|




De vrouwen dragen alles op hun hoofd
 
Potholes gevuld met water
(en dit zijn dan nog de kleinere potholes!)


Praia do Xai-Xai

Vergane glorie

Praia de Tofu

Spelen in de oceaan

Een man uit het dorp
komt de kokosnoten plukken


Inhambane


Een straat in Vilanculos


Kamperen
naast de grote baobab


André's 4x4 combinatie


Onderweg naar Bazaruto


Bazaruto


Een Zuid-Afrikaanse braai met André en Riki


Een haven met dhows

Geiten bovenop een vrachtwagen

Tweedehands banden te koop langs de weg

Stukjes grond worden
platgebrand om te verbouwen

Naast de hutten staan graansilo's

Hutten in het binnenland van Mozambique

Een tropische regenbui
 
  
Publiek transport in Afrika
 
Oude tanks herinneren aan de oorlog
|
REISVERSLAG 6 (Mozambique)
Geschreven door: Mirjam, 17-30 november 2003
Op naar Mozambique
Op maandag 27 oktober rijden we vanuit Nelspruit langs de zuidkant
van Kruger naar de grensovergang met Mozambique. Zodra we het terrein
van de grenspost oprijden hebben we het geordende Zuid-Afrika verlaten.
Overal zijn mensen, kleine hutjes gemaakt van karton, golfplaten
en ander afval staan langs de kant van het terrein. Het is onduidelijk
wat iedereen hier doet. Een jongeman wijst ons waar we moeten parkeren,
en zegt dat we met hem mee moeten komen. In een rechthoekig gebouwtje
zitten nog drie jongemannen, op de grond liggen trossen bananen.
Zij bleken van 'The Third Party Insurance' te zijn, de WA-verzekering
voor de auto die je verplicht bent aan te schaffen in enkele Afrikaanse
landen. Wij hebben een plastictasje bij ons waar al onze belangrijke
papieren in zitten die we nodig hebben bij een grensovergang. Geef
dat plastic tasje maar hier zegt de man die ons naar binnen heeft
gehaald, en strekt zijn hand al uit om het te pakken. Echt niet!
Wij doen het op onze manier. Ze hebben onze paspoorten nodig, ze
mogen ze inzien maar pas als ze het ene paspoort hebben teruggegeven
geeft Coen hun het andere paspoort. Wij willen het graag zelf in
de hand houden.
Fixer
Als we klaar zijn met de verzekering biedt de man aan om ons te
wijzen waar we vervolgens naartoe moeten. Voor we het weten is hij
onze fixer. We lopen het grenskantoor binnen waar het een chaos
is van door elkaar lopende mensen. Overal rondom zijn loketten en
staan houten tafeltjes met mannen eraan die 'The Third Party Insurance'
verkopen. Sommige zitten te eten en andere doen een kort slaapje
waarbij ze hun hoofd op het tafeltje laten rusten. Onze fixer praat
met een beambte en vult vervolgens een papier voor ons in. Wij maken
een schatting van wat onze kampeeruitrusting waard is maar onze
fixer vindt het bedrag te hoog. Zo'n hoog bedrag is vragen om problemen
dus hij vult een onbenullig laag bedrag in. We gaan weer terug naar
de beambte en er wordt van alles geregeld. De conversatie gaat in
het Portugees dus wij kunnen het niet volgen.
This is Africa darling!
Als wij ons Carnet de Passage tevoorschijn halen (een document waarbij
je je auto tijdelijk vrij kunt invoeren op voorwaarden van weder
uitvoer) zegt onze fixer dat het niet nodig is om het in te laten
vullen. Volgens ons heeft hij het gewoon nog nooit gezien dus vragen
we hem of hij het toch wil voorleggen aan de beambte. Die heeft
het zéker nog nooit gezien. Wat is dit? Een Carnet de wat?
Nee, dat hoeft niet. Dat heb je niet nodig. De man spreekt weinig
Engels dus onze fixer tolkt voor ons. Coen wordt boos en staat er
op dat het wordt ingevuld. We proberen de man uit te leggen hoe
hij het formulier moet invullen. Maar het hoeft echt niet hoor,
jullie kunnen ook zo Mozambique in, met een formulier van tijdelijke
invoer. Coen kijkt wanhopig en wordt opnieuw boos. Ondertussen spreekt
een Zuid-Afrikaanse dame mij aan en vraagt wat er aan de hand is.
Ik leg het aan haar uit en Coen draait zich verwilderd om en uit
