|
 
Hier is dus al het wild!
 
Altijd eerst tanken
 
Een lange weg vol met olifanten
 


 
Elna in Pharma Nord
 
Frank en Peggy,
op de fiets door Afrika
http://members.lycos.nl/frere/
 
Crossen over de zoutpan
 
Aap naast onze daktent
in de lianen
 
Coen met gezelschapdier, het wrattenzwijn
 
We vinden het net een koe
 
Het zandpad naar Savuti
 
De motor kan afkoelen en Mirjam
kan even bijkomen
 
Giraffe onder boom in Chobe
 
Coen kijkt uit naar wild
 
De vrachtwagen gepasseerd,
ze staan er al twee dagen met pech
 
The Big Three, Land Rover, Toyota, Jeep
 
Kampvuur maken om
de leeuwen op afstand te houden
 
Zonsopgang bij ons bushcamp
 
Dat we voor kudu's op moeten
passen snappen we zelf ook wel
 
De onderkant van een weavers nest
 
Coen test Touratech, direct via
de lap-top aangesloten op de GPS
 
Door de rivierbedding,
langs de grens met Zuid-Afrika
 
Mirjam rijdt de zandduin weer af
|
REISVERSLAG 4 (Zimbabwe en Botswana)
Geschreven door: Mirjam, 1-20 oktober 2003
Zambia of Zimbabwe kant?
We hebben het al aan veel mensen gevraagd; moet je de Victoria watervallen
nu van de Zambia- of Zimbabwe-kant gaan bezichtigen? Iedereen zegt
wat anders, maar eigenlijk moet je ze van beide kanten gezien hebben.
Wij willen toch een keuze maken, maar nergens is hierover informatie
te verkrijgen. Volgens de dame achter de balie bij Zambezi Lodge
moeten we de Namibië-, Botswana-kant doen. Namibië-, Botswana-kant,
die bestaat toch helemaal niet?
Nu snappen we er helemaal niets meer van. Op de kaarten die we hebben
staat het ook niet duidelijk aangegeven. Vanuit Katima kun je meteen
de rivier over naar Zambia of je rijdt naar het zuidoosten en gaat
eerst de grensovergang naar Botswana over, naar de Zimbabwe-kant.
We besluiten om naar Kasane in Botswana te rijden, daar kun je ook
nog beslissen om via het pontje naar Zambia te gaan.
Onbeleefd
Als we vertrekken voelt Coen zich weer een beetje koortsig. Bij
Ngoma Bridge steken we de grens over. De beambten aan de Namibiaanse
kant zijn ongeïnteresseerd en keuren je geen blik waardig als
je het papiertje, dat je net hebt ingevuld, bij hun inlevert. Ze
kletsen gewoon door met hun collega's in hun eigen taal terwijl
ze de papierwinkel afhandelen. Niet erg beleeft, maar dat kan ik
ook. Zonder iets te zeggen pak ik de papieren aan en loop het gebouw
uit. We rijden tot aan de slagboom en wachten tot het duidelijk
wordt wat we moeten doen.
Weer zo'n onaardig mens die met handgebaren aangeeft dat we de auto
uit moeten komen. Kan dat iets beleefder? Ik doe net of ik het niet
begrijp, dan komt ze naar ons toe lopen en geeft met heel weinig
woorden aan dat we eruit moeten komen om een boek in te vullen.
Als we dit gedaan hebben mogen we de slagboom passeren.
Aardig
Aan de andere kant van de rivier, een breed stuk niemandsland waar
boeren hun vee langs het water laten grazen, is de grenspost van
Botswana. We rijden omhoog de rivierbedding uit, in de weg bevindt
zich een grote bak vol met een ondefinieerbaar goedje waar je met
je auto door heen moet rijden. We zien niemand, snel passeer ik
de bak zonder er doorheen te rijden. We parkeren de auto en lopen
het gebouw binnen. We moeten weer een zelfde formulier invullen
als bij de Namibiaanse grenspost.
We verwachten een ongeïnteresseerde, onbeleefde behandeling
en stellen ons defensief op. Maar deze meneer maakt grappen, hij
moet ons dit uitleggen voordat we het doorhebben. Hij blijkt erg
aardig te zijn en omdat we Nederlanders zijn spreekt hij ons in
het Afrikaans aan.
Bij de slagboom word ik gesommeerd uit de auto te komen, om te laten
zien wat er allemaal in onze auto zit. Nee hè, waarom altijd
