen oudedagvoorziening
voor hun is.
We roepen hem en geven hem 50 pond. Hij wil het eerst niet aannemen.
Het is voor het eerst dat een Egyptenaar zo reageert. Het enige
wat we tot nu toe gehoord hebben als we geld aan iemand gaven is
dat het te weinig was. We zeggen dat hij het moet houden en we gunnen
het hem van harte. De volgende dag vertrekken we. We zijn zo stom
geweest om Mohammed niet per dag te betalen voor de overnachtingen.
Nu beweert hij dat de 15 pond niet per stel was maar per persoon.
Terwijl hij tegen ons alle vier gezegd heeft dat het per stel was.
Ze schijnen het altijd te proberen maar wij hebben hier geen zin
in. Graag of niet. Hij kan 15 pond per nacht krijgen of helemaal
niets. Hij neemt het toch maar aan. Jammer dat het zo moet eindigen.
We nemen afscheid van Anne Marie en Antonio en van Rajeb.
Gesloten voor toeristen
Na twaalf dagen Luxor vertrekken we. We willen de oase-route
naar Cairo nemen. We hebben van andere overlanders gehoord
dat als je van Cairo komt je wel langs de oase-route kunt
rijden maar als je vanuit het zuiden de oase-route op wilt
je niet wordt toegelaten.
We zijn zenuwachtig maar gemotiveerd. We hebben elkaar toegesproken
dat we rustig moeten blijven en vooral niet boos moeten worden.
We komen aan bij het raod-block bij de brug en worden tegengehouden.
Een groep politieagenten staat om ons heen, aan ieder raampje een
paar. Wer yu vrom?, what'ss yourr nationality? What'ss yourr
name? Wer yu going? We noemen het eerste plaatsje op van de
oase-route. Het antwoord is negatief. We mogen daar niet reizen.
Jawel hoor, zegt Coen, wij hebben speciale permissie, wij mogen
daar wel reizen. Nee hoor, de oase-route is gesloten voor
toeristen.
Het is duidelijk dat wij niet terug gaan, en dat we de tijd hebben.
Zij blijven zeggen dat het niet mag en wij blijven herhalen dat
het geen probleem is en dat wij daar best mogen reizen. Ze snappen
dat ze niet makkelijk van ons af komen en bellen met het hoofdkantoor.
Een van de politieagenten staat naast het raampje van Coen en zegt
ons dat het echt niet mogelijk is en dat we moeten omkeren. De man
die gebeld heeft met het hoofdkantoor komt bij mijn raampje staan
en zegt dat we door mogen rijden. De man aan Coen's raampje houdt
nog steeds vol dat we niet verder mogen reizen. Vanuit hun positie
aan onze raampjes discussiëren de mannen met elkaar, dwars
door onze auto heen. Wij bedanken de man aan mijn kant en trekken
snel op richting de woestijn.
Niets uit bovenstaande tekst mag worden
gepubliceerd zonder voorafgaande toestemming van de auteurs.
Het zelfde geldt voor alle afbeeldingen en foto's.
Mirjam van Tiel & Coen Barthels ©
2004
|