zijn ongenoegen over de gang van zaken. Waarop de Zuid-Afrikaanse
dame haar hand op zijn arm legt en lachend zegt: "This is Africa
darling!" "Ze begrijpen waarschijnlijk niet eens dat je
uit Nederland komt." Als we het nog één keer
proberen en we samen aan de beambte uitleggen dat we het Carnet
toch graag ingevuld willen hebben, is hij bereid om te doen wat
wij vragen. Terwijl we verschillende plekken op het papier aanwijzen
zeggen wij hem wat hij er moet invullen; hier de datum, hier het
land van binnenkomst, hier de naam van de grenspost, hier uw handtekening
en hier een stempel. Weer in de auto bedenken we dat het voldoende
is als we voortaan alleen het stempel maar voor elkaar krijgen,
de rest vullen we dan zelf wel in.
Ze dragen alles op hun hoofd
In het landschap staan hutten met daken van riet in de vorm van
een puntdak. In de buurt van Maputo, de hoofdstad van Mozambique,
staan veel krotten die zijn opgebouwd met plastic. De mensen zijn
arm. De drukte op straat lijkt op die ik ken van foto's uit West-Afrika.
Voorbij Maputo bepalen lage grillig gevormde bomen het groene landschap.
Langs de tweebaans asfaltweg lopen de mensen over de vuurrode aarde.
De vrouwen lijken of zwanger of dragen een baby op hun rug. Op hun
hoofd dragen ze grote plastic jerrycans of zinken emmers. Ook dragen
ze bossen gekapt hout op hun hoofd, soms zijn de grillig gevormde
takken wel twee meter lang. Kinderen lopen langs de kant van de
weg waar automobilisten toch meestal honderd rijden. Geen moeder
die haar kind bij de hand houdt om het te beschermen tegen het voorbijrazende
verkeer. Vanaf dat ze kunnen lopen lijken ze hier aan gewend. Kinderen
lopen met schalen vruchten of tonnen water op hun hoofd. Soms spelen
ze met een fietsvelg en houten stok of slenteren ze wat met hun
vriendjes langs de weg. De mensen zien er vriendelijk uit met hun
ronde aantrekkelijke gezichten.
Potholes en richtingaanwijzers
Opeens houdt de goede weg op en beginnen de potholes. Het wordt
alweer donker. Er zijn hier niet veel campings dus we rijden verder,
uitwijkend voor elke pothole. In de oorlog zijn de meeste wilde
dieren omgebracht waardoor je hier weinig gevaar hebt van beesten
die oversteken. Wel moeten we oppassen voor de auto's die uitwijken
voor de potholes en de auto's die zonder licht rijden. Veel tegenliggers
zetten hun rechterrichtingaanwijzer aan als ze ons of andere auto's
passeren. We proberen te achterhalen wat de reden daarvan is maar
we komen er niet achter. Misschien zijn het alleen de auto's die
geen licht hebben en door het knipperlicht laten zien waar de zijkant
van hun auto zich bevindt, of het is wellicht een plaatselijke groet?
Als we in moerasachtig gebied komen wordt ons het zicht ontnomen
door een wolk van grote vette insecten die te pletter slaan op onze
voorruit. En dan opeens is er een prachtige asfaltweg die ons het
laatste stukje naar Xai-Xai brengt.
Mag het ietsje minder?
Vrolijke jongens gooien onze tank vol en wijzen ons de weg naar
de campismo. In het dorpje Praia do Xai-Xai is het nog een heel
gezoek om in het donker de camping te vinden, maar een kleine jongen
biedt uitkomst. Hij holt voor de auto uit en wijst ons de camping.
Er staat een safaritruck op de camping en nog twee individuele kampeerders.
We staan vlak langs de kust, de zee horen we maar zien we niet.
De nachtwaker meld ons dat hij ons deze nacht zal bewaken. Hij is
gewapend met een zweep. Hij cirkelt om ons heen als we de tent uitklappen
en ons klaarmaken voor de nacht. In het donker zetten we de stoelen
neer en eten een boterham. Ik schrik me rot als ik rechts van me
kijk, de bewaker, die zwart is en die ik dus niet kan zien in het
donker, blijkt vlak naast me te staan. Mag het ietsje minder? We