dat machtsvertoon. (Mannen en uniformen!) Ik maak de achterbak open.
Hij vraagt wat er allemaal in die kisten zit. Ik leg uit: "Eén
kist met kookspullen, één kist met eten, één
kist met kleren van mijn man (we doen altijd alsof we getrouwd zijn),
één kist met mijn kleren, één kist met
gereedschap en reserve onderdelen voor de auto en één
kist met boeken en andere hobbyspullen."
Waarom hebben we dat allemaal bij ons, en waarom heeft de auto zo
weinig cijfers op het nummerbord? Ik leg uit dat we de auto verscheept
hebben en dwars door Afrika terug naar Nederland rijden. Ik neem
hem mee naar de zijkant van de auto, laat hem het logo zien en wijs
de route aan. Nu snapt hij het. Wat een leuk idee, helemaal te gek.
Maar dwars door Afrika, dat is nogal wat. Dan moet je toch wel eh...
Those grazy Dutchmen maakt Coen de man zijn zin af. De beambte moet
hartelijk lachen. Hij wenst ons een goede reis en laat ons door.
Ook deze man blijkt aardig te zijn, hij snapte er alleen niets van.
Waarschijnlijk nog nooit een overlander tegen gekomen.
Game
Om naar Kasane te komen rijdt je de transit route door Chobe (National
Park). Meteen zagen we een sabel antilope en even verderop stond
een grote groep olifanten in de schaduw van een paar bomen. Hier
is dus al het wild! Hier is ook water, in tegenstelling tot in de
Caprivi Strip, daar stonden alleen borden met waarschuwingen voor
olifanten, maar hier zijn alle olifanten.
Heel anders
Als we Kasane binnen rijden valt ons meteen op hoe anders de mensen
hier zijn in vergelijking tot Namibië. De mensen zijn groot
en breed en ondanks de enorme hitte loopt iedereen hier pittig door.
Mensen hebben energie, en het lijkt erop dat het goed gaat met Botswana.
Mensen gaan modern gekleed, alsof ze net bij Sizzy boy of Foxy Fashion
vandaan komen. Ook rinkelen er weer mobiele telefoons om ons heen,
net als thuis. De mensen die zich geen mobiele telefoon kunnen permitteren
kunnen op straat via iemand anders zijn mobiele telefoon bellen.
Er staat op een pleintje een tafel met stoelen, op de tafel liggen
een paar mobiele telefoons. Iedereen die wil bellen kan gaan zitten
en koopt een aantal minuten. In Botswana wonen in tegenstelling
tot Namibië weinig 'Europeanen' (blanken), alle winkels en
bedrijfjes zijn dan ook in handen van de zwarte bevolking.
Het doet hier allemaal heel westers aan.
Onderdrukt
In Namibië zijn nog steeds duidelijk de gevolgen van het Zuid-Afrikaanse
apartheidsregime te merken. De manier waarop blank en zwart met
elkaar omgaan is vaak niet gelijkwaardig. Dit geldt echter niet
voor de mensen met hogere opleiding.
In Botswana is hier niets van te merken, de zwarte bevolking is
zelfverzekerd en trots. Ze doen me denken aan de bevolking van Amsterdam,
waar niemand op de stoep een stap op zij wil doen, en zelfbewust
zijn ruimte inneemt.
Safaridorp
Het eerste wat we doen als we in een dorp of stad aankomen is naar
het benzinestation rijden. We laten de tank altijd tot de rand toe
vullen omdat het wel eens kan voorkomen dat die laatste liters het
verschil uitmaken. In totaal hebben we 150 liter benzine bij ons,
waarvan 60 liter op het dak. Hier in Kasane komen alle stoere 4x4
rijders samen. Het is het verzamelpunt waarvandaan men naar Chobe
en Moremi gaat over 4x4 tracks van diep zand.
Op het benzinestation staan de fully equipt Toyota's en Land Rovers
naast ons geprepareerde Jeepie. Ook bij de Spar staan volgepakte
fourwheeldrives met jerrycan's, daktenten en extra banden op het
dak.
Duur hier
Het is algemeen bekend dat in Botswana alles belachelijk duur is,
vooral de wildparken en de campings. En dan hebben ze zo'n beetje
heel Botswana opgedeeld in wildparken, waardoor je als je mooie
gebieden wilt bezoeken gedwongen wordt om erdoor heen te rijden
en entree te betalen. Voor we op reis gingen heb ik een stuk gelezen
over de San in Botswana. Zij schijnen te worden verdreven uit de
Kalahari waar ze al eeuwen leven en jagen, enkel en alleen omdat
er geld moet worden verdiend met toerisme.
Maar ook boodschappen doen is hier enorm duur, nog duurder dan boodschappen
in Nederland na de invoering van de Euro.
Naar de dokter
Omdat we de koortspieken van Coen toch niet helemaal vertrouwen
besluiten we dat Coen maar een malaria test moet gaan doen.
Ik heb in de Lonely Planet gelezen dat het goed gesteld is met het
niveau van de gezondheidszorg in Botswana. Maar het ziekenhuis ziet
er van binnen shabby uit, de dokter is lunchen en de zuster vraagt
of we over anderhalf uur maar terug willen komen.
We twijfelen of dit goed kan zijn, het ziet er niet hygiënisch
uit. In het dorp zien we een privé-kliniek. We gaan daar
naar binnen en worden ontvangen door een aardige grote Zimbabwaan.
Naar aanleiding van de symptomen die Coen opnoemt legt hij uit dat
het hoogst waarschijnlijk geen malaria is, maar voor de zekerheid
doet hij een testje. Het is een quick scan blood test, waarvoor
ze ons op de EHBO cursus voor in de tropen, in het Havenziekenhuis
van Rotterdam, gewaarschuwd hadden dat het niet honderd procent
betrouwbaar is. De uitslag is negatief, volgens de arts is hetgeen
Coen heeft hoogstwaarschijnlijk een griepje dat op het moment heerst.
Gerustgesteld rijden we naar Chobe Safari Lodge, waar we een schunnig
hoog bedrag moeten betalen om te kamperen. Bordjes waarschuwen je
voor de krokodillen en de nijlpaarden, die niet altijd even vriendelijk
schijnen te zijn. We wassen onze kleren, maken een vuur en kijken
naar de olifanten die aan de overkant van de rivier in de wei staan
te grazen (zo lijkt het).
Zoals altijd gaan we niet lang na de Afrikaanse zonsondergang naar
bed. Onze auto met het logo waar de route op staat, heeft net als
op alle andere plekken waar veel Europese toeristen zijn, veel bekijks.
Mensen gaan soms uitgebreid de tekst op de sticker voorlezen en
de route bespreken terwijl wij boven in ons daktentje liggen. Privacy
heb je hier niet.
Zimbabwe-kant
s'Morgens ontmoeten we Michiel, een Amsterdamse Jordanees die al
jaren in Harare woont. Hij verhuurt trucks aan Nederlandse reisorganisaties
en rijdt voor deze organisaties Nederlanders rond door zuidelijk
Afrika. Volgens hem is de Zimbabwe-kant mooier, daar kun je over
een grotere afstand langs de watervallen lopen.
We vertrekken naar de grens van Zimbabwe. Het wordt een dure grap,
het geld komt allemaal 'ten goede' aan de president Robert Mugabe,
die het volk laat hongeren en het er zelf van neemt.
We betalen voor ons visa, we betalen voor de auto, we betalen voor
de vervuiling die onze auto gaat veroorzaken en we moeten een autoverzekering
aanschaffen. US$120 lichter rijden we Zimbabwe in. Een lange weg
vol met olifanten leidt ons naar het plaatsje Victoria Falls.
Geld
Met uitgestrekte arm, knippend met de vingers, gebaren jongens op
straat dat we bij hun geld moeten wisselen (de inflatie is 35 procent
en iedereen probeert koortsachtig Zim dollars te wisselen voor buitenlandse
valuta). Op de parkeerplaats bij de entree voor de watervallen worden
we omsingeld door jongens die ons houtsnijwerk en frisdrank willen
verkopen. Het maakt niet uit wat we doet ze blijven om ons heen
cirkelen. Het is te overweldigend en we rijden weg om een camping
te zoeken.
Als we weer terugkomen is de auto direct weer omsingeld door de
jongens met hun uit hout gesneden olifanten, nijlpaarden en the
big five. Het gaat erg slecht met de bevolking van Zimbabwe en ik
wil best een nijlpaard kopen van een van de jongens. Coen ziet het
niet zitten, maar ik beloof een van hen dat als we terugkomen van
de watervallen ik in overweging neem het nijlpaard te kopen. Met
de kluwen jongens achter ons aan lopen we naar de ingang van de
Falls. Zim Dollars willen ze hier niet hebben, we kunnen betalen
in Pula, Zuid-Afrikaanse Rand of US Dollars. We betalen in Pula
een bedrag van 85 Euro. Klagen dat we het te duur vinden helpt niet.
Coen vraagt een plattegrondje maar dat hebben ze niet. Belachelijk
vindt Coen het, zoveel geld betalen en dan kan dat er niet eens
vanaf. Even later komt een jongen achter ons aangerend met een plattegrond
van het park. Coen bedankt hem. Maar dat was niet de bedoeling.
Hoeveel heeft hij er voor over? Dan is hij bij Coen toch echt aan
het verkeerde adres. Dan maar geen plattegrondje.
Victoria Falls
Op het eerste gezicht valt de indrukwekkendheid van de watervallen
me tegen. Dit heb ik wel vaker gemerkt met fenomenen die ik eerst
alleen op plaatjes heb gezien. Je ziet prachtige beelden op tv van
natuurverschijnselen en in het echt ziet het er kleiner, minder
groots uit. Ik herinner me dat de leraar kunstgeschiedenis op de
Rietveld vertelde dat Amerikaanse studenten teleurgesteld waren
toen ze voor het eerst een echte Paul Klee in een Europees museum
zagen. Tijdens de les hadden ze dia's van zijn werk gezien die zo'n
twintig keer uitvergoot waren, de originelen leken weinig op de
reproducties. Ook ik moest eerst het replicabeeld van me afschudden
om van de echte Vic. Falls te kunnen genieten. Filmend met mijn
videocamera zie ik hoe je door audiovisuele middelen bedonderd wordt.
Met de 72 x zoom kan ik me wanen in het naar beneden klaterende
water en valt alles eromheen weg.
We lopen langs de klif, waar we telkens een ander uitzicht hebben
op de watervallen. Aan het eind van de klif kijken we uit op de
mensen die voor de Zambia-kant hebben gekozen. We kijken over de
rand in de diepe klif. Van de Zambia kant springen mensen van de
brug aan een bungyjump-koord. Niets voor ons!
Het is broeierig heet, af en toe worden we afgekoeld door de nevels
van de watervallen. Na drie uur zijn we voldaan maar erg moe.
Terug op de parkeerplaats worden we belaagd door de verkopers.
Ik probeer een deal te sluiten met de nijlpaardenverkoper maar we
kunnen het niet eens worden over de prijs. Als hij merkt dat we
afhaken kan het opeens wel voor minder maar ondertussen zijn de
verkopers zo opdringerig dat we ons niet meer op ons gemak voelen.
De parkeerwachter helpt ons naar en in onze auto. Snel doen we de
deuren op slot, rondom staat het volgepakt met de verkopers. Het
wordt ons te veel en zonder de aardige parkeerwachter te betalen
rijden we weg. De jongens half omverrijdend.
Bij de supermarkt blijft Coen bij de auto en ik ga naar binnen om
frisdrank te kopen. Bij de kassa moet ik 75.400 Zim dollar betalen,
gelijk aan 11 Euro. Zo'n dorst hebben we ook weer niet, ik laat
het bij de kassa staan en loop met lege handen terug naar Coen.
Een zware nacht
Coen is helemaal total loss, hij kan het zelfs niet meer opbrengen
om te eten. Ik ben ook afgepeigerd dus we kruipen vrij snel onze
daktent in. We hebben nog niet geslapen als Coen zegt dat hij het
wel erg warm heeft. Buiten en in de tent is het erg warm maar Coen's
lichaam gloeit helemaal. Ik ga de thermometer halen, Coen blijkt
38,5 graden koorts te hebben. Dit is al de derde keer dat hij koorts
heeft, zou hij toch malaria hebben?
We zijn de enige gasten op de camping en veel vertouwen om een goede
arts in het dorp te vinden hebben we niet, dus we wachten het maar
af. Ik haal water en laat hem drinken. We bespreken wat ik moet
doen als de koorts hoger dan 40 graden wordt. Ik ben doodsbang.
Ik ben dit niet gewend, ik heb geen kinderen, en zelf heb ik maar
een keer hoge koorts gehad in mijn (volwassen)leven. Ik ben bang
dat hij gaat ijlen en dat ik in mijn eentje de beslissingen moet
nemen. Waren we maar in Kasane, daar is een dokter. Maar we zullen
eerst de grens over moeten om daar te komen. Het water is op en
in het donker zet ik de waterzuivering aan en vul de flessen bij.
Ik koel Coen's voorhoofd, nek en rug met een in water gedrenkte
handdoek. Om het kwartier nemen we de koorts op en hij klimt naar
de 39,6 graden. Coen wil niets horen van een plaatselijke dokter,
daar schieten we volgens hem niets mee op.
Ik ga paracetamol halen om de koorts te drukken. Ik haal ook alle
boekjes en folders die we over tropische ziektes hebben en lees
alles door. De symptomen lijken niet precies op die van malaria
(tropica) dus we maken de afweging om niet met de Malarona noodbehandeling
te beginnen. De koorts neemt af en Coen valt even in slaap. Ik dommel
weg maar wordt wakker van Coen die de thermometer heeft gepakt,
weer loopt de koorts hoog op. Ik had gehoopt dat we het gehad hadden.
Ik ben bang dat de koorts boven de 40 graden uitkomt dus hij neemt
weer twee paracetamol om de koorts te drukken.
Jezus Christus, wat voel ik me ver van huis en alleen. Ik bedenk
wat ik allemaal moet doen voor we morgen kunnen wegrijden. Coen
aankleden en in de auto zetten, maar ik heb hem toch even nodig
om de tent aan te pakken als ik hem inklap. Kan hij dat wel, en
zo niet hoe kan ik het dan doen? Ik koel Coen nog wat met de natte
handdoek. Hij heeft het heet en dan weer koud. Maar hij blijft me
geruststellen en ik probeer hem gerust te stellen. We vallen allebei
in slaap. Als ik wakker word is de zon net op, Coen slaapt en zijn
lichaam voelt niet meer zo heet aan. Moet ik hem laten slapen of
moet ik zo snel mogelijk met hem naar Kasane rijden?
Slaap is goed, dus ik laat hem nog maar even liggen. Zodra hij zijn
ogen opent vraag ik hem of ik hem naar Kasane zal rijden, waar hij
mee instemt. Ik laat hem nog even liggen terwijl ik al zoveel mogelijk
alles klaarmaak voor vertrek. Hij zegt vooral heel moe te zijn maar
voor de rest voelt hij zich wel weer een stuk beter.
Stress
We rijden terug naar de grens, een groep olifanten steekt de weg
over. Er zitten knoeperds van mannetjes olifanten tussen. We stoppen
op gepaste afstand terwijl ze oversteken. Leuk kan ik het op dit
moment niet vinden, alles voelt als extra stress.
Ik weet niet wat er met Coen aan de hand is, is het onschuldig of
levensbedreigend? In Nederland maak je je hier niet zo druk om.
Je kijkt het aan en loopt het echt uit de hand dan ben je binnen
een mum van tijd in het ziekenhuis. Je weet dat hulp binnen hand
bereik is. Hier voelt het heel anders. We zijn voortdurend bezig
met de basale dingen van het leven. Hebben we genoeg eten en water
om een week of twee te overleven als we ergens vast komen te zitten?
Hebben we genoeg benzine als bij de volgende benzinestop er geen
brandstof blijkt te zijn? Zijn we gezond en hoe houden we het zo?
Is het hier veilig voor ons en voor de auto?
Ieks
Opeens komt er een enorme mannetjes olifant uit de bosjes en steekt
over, ik neem gas terug, hij kijkt naar ons en draait zich geïrriteerd
om. Wij zijn nu al zo dichtbij dat ik of in zijn achteruit moet
of hard moet doorrijden. Hij flappert met zijn oren en komt in onze
richting. Ieks, wat is hij groot. Achteruