Into Africa by Jeep by
REISVERSLAG 12 (Ethiopië, deel 1)
Geschreven door: Mirjam, 19 maart - 4 april 2004
Kan het ook eens meezitten?
Om half vier gaan we tanken en eten we een omelet waarna we vertrekken uit
Moyale, de grensplaats die voor de ene helft in Kenia en voor de andere helft
in Ethiopië ligt. Dromedarissen steken de weg over en de hutten lijken
op hooibergen. De mensen zien er meteen heel anders uit dan in Oost- en Zuidelijk-Afrika.
Hun gezichten vertonen soms fijne gelaatstrekken en het zwarte haar van de
meisjes en vrouwen is lang en hangt in steile vlechtjes naar beneden.
Na een paar uur rijden wordt het donker en ontsteken we de lichten, althans
dat dachten we. Het licht doet het niet behalve als Coen de schakelaar blijft
vasthouden. Kan het ook eens meezitten? Hebben we net al het geklus in Moyale
afgerond doen de lichten het niet. Coen probeert het euvel te verhelpen maar
kan het zo snel niet vinden dus rijden we verder. Het is lastig, omdat de
dimlichten het niet meer doen rijden we met grootlicht en als er een tegenligger
aan komt moeten we dit uit doen en zien we niets meer. Niet dat er veel tegenliggers
zijn, de weg is zo goed als leeg.
Op de kruising richting Yabello staat een hotel en van de manager mogen we
op het parkeerterrein gratis kamperen. Hij licht de bewaker in zodat die een
oogje in het zeil kan houden. Een grote, niet echt snugger uitziende man met
een gerafelde jas en een kalasjnikov loopt rond de auto en gaat op twee meter
afstand naar ons zitten kijken. Ik voel me niet bepaald veilig met deze bewaker
naast de auto.
's Morgens wekt hij ons door aan het trapje van de daktent te sjorren. Hij
wil geld zien. Wij doen alsof we hem niet begrijpen en beginnen geïrriteerd
aan de dag.
Een sprookje
Ethiopië verschilt van de meeste andere Afrikaanse landen waar we doorheen
hebben gereisd doordat er een geschreven geschiedenis bestaat en er historisch
erfgoed is overgebleven. Deze geschiedenis gaat vooral over de christelijke
overheersingen zoals het koninkrijk van Aksoem en de moslimrijken. De animistische
volkeren in het zuiden van Ethiopië en in de lager gelegen landen in
Afrika hebben geen of weinig erfgoed of geschreven geschiedenis achtergelaten.
Na natuur en wild zijn we toe aan cultuur en we kijken uit naar onze avonturen
in Ethiopië.
We ontbijten op het terras van het hotel en het valt ons op hoe de manager
zijn personeel in de gaten houdt en hoe geordend alles verloopt (heel on-Afrikaans!).
Nadat we hebben getankt rijden we de piste op richting Yabello. Bussen met
luidsprekers op het dak waar muziek uit schalt rijden voorbij. We rijden door
een klein dorp waar ik mijn ogen uitkijk en er niet toe kom om een foto te
maken. Het is als in een sprookje, de hutten zijn laag en rechthoekig, de
daken zijn bedekt met rode aarde en groen gras. De vrouwen gaan gekleed in
geplooide rokken en ontbloot bovenlijf of met een doek om hun borsten. De
mannen lopen met ploegen gemaakt van hout naar het veld en de ossen met enorme
hoorns worden voortgedreven.
We komen een Duitser tegen die ons vertelt hoe mooi het in het gebied rond
de Omo is. Wij hadden gelezen dat het er nog niet veilig was om te reizen
(het grenst aan het zuiden van Sudan en het noorden van Kenia) maar volgens
hem was dat nu geen probleem meer. We besluiten om die richting op te gaan
en overnachten in Konso.
Klein onrecht
In Konso drinken we cola en eten een omelet met heerlijk vers brood. We zijn
een bezienswaardigheid voor de mensen uit het dorp. Zij kijken naar ons en
wij naar hun.
De vrouwen hier dragen hun last op hun rug, in tegenstelling tot de vrouwen
in andere Afrikaanse landen die het op hun hoofd vervoeren. Grote bossen takken
en gras zijn bij elkaar gebonden en de vrouwen lopen met gebogen rug onder
het gewicht van de grote last. We zien een aantal keren groepen mensen in
het openbaar ruzie met elkaar maken. Dit is voor het eerst op onze reis door
Afrika.
We zijn de enige gasten bij het Green Hotel. De lokale mensen die er rondhangen
komen praatjes met ons maken en leren ons een paar woordjes Amhaars. We hebben
een kamer genomen maar slapen in de daktent. We gebruiken alleen de wc en
douche van de kamer. Er ontstaat een klein drama als de aansteker van Coen
opeens niet meer op onze tafel ligt. Hij verdenkt een jongetje ervan hem te
hebben gestolen. Iedereen bemoeit zich ermee. Een man legt ons uit dat er
twee dingen gebeurt kunnen zijn, of Coen is hem kwijt geraakt of iemand heeft
hem even geleend. Het is maar hoe je het woord lenen interpreteert. Ik vraag
aan de jongen of hij weet wat er met de aansteker gebeurt is, hij zegt van
niets te weten. De man blijft zijn voorbeeld maar aanhalen van kwijtraken
en lenen. De jongen loopt weg. Na vijftien minuten argumenteren, Coen is nog
steeds boos om dit kleine onrecht, komt de manager samen met de jongen naar
ons toe gelopen. Hij verontschuldigt zich en geeft ons de aansteker terug.
Hij legt uit dat de jongen, zijn kleinzoon, hem heeft weggenomen maar dat
het hem erg spijt.
's nacht lopen er twee mannen over het terrein op en neer, ze slepen met het
een of ander. Het zijn vast de bewakers maar het is ons niet helemaal duidelijk
en echt goed slapen komt er niet van.
MK-47 voor een kip
Van Konso rijden we naar Woito. Ik rijd ook weer. Het gevoel in mijn pink
is weer zo goed als normaal. Onder de dikke korst vandaan is de zich herstelde
nagelriem en het begin van een nieuwe nagel te zien. De korst begint langzaam
los te laten en om er voor te zorgen dat ik hem er niet voortijdig afstoot
doe ik er een verband om als we reizen.
Het landschap is bergachtig en op de hellingen zijn terrassen gemaakt die
bebouwd worden. Overal onderweg wordt het land bewerkt. In de andere Afrikaanse
landen zagen we dat kleine oppervlaktes voor eigen gebruik werden bewerkt
maar hier worden enorme stukken land omgeploegd en ingezaaid. Er wordt hard
gewerkt. Het lijkt ons ondoenlijk zonder machines maar ook in Europa gebeurde
dit vroeger op dezelfde manier.
De kleuren van het betoverende bergachtige landschap, met een weids uitzicht,
bestaan uit aarde tinten, rood en oranje en veel groen. Als filmmaker zou
ik het wel weten, Ethiopië biedt een perfecte entourage.
Langs de weg lopen mannen met kleine leren tooien op hun hoofd waar een veer
uit steekt. De vrouwen hebben rokken van leer en in leren zakken dragen zij
baby's op hun rug. Andere vrouwen lopen met grote aardewerken potten op hun
rug. Kinderen rennen naar de auto als we door een rivier rijden en vanzelf
vaart moeten minderen. Zij bieden ons zelfgemaakte lemen poppetjes te koop
aan.
De heuvels gaan over in bergen. Langs de kant van de piste lopen schaars geklede
mannen en jonge herders met jachtgeweren en AK-47's. Door de vele oorlogen
zijn deze machinegeweren in grote aantallen in particulier bezit. Voor het
equivalent van een kip kan een Ethiopi‘r een kalasjnikov kopen, in Kenia is
het duurder en betalen ze met een geit. We zwaaien druk naar de mensen die
voorbij lopen en speciaal naar de mannen en jongens met geweren. We willen
ze graag te vriend houden. Het is voor het eerst dat we met een bewapende
bevolking worden geconfronteerd en ik vind het best eng.
Smeergeld
Nog voor Woite ligt er een slagboom over de weg, in de vorm van een lange
tak. We stoppen en een kleine man begint opgewonden in het Amhaars tegen ons
te praten. Wij zitten met uitgestreken gezichten en de Michelin-kaart op schoot.
Jinka, we like to go to Jinka, blijven we maar herhalen. De man spreekt
geen Engels en maakt zich steeds drukker. Hij wil de slagboom niet openen.
We bevinden ons in een afgelegen gebied en ik begin me ongemakkelijk te voelen.
Coen wordt boos en vergeet onze strategie die bestaat uit een zelfverzekerde,
niet arrogante houding waarbij we doen alsof we zeeën van tijd hebben.
Hij stapt uit de auto en loopt naar de slagboom toe. Ik roep hem na dat hij
moet terugkomen maar op dit soort momenten heb ik geen vat op hem. De kleine
man raakt nu helemaal over zijn toeren. Ik begin me echt zorgen te maken.
Ik blijf Coen toeroepen en uiteindelijk luistert hij. Hij sluit de slagboom
weer en komt naast me in de auto zitten. De man roept zijn collega. Uit een
hut komt een lange slungelige man te voorschijn met om zijn schouder een kalasjnikov.
Hij moet van de kleine man naast de slagboom plaats nemen. Hij ziet er niet
erg slim uit en ik vermoed dat als de kleine man hem een bevel geeft hij het
klakkeloos zal uitvoeren. Ik wordt nu echt bang. We zitten hier totaal afgezonderd
en hebben geen flauw idee hoeveel mensen hier per dag langskomen. Wij hebben
tot nu toe nog geen andere auto's gezien. Coen zit hem ook te knijpen maar
we kijken ongeïnteresseerd voor ons uit en blijven op de kaart wijzen
en het woord Jinka herhalen.
Ik stel aan Coen voor om terug te rijden, maar hij is het hier niet mee eens.
De man raakt steeds gefrustreerder. Hij maakt met zijn duim en wijsvinger
het internationale gebaar van geld. Wij kijken nog steeds even onschuldig
voor ons uit en doen alsof we hem niet begrijpen. Ik fluister naar Coen of
we hem toch niet beter kunnen betalen. Coen zegt dat als we maar lang genoeg
wachten hij ons er uiteindelijk wel door zal laten. En zo gebeurt het ook.
Na twintig minuten geeft hij het op en opent de slagboom.
We rijden richting de brug die iets verderop ligt en slaan links af. Pas als
we uit het zicht en schotveld van de mannen zijn, halen we opgelucht adem.
Bijkomen van alle indrukken
In de bergen valt het ons steeds meer op hoe erg de motor pingelt van de slechte
Ethiopische benzine. Van de 200 pk die we behoren te hebben is nog maar de
helft over en we hopen dat de motor geen blijvende schade zal oplopen.
In Key Afer drinken we wat. Ook hier lopen mannen met machinegeweren. Als
we in een cafeetje cola drinken komt er iemand binnen met zijn AK-47. Ik voel
me niet op me gemak ook al zijn de mensen aardig tegen ons.
Aan het eind van de dag komen we in Jinka aan. Er is een camping maar er is
niemand. Een jongen verwijst ons naar het Jinka Resort dat nog niet zo lang
open is. Wat een heerlijkheid, een goed georganiseerd hotel waar je als toerist
lekker rustig kunt eten zodat je kunt bijkomen van alle overweldigende indrukken
van de dag. De manager laat me de folder van het hotel annex camping zien
en we mogen een plekje voor de auto uitzoeken.
Het is vreemd om na zo'n tocht door onherbergzaam gebied toeristen tegen te
komen. Het is een groep oudere Amerikanen en Canadezen die georganiseerd rondreizen
door Ethiopië. De weinige toeristen die hier komen, komen speciaal voor
de Mursi Een van de twee laatste volkeren waarvan de vrouwen schoteltjes van
klei in de onderlip dragen. Deze etnische groep woont in de bosrijke heuvels
aan de westgrens van het nationale park van Mago, langs de rivier de Omo.
De jongen die ons het Jinka Resort heeft aangeprezen komt langs en biedt zichzelf
als gids aan om de Mursi te bezoeken. Volgens hem is het zo goed als onmogelijk
om de Mursi zonder gids te bezoeken. Wij zeggen hem dat we eerst een dagje
gaan uitrusten en dan nog wel zullen zien of we naar de Mursi gaan.
Ergernis
Uitrusten is moeilijk in Afrika. Alweer worden we gewekt door een Ethiopiër
die aan ons trapje staat te rammelen. Hij wil de papaja's uit de bomen gaan
halen en gebaart dat we de auto een stukje naar achter moeten zetten. Ik gebaar
naar hem dat hij op moet hoepelen. Je wordt hier een stuk makkelijker in tijdens
het reizen door Afrika. Als je keurig gaat doen wat iedereen je vraagt heb
je hier geen leven meer.
's Middags komt de manager moeilijk doen. De groep is weer vertrokken wat
inhoud dat de kamers leeg staan. Wij kunnen nu onze intrek in een kamer nemen
en als we dat niet doen kunnen we ook geen gebruik maken van de elektriciteit.
Als ik hem zeg dat we dan geen gebruik gaan maken van de elektriciteit zegt
hij dat we ondanks dat toch een kamer moeten nemen omdat het geen camping
is. Ik word hier behoorlijk pissig van en loop terug naar de auto om het foldertje
te halen dat hij me de dag ervoor heeft gegeven. Ik duw het onder zijn neus
en dwing hem om naar de tekst op het foldertje te kijken: Jinka Resort,
hotel and camp site. Met tegenzin geeft hij me gelijk en zegt dat we toch
mogen kamperen. Coen is kwaad en ergert zich rot aan dit soort inhalig gedrag.
's Avonds komt Mamoose weer langs en we besluiten met hem de Mursi te gaan
bezoeken. Hij zal scheermesjes en zeep inkopen als cadeau voor de chiefs
zodat we ook in het dorp foto's kunnen maken. Ook zal hij 1 birr-biljetten
voor ons verzamelen om hun te kunnen betalen voor de foto's. Per foto moeten
we twee birr betalen en om het dorp in te komen nog eens veertig birr aan
de chief.
Naar de Mursi
Nog voor zonsopgang staan we klaar om te vertrekken. Mamoose moet op het dak
zitten omdat we in de auto geen plaats hebben voor een derde persoon. Hij
zit op de zandplaten die op de jerrycans liggen. Het regende en de paden waren
modderig. We moesten een paar rivieren oversteken en een ervan was redelijk
diep. De oever aan de overkant was vrij steil en omdat Coen er niet zeker
van was of we het zouden halen maakte hij vaart. We maakten een behoorlijke
klap toen we uit het water de helling op reden. Later vertelde Mamoose dat
hij zijn schenen keihard tegen de rand van de daktent had gestoten toen we
de klap maakten.
We rijden door heuvelachtig gebied op een smal pad dat omringd is door bomen.
Het is een slecht pad, de takken van de bomen ketsen af tegen de stagen die
Coen vanaf de bullbar naar het roofrack heeft gespannen. Coen
heeft al zijn stuurmankunsten nodig om de auto over de hobbelige ongelijke
weg te manoeuvreren. We rijden met gesloten ramen want buiten vliegen hordes
tseetseevliegen. Dat zal geen pretje zijn voor Mamoose daar boven op het dak.
Na drie uur rijden zie ik opeens twee lange naakte mannen half verscholen
achter bosjes staan. Ik voel me als een ontdekkingsreiziger die hoopt iets
nieuws te zien maar ook niet weet wat het onbekende zal gaan brengen.
Bij de Mursi
Ik wil Mamoose roepen en vragen wat we moeten doen maar de mannen slaan een
doek om en halen de tak weg die het pad naar hun dorp verspert. Ze gebaren
ons verder te rijden. We rijden voorbij de slagboom en parkeren de auto. Het
hele dorp komt rond de auto staan. Pas als Mamoose van het dak af is geklommen
stappen wij uit.
Onze eerste echte cultuurshock. We bevinden ons in een dorp van wilden, zoals
ze dat vroeger noemden. Dit zijn de beelden uit de oude zwart-wit films die
je als kind op tv zag. Van stammen in afgelegen oerwouden waar blanke avonturiers
maar te nauwer nood aan het kannibalisme en dus de kookpot ontsnapte. Ik prent
me in dat hier wel vaker toeristen komen en dat het dus wel veilig zal zijn,
verstand op nul en blik op oneindig. Deze mensen leven zoals hun voorvaderen
al eeuwen lang leefden. Hun naakte wit beschilderde lichamen zijn half bedekt
met doeken, de mannen dragen een kalasjnikov op hun blote lijf. We worden
omringd door kleine blote kinderen die hun handen uitsteken om ons aan te
kunnen raken. De kleien schotels in de onderlippen van de vrouwen steken trots
naar voren. Bij de vrouwen die geen schoteltje dragen bungelt de onderlip
als een losse ring aan het gezicht. Dus daar gebruiken ze die scheermesjes
voor! De vrouwen versieren hun haar met kogelhulzen.
Mamoose spreekt met de chiefs, hij zal alle onderhandelingen doen.
Hij heeft ons op het hart gedrukt dat we zelf niet met hun moeten onderhandelen,
dat kan namelijk helemaal uit de hand lopen. Een kleine jongen steekt vliegensvlug
zijn arm uit en laat me trots de tseetseevlieg zien die hij van Mamoose zijn
jas heeft geplukt en die hij nu tussen duim en wijsvinger houdt. Mamoose houdt
onze stapel birr's bij zich zodat wij foto's kunnen maken en betaald de chiefs.
Na tien minuten is het genoeg
De vrouwen gaan in een halve kring staan en Mamoose zegt dat we moeten kiezen
van wie we een foto willen maken. Coen drukt me het fototoestel in mijn handen
en zegt dat ik moet kiezen. Ik kies een vrouw uit die een pot op haar hoofd
draagt.
Voor de volgende foto dringen drie mannen zich op en pakken Coen bij zijn
arm. Ze gaan in een rij klaar staan voor de foto. We betalen niet per foto
maar per persoon die op de foto komt en dat weten ze maar al te goed. Nog
meer mannen sluiten aan in de rij maar ik vraag Mamoose ze weg te laten gaan.
Coen staat niet geheel op zijn gemak tussen de mannen in. De loop van een
van de machinegeweren is op zijn hoofd gericht. Ik kies een vrouw uit met
een donkere ebbenhouten huidskleur en maak een foto van haar en haar baby.
Nu gaat het er niet meer zo ordelijk aan toe. De vrouwen drukken zich met
hun klamme blote borsten tegen Coen aan. Ze klampen zich aan hem vast en gebaren
hem mij over te halen hun te kiezen. De vrouwen pakken mijn armen vast en
roepen naar me. Ik maak nog een paar foto's en met elke minuut die verstrijkt
worden ze opdringeriger. Ze trekken nu aan mijn kleren en aan mijn haren.
Ze staan in een kluitje om me heen en ik roep naar Mamoose dat hij me moet
helpen.
Mamoose zegt dat we in de auto moeten gaan zitten. We duwen de mensen weg
en wringen ons in de auto. Mamoose propt zich naast ons in de auto. We overleggen
wat we verder gaan doen terwijl de mannen en vrouwen ons toeroepen en hun
handen en lichamen tegen de auto drukken waarbij er afdrukken achterblijven
van de witte kalk die op hun lichaam zit. We hebben speciaal scheermesjes
en zeep aangeschaft om ook in en voor de hutten foto's te kunnen maken. Maar
we vinden het genoeg en stemmen in met het voorstel van Mamoose om de zeep
en scheermesjes als cadeau te geven aan de chiefs zodat zij het onder
de leden van de stam kunnen verdelen. We willen zo snel mogelijk weg. We zijn
hoogstens tien minuten bij de Mursi geweest en hebben slechts negen foto's
gemaakt. Maar het is genoeg.
Nadat Mamoose de cadeaus aan de chiefs heeft gegeven propt hij zich
weer naast mij in de auto en rijden we weg. De slagboom gaat omhoog en we
zijn verbijsterd en opgelucht als we het pad oprijden dat ons terug naar Jinka
zal brengen.
Weer bij de politiepost
Later horen we van reizigers die zonder gids naar hetzelfde dorp zijn geweest
dat ze een speer op hun hoofd gericht kregen toen ze het dorp wilden verlaten.
Eerst moesten ze de chiefs betalen en toen pas werd de tak weggehaald
die het pad versperde.
Weer andere overlanders die in een ander dorp van de Mursi waren geweest
waren bedreigd met een kalasjnikov. We waren erg blij dat we een gids hadden
genomen en dat we deze verhalen pas achteraf hoorden.
Op vrijdagmorgen 6 februari vertrokken we uit Jinka. De bevolking raadde het
ons af om via Guelta naar Arba Minch te rijden omdat de weg volgens hun onbegaanbaar
was voor auto's. Coen vindt het vreselijk om via dezelfde weg terug te moeten
rijden, dat geeft hem het gevoel dat we een dagtochtje maken in plaats van
op reis te zijn. Maar we luisterden toch maar naar het advies. Dit hield in
dat we weer langs dezelfde politiepost zouden komen. We zagen er tegen op
maar er was geen andere uitweg.
In Woito, vlak voor de politiepost, dronken we wat. Er stond een andere auto
die dezelfde kant op ging. We zorgden ervoor dat we samen met hem wegreden
zodat we gezamenlijk bij de politiepost zouden aankomen. We vonden het allebei
spannend en waren blij dat we er niet alleen zouden zijn. De kleine man stond
naast de slagboom met hetzelfde norse gezicht als op de heenweg. Hij keek
ons indringend aan en wij keken weer onschuldig en ontspannen voor ons uit.
Hij herkende ons en hij schudde zijn hoofd en er kwam een lach op zijn gezicht.
Zijn collega, die we nog niet eerder hadden gezien, was bezig met het controleren
van een lokale minibus. De kleine man keek naar zijn collega, kwam op ons
af lopen, keek ons nog eens onderzoekend aan, gaf ons een hand en gebaarde
dat we door konden rijden. Hij had begrepen dat er bij ons niets te halen
viel.
Stenen gooien
In Konso aten we wat en reden toen door naar Arba Minch. De afstanden vallen
wel mee maar we verkijken ons regelmatig op de reistijd. Het werd weer een
lange dag. Bij een rivier was er een wegomlegging, we moesten door een rivier
en werden door het hart van een dorpje geleid. Kinderen pakten stenen op en
gooiden die naar de auto. Coen stapte uit en rende ze achterna.
Op de piste lagen hopen grind en stenen omdat ze bezig waren met het verbeteren
van de weg. Kinderen stonden op de bergen en pakte stenen om ze naar ons en
alle andere voorbijgaande auto's te gooien. Coen was woedend. We hadden het
al van alle andere overlanders gehoord en niets scheen te helpen. We
probeerden van alles, naast hun stoppen en hun bestraffend toespreken, erachter
aan rennen en gas geven en zo vlug mogelijk wegwezen, maar niets hielp. Ze
gooien ook stenen naar elkaar en de herdertjes gooien stenen naar het vee
om de ossen en koeien de goede richting uit te sturen. De volwassenen staan
er bij te kijken maar doen er niets aan. Doodmoe kwamen we aan bij het Bekele
Molla hotel waar we op het grasveld konden kamperen met uitzicht op de twee
zuidelijkst gelegen meren van het Ethiopische Riftdal. Het Chamomeer is blauw
van kleur en het Abayameer koperachtig doordat het water ijzerhoudende deeltjes
bevat.
Een groep studenten uit Addis Abeba hield ons de halve nacht uit onze slaap.
We hadden gehoopt dat het hier rustig zou zijn, maar uitrusten zal er waarschijnlijk
pas weer van komen in Europa, niet in Afrika.
Bedelen
We reden het stadje in om inkopen te doen. Een volwassen vrouw klopte op het
autoraampje en bedelde om een birr. De vrouw ging goed gekleed. Ik had in
landen als Mozambique, Malawi en Tanzania heel wat armere mensen gezien die
soms in kapotte T-shirt gekleed gingen en broeken vol met gaten. Wat bezielde
deze volwasse vrouw om zich op deze manier te verlagen. In de andere Afrikaanse
landen vroegen kinderen om snoep en geld maar volwassenen hadden dat nog nooit
gedaan, in ieder geval niet op deze manier.
Onbeschaamd, opdringerig en overtuigd van het recht dat ze geld van ons behoort
te krijgen. Dit gedrag zouden we nog door heel Ethiopië tegen komen.
Op de markt liepen mensen ons achterna en toen we de auto parkeerden stond
er meteen een groep mannen omheen. Terwijl we een broodje aten ging het autoalarm
af, een man maakte zich snel uit de voeten. Alleen in de pastry hadden we
even rust. Op straat spraken volwassenen en kinderen ons aan en vroegen om
een birr, ook boden ze hun diensten aan om daarna om geld te kunnen vragen.
Diensten in de zin van ons de weg wijzen. Overal willen ze geld voor hebben.
We wisten niet hoe vlug we weer naar het hotel moesten komen.
Coen was verkouden geworden. Mamoose was op de terugweg van de Mursi in de
auto meegereden in plaats van op het dak. Hij had zitten niezen en we reden
met alle ramen dicht vanwege de tseetseevliegen. We voelden ons allebei niet
zo lekker en Coen had verhoging en bleef een paar dagen in bed.
Mijn linker pink
Op zaterdag 7 februari toen we net in bed lagen merkte ik dat de korst die
rond mijn pink zat nu helemaal losgelaten was. Door de dikke korst konden
we de vorm van mijn pink niet goed zien en we durfde eigenlijk niet goed te
kijken omdat we bang waren dat de vorm van mijn pink veranderd zou zijn.
Het ongeluk was op 13 december gebeurd en het verloop van het herstel van
mijn pink had ons doorlopend bezig gehouden. We waren moe en hadden weinig
licht en besloten te wachten tot de volgende dag. Ik deed een verband en een
pleister om de al losgelaten korst van mijn pink en we gingen slapen.
's Morgens was het grote moment aangebroken en ik haalde het verband en de
korst eraf. We schrokken ons rot. André had gezegd dat de vorm van
mijn pink weer terug zou komen maar dat was niet helemaal waar. Het gaat hier
maar om een klein onderdeel van een mensenlichaam, en zelfs maar om een klein
onderdeel van mijn pink, maar op de een of andere manier is alles uitvergroot.
Ik denk ook dat dit alles zo'n enorme indruk op ons heeft gemaakt door deze
reis. Het diepe besef wat het is om op een continent te zijn waar je welzijn
en gezondheid niet vanzelfsprekend is. Het besef dat je in sommige omstandigheden
zonder hulp en gezond verstand en een dosis geluk je je leven niet zeker bent.
Een continent waar met andere ogen gekeken wordt naar ziekte en dood.
De wetenschap dat als je zelf geen verantwoordelijkheid neemt er niets zal
gebeuren. Alles moet je zelf regelen en je kunt niet zoals in Nederland terugvallen
op de hulp of kennis van mensen die altijd te bereiken zijn.
Het zelfde geldt voor alle afbeeldingen en foto's.
Mirjam van Tiel & Coen Barthels © 2004