laten hem weten dat we wat privacy willen. Even later komt hij weer
terug en lacht beschamend, hij had zijn zweep laten vallen naast
onze tafel. Hij pakt hem op en gaat op een gepaste afstand (twee
meter bij ons vandaan) naar ons staan kijken.
Vergane glorie
s'Morgens worden we door onze buren uitgenodigd voor een kop koffie.
André is arts en heeft zijn artsenpraktijk achtergelaten
om een paar maanden door zuidelijk-Afrika te reizen, en Riki heeft
vakantie en reist een stukje met hem mee. Daarna maken Coen en ik
een wandeling over het strand langs de Indische Oceaan, waarna we
vertrekken richting Inhambane. Langs nog meer potholes rijden we
over de lange rechte asfaltweg (de wegen in Afrika zijn vaak lang
en recht, en lopen het hele land door van het zuiden naar het noorden).
Naast hutten staan er in de dorpjes oude vervallen gebouwen uit
de tijd dat de Portugese hier nog zaten. In 1975 verlieten zij het
land en werd het onafhankelijk. Renamo (Mozambique National Resistence),
opgericht door Rhodesië en gesteund door Zuid-Afrika (omdat
zowel de vrijheidstrijders uit Zimbabwe als het ANC zich schuilhielden
in Mozambique) verwoeste scholen, wegen en bruggen. De ruines maken
een trieste indruk, vergane glorie, niemand die de gebouwen afbreekt
of weer opbouwt.
Spelen in de oceaan
Inhambane licht aan een baai, dhows, uitgeholde boomstammen met
een gaffeltuig, liggen aangemeerd aan de pier. Er staan veel oude
gebouwen in het stadje. We rijden verder naar Praia de Tofu waar
we rechtstreeks naar de camping rijden waar Judith en Paul (www.deexpeditie.com)
ook hebben gestaan. De camping bevindt zich in een duinpan die door
een afzetting van rietenmatten wordt gescheiden van de hutten van
de plaatselijke bevolking. Overal staan palmbomen langs de kust.
De kokosnoten hangen hoog boven ons in de bomen. Ze zijn behoorlijk
groot en zwaar en schijnen soms mensen te doden als ze uit de boom
vallen. Op de camping staat een Engelse Land Rover. Zij hebben hun
auto laten verschepen vanuit Ghana naar Durban (RSA). Ze hadden
het helemaal gehad met alle politieposten in West-Afrika en alle
onderhandelingen die daarbij hoorde. Ook was het op dat moment niet
mogelijk om de grens van Tsjaad naar Sudan te passeren. Voor de
rest waren er allemaal backpackers op de camping. Achter de hoge
duin lag de Indische Oceaan. We hebben heerlijk gezwommen en gespeeld
in de oceaan. Overdag was het al zalig om over en onder de golven
heen te duiken, maar aan het eind van de dag was het een waar genot.
De golven waren hoog en de stroom sterk. Drie dagen, twee maal daags
bevonden we ons tussen de golven en hadden het erg naar onze zin.
Ongelode benzine
In Inhambane doen we wat boodschappen, een jongetje vraagt of hij
op onze auto mag letten. Als we na tien minuten terug komen is hij
nergens te bekennen. Uit de verte komt hij aangerend, hij heeft
in de tussentijd ook even een boodschapje gedaan. We geven hem toch
een munt van 1000 meticais (spreek uit: meterkast), maar dat vindt
hij te weinig. Hij is beledigd en vraagt om meer. We geven niets
extra en boos gooit hij de munt terug in onze auto. We rekenen uit
wat de waarde was van de munt. Het is nogal ingewikkeld met al die
nullen. Eén Amerikaanse dollar is 25.000 meticais waard.
Dus het was inderdaad niet erg veel wat we hem gaven maar een brood
kost 5000 meticais dus als hij vijf keer tien minuten op een auto
past (en tussendoor een boodschapje doet) kan hij een brood kopen.
We gaan naar het benzinestation. Er is alleen nog maar gelode benzine
te krijgen. Coen heeft niet voor niets de katalysator onder de auto
uit gehaald, maar hij vindt het toch eng om voor het eerst benzine
met lood te tanken. Hij vraagt zich af hoe het motor-managementsysteem
zal reageren en of de injectors geen storingen zullen gaan vertonen.
Maar het gaat goed en na vijftig kilometer is de binnenkant van
de uitlaat grijs gekleurd zoals in de jaren zeventig gebruikelijk
was.
De een zijn dood is de ander zijn brood
Nadat we de kustweg hebben verlaten komen we weer op de hoofdweg
uit. Langs de weg staan lage bomen die je het uitzicht ontnemen.
De hutten hebben hier houten deuren die uit huizen afkomstig zijn.
Langs de weg lopen vrouwen die van alles op hun hoofd dragen. Alles
gaat lopend, er zijn geen ossenwagens of ezelkarren, zelfs geen
handkarren. Binnen een afstand van twintig kilometer zien we vijf
albino's. De weg zit vol potholes en het duurt even voordat ik de
slag weer te pakken heb (ik belandde met twee voorwielen in een
pothole, waar Coen niet echt blij van werd). Soms is de weg even
beter en kun je wat vaart maken, dat wordt het einde van een parelhoender.
De parelhoender komt rechts uit de bosjes en rent als een bezetenen
recht onder de auto. Ik rem maar kan verder niets doen en we horen
een harde klap. We zijn bang dat het beest nog onder de auto hangt
dus Coen gaat kijken. Hij verdwijnt aan de voorkant van de auto
uit het zicht en als hij weer opstaat heeft hij in zijn rechterhand
een veer. Dat was het enige dat over was van de parelhoender. We
hopen maar dat iemand de dode parelhoender vindt en hem lekker oppeuzelt.
We zoeken het zelf wel uit
We komen aan het eind van de dag aan in Vilanculos, een kustplaatsje.
We hebben van de Engelse overlanders de coördinaten van Baobab
campismo gekregen en rijden in die richting. We belanden met Iz
op de markt. Het is er heel druk, rommelig en vies. We rijden over
de zandpaden verder totdat we bij de kust uitkomen. De GPS geeft
de richting aan maar we komen op een of ander vaag zandpad dat volgens
ons niet goed kan zijn. We vragen aan voorbijgangers waar de camping
is, maar ze weten niet waar die is of ze willen er ons tegen een
vergoeding heenbrengen, wat wij niet willen. Jongetjes rennen mee
met de auto en proberen erop te springen. Als ze niet ophouden gooit
Coen de deur open en rent hun boos achterna. We zien een blanke
en vragen het aan hem. Deze Mozambiquaan zegt dat hij net een drankje
aan het drinken is in de bar met een landgenoot van ons. Als we
willen weten waar de Baobab camping is moeten we met hun een drankje
komen drinken. Als we dat niet doen zegt hij, net als zijn landgenoten,
dat we het maar lekker zelf moeten uitzoeken. Dat doen we dan ook!
We zien een camping maar deze is niet degene die wij zochten, deze
is te duur, dus we gaan weer terug. We zien André en Rikki
op de camping staan en toeteren als groet met onze nieuwe drietonige
luchthoorn. We vragen nog tien keer naar de weg en dan eindelijk
komen we uit bij Baobab Beach. De coördinaten klopte alleen
de weg erheen was bijna onmogelijk om te vinden. De camping ligt
midden tussen een drukke wijk van hutten.
In het midden van nergens
De camping zag er niet gezellig uit. Het zag er meer als een werkplaats
uit. Er stond een oude vrachtwagen, mannen waren bezig hout te kappen
en vrouwen uit de wijk kwamen bij de kraan water halen. We reden
naar de receptie, annex bar en stapte uit de auto. Een enthousiaste
aardig vrouw verwelkomde ons en vertelde dat het hier prima toeven
was. Het barretje was aan het strand gelegen, expats dronken er
een drankje en aten er een pizza. We sloten ons aan. In het midden
van nergens is dan opeens zo'n plek waar Europeanen elkaar treffen
en een biertje drinken. Iz stond vlak naast de grote Baobab geparkeerd.
s'Morgens spraken we met twee Duitse ex-overlanders en belde op
het strand via de satelliettelefoon met de mama's. We belde mijn
ouders uit bed. We wisten wel dat in Nederland de wintertijd was
ingegaan, maar hoe laat het in Mozambique was wisten we niet precies.
De drukke, stoffige, stinkende markt
Ons plan was om de hoofdweg langs de kust te verlaten en een route
binnendoor te nemen. De hoofdweg is vrij eentonig en we wilde ook
wel iets meer van Mozambique zien. We reden naar de markt om brood
en eieren te kopen. Coen bleef bij de auto terwijl ik over de drukke,
stoffige, stinkende markt op zoek ging naar de bakker. Een kleine
jongen wees me de weg voor 1000 meticais. Bij een supermarktje waar
ik eieren haalde stond ik ingeklemd tussen de mensen voor de kassa.
Het is gebruikelijk om lekker dicht tegen elkaar aan in de rij te
staan. Als ik bij de auto terugkom zie ik dat Coen staat te praten
met André en Riki. Ze waren op zoek gegaan naar ons om te
vragen of we hen wilden vergezellen voor een dagtocht naar een van
de eilanden. We besloten om onze plannen om te gooien en met hun
mee te gaan. Een groep kinderen stond om ons heen en bedelde om
geld en eten. Toen ik in de auto stapte stonden er een paar naast
mijn deur en ik lette goed op de waardevolle dingen in mijn broekzak.
Bestolen
Op de camping dronken we koffie en André kwam erachter dat
hij net op de markt bestolen was. Ze hadden de schop en de gevarendriehoek
van zijn Land Rover gestolen. Toen ik naar de auto ging om mijn
(duren) zonnebrandcrème uit het zijvakje van de deur te pakken
bleek ook deze gestolen te zijn. Later kwamen we erachter dat de
kapjes van onze nieuwe spotlight gestolen waren en dat ze geprobeerd
hadden ook onze schop van de auto te stelen. André was woedend
en was later nog terug gegaan naar de markt om te kijken of zijn
spullen al te koop werden aangeboden. Als hij ze gevonden zou hebben
zou hij de kleine dieven een pak rammel gegeven hebben. André
sprak met een flinke dosis zelfspot zijn Zuid-Afrikaanse mening
uit over de tegenstellingen tussen blank en zwart. Volgens hem zag
de zwarte bevolking van Afrika blanken niet als medemensen maar
als voorbijkomende geldmachines, waar iets te krijgen of te halen
is.
Onderweg naar Bazaruto
De volgende dag stonden we met zijn vieren om zeven uur klaar voor
vertrek. Er moesten vier zwemvesten mee, die niet als in het geordende
Nederland een eigen plek hebben, maar overal vandaan gehaald moesten
worden. Eén uit het kantoortje, één uit een
schuurtje, één van achter het schuurtje en één
bij de buren vandaan. Toen was er nog een klein probleempje. De
buitenboordmotor was niet in orde. Hij werd van de boot afgehaald
en er werd iemand gezocht die hem kon maken terwijl een andere buitenboordmotor
werd uitgeprobeerd. Er was niemand te vinden die de motor kon maken
en de andere motor was ook niet goed. Dan toch maar weer de eerste
motor op de boot bevestigen en we konden vertrekken. De tocht zou
(met deze motor) twee uur gaan duren. Halverwege stak de wind op
en de golven klotsten over de rand van de boot. Coen en André
werden kletsnat. De golven werden steeds hoger, de zon liet zich
niet meer zien en Coen en André kregen het koud. Maar goedgemutst
gingen we verder. Toen we eindelijk het eiland naderde koerste de
boot op open zee af. De golven zagen er daar wel erg hoog uit en
ik vroeg aan onze twee begeleiders of dit wel juist kon zijn. Recht
vooruit zag ik geen eiland, ik zag alleen maar water. De boot ging
te keer onder de grote golven waar we recht tegenin voeren. De boot
maakte een alarmerend krakend geluid als een hoge golf hem in één
keer naar beneden liet vallen. Maar volgens onze begeleiders was
het de moeite waard, we naderde het koraalrif waar we konden gaan
snorkelen.
Zitten hier dan geen haaien?
Bij het koraalrif gingen we voor anker. André en Riki lagen
meteen in het water. Zitten hier dan geen haaien zo ver op open
zee? De boot stuiterde op de golven en het duurde even voordat Coen
en ik ook in het water lagen. Ik ben opgegroeid in Waterland (Landsmeer)
en mijn zus en ik waren altijd aan het zwemmen, zeilen of schaatsen,
maar snorkelen had ik nog nooit gedaan. Ook al werden mijn zus en
ik waterratjes genoemd, mijn eerste keer snorkelen was niet zo'n
succes. De golven torende anderhalve meter boven me uit terwijl
ik probeerde adem te halen door het mondstuk. Na tien minuten gaf
ik het op. Ik keek zonder het mondstuk door mijn duikbril naar benden
en zag grote blauwe vissen zwemmen en ronde stukken koraal op de
bodem liggen. De zee was zo wild dat ik maar weer in de boot klom.
Coen was ondertussen optimaal aan het genieten, hij zwom en snorkelde
naar harte lust. Hij vertelde dat het ongelofelijk mooi was om de
vissen, het koraal en de grote zeesterren te zien.
Bazaruto
Op het eiland picknickte we en André en Riki lieten
zich daarna door de stroom langs het eiland drijven terwijl ze naar
de vissen in het Kanaal van Mozambique (zoals dit deel van de oceaan
tussen Mozambique en Madagaskar heet) keken. Coen gaf me snorkel
les. Het was een nieuwe wereld voor mij. Ik vond het vreemd dat
ik deze onderwaterwereld kon zien en tegelijkertijd kon ademhalen.
We zagen allerlei gekleurde en gestreepte vissen. We lagen nog wat
in de zon en kochten vissen van een visser die kwam aangezeild in
een dhow. Om drie uur vertrokken we weer want anders zouden we niet
voor het donker terug zijn.
Ze zag er treurig uit
Het water was prachtig turquoise gekleurd. We voeren langs andere
witte zandstrandeilanden waar luxe zeiljachten lagen afgemeerd.
De zee was redelijk kalm toen we vertrokken maar werd steeds ruiger.
Golven klotste over de rand van de boot en we werden nu allemaal
nat. De plaatselijke bevolking gebruikt dhows als transport middel
van het ene eiland naar het andere en naar het vaste land. Een dhow
kwam voorbij gezeild en men riep naar ons dat zij passagiers hadden
die onze kant op wilden. De boten kwamen naast elkaar te liggen
en een baby (van anderhalf jaar oud) werd vanuit de dhow in mijn
armen gedrukt. De moeder en vader stapte ook bij ons aan boord.
Ze konden niet ouder dan veertien zijn. André had voor zichzelf
een plekje voor in de boot gemaakt. Hij lag onder een handdoek met
zijn hoofd op een zwemvest en probeerde een dutje te doen. Wat onmogelijk
was door het stampen van de boot op de golven en het water van de
golven dat ons allemaal nat maakte. André bleef stug doorgaan
met sigaretten roken, ook al koste het heel wat moeite om de sigaretten
aan te steken en droog te houden. Omdat André voorin lag
moest de rest van ons zo veel mogelijk naar achter zitten zodat
de boot door de golven zou komen. Alleen het meisje met haar baby
zat op het bankje net achter André. Ze zag er treurig uit.
Ze was net als ons helemaal nat. Maar voor ons was dit een toeristisch
uitstapje en ik kon er de lol wel van in zien, maar voor haar was
dit afzien. Net als op de heenweg werden we een stukje begeleidt
door een paar dolfijnen. Wij, toeristen, waren opgewonden aan het
wijzen, maar het meisje was helemaal niet geïnteresseerd. Toen
André haar aanbood het kind voorin te nemen zodat hij droger
zou blijven keerde ze hooghartig haar hoofd af. Het kind was nat,
de boot ging te keer en de tocht leek eindeloos te duren, maar hij
gaf geen krimp. Je ziet hier weinig kinderen huilen. In Nederland
zou het kind al lang uit ontevredenheid zijn gaan jammeren.
Een Ami in Afrika
Op de camping was een Ami 8 gearriveerd. Nadat we gedoucht hadden
en drogen kleren hadden aangetrokken kwam de Franse eigenaar naar
ons toe. Deze typische Fransman met grijze halflange haren reed
samen met zijn vrouw door zuidelijk- en Oost-Afrika. Aan de achterkant
van de auto hadden ze een zelfgemaakte tent bevestigd. Ze hadden
weinig bij zich, de auto was niet uitgerust met GPS of andere elektronica.
De man bleek 78 jaar te zijn. Bewonderenswaardig en uniek dit stel
in hun Ami! Hij vertelde dat hij thuis in de Dordogne nog meer Ami's
had en hij was voorzitter van de Ami-club. Als we in Frankrijk arriveerde
moesten we zeker langskomen.
Regenwater verzamelen
Vanuit Vilanculos reden we door naar het Noordwesten. Langs de weg
lopen de vrouwen met tonnen water op hun hoofd, boven op volgeladen
vrachtauto's liften mensen en geiten mee (De geiten worden levend
meegenomen op lange afstand transporten zodat de chauffeur en de
medereizigers niet van de honger omkomen als ze pech onderweg krijgen
en misschien wel een week moeten wachten op hulp.) Stukjes grond
worden platgebrand om te verbouwen, overal zie je vuurtjes en rook.
Ananassen worden verkocht langs de kant van de weg, waar ze ook
groeien. Een tropische regenbui maakt de weg nat en vult de potholes
met water. Mensen komen met emmertjes aangelopen. Ze scheppen het
water uit de plassen, waarschijnlijk scheelt het hun een tocht naar
de dichtstbijzijnde waterput. Coen vraagt zich af waarom ze niet
een betere manier bedenken om het regenwater te verzamelen. Misschien
ontbreekt het geld om welk idee dan ook uit te voeren? Er zijn weinig
campings en benzinestations in Mozambique. Wel wordt er onderweg
benzine aangeboden in flessen en jerrycans. We wachten toch liever
totdat we een benzinestation tegenkomen. We kennen de verhalen van
vervuilde benzine en jerrycans die soms wel voor de helft met water
gevuld zijn. Chimoio is een stad waar elektriciteit is en waar we
de tank vol laten gooien voor 840.000 meticais. (In 1986 was dit
bedrag nog hfl 42.000,- waard, nu nog hfl. 70,-.) Het is al donker
als we daar aankomen. Na 560 km komen we om half tien s'avonds aan
bij Casa Masica niet ver van Mutare, waar we kamperen.
Campismo Jesus
Na het ontbijt rijden we terug naar Chimoio om boodschappen te doen.
Hier is namelijk een grote supermarkt, de eerste die we tegenkomen
in Mozambique. Het terrein waar nog een paar andere winkels zijn
wordt zwaar bewaakt. De boodschappen zijn duur, boodschappen doen
bij de supermarkt is maar voor een enkeling weggelegd. We rijden
naar de afslag die ons via Tete naar Zambia zal brengen. Het landschap
ziet er Toscaans uit, heel anders dan langs de kust. We zigzaggen
over de weg om de potholes te ontwijken. Ik vind het dodelijk vermoeiend
om zo te rijden dus Coen rijdt het meeste. Het landschap verandert
weer. In de schemer zien de nog smeulende vuren en de grote baobabs
er mystiek uit. In het donker komen we in Tete aan. Tete is een
grote stad. We steken de Zambezi over op zoek naar de enige camping,
campismo Jesus. We rijden aan de ander kant van de Zambezi over
een aardeweg naar een plek die wordt afgescheiden door een rietenhek,
de camping. Nee hè, we zijn doodmoe en nu zitten we hier
als enige toeristen in een of andere achterbuurt. We proberen er
het beste van te maken, en als we wat gegeten hebben blijkt het
best mee te vallen. De eigenaars, een hele familie, zijn erg aardig
en laten kinderen bij de plaatselijke bar koele drankjes voor ons
halen. Even later komen de Zuid-Afrikaanse motorrijders, die we
ook al ontmoet hadden in Vilanculos, de camping oprijden.
We naderen de grens van Zambia
We staan vroeg op. Als we wegrijden zien we dat de buurt waar de
camping zich bevindt juist een betere buurt is. De hutten hebben
allemaal een stuk grond dat afgezet is met rietenmatten en de mensen
op straat gaan goed gekleed, de mannen soms in tweedelig pak. Het
landschap onderweg lijkt op dat van Pilanusberg, alleen staat het
vol met baobabs en staan er langs de kant van de weg oude tanks
die herinneren aan de oorlog. We naderen de grens met Zambia.
Niets uit bovenstaande tekst mag worden
gepubliceerd zonder voorafgaande toestemming van de auteurs.
Het zelfde geldt voor alle afbeeldingen en foto's.
Mirjam van Tiel & Coen Barthels ©
2003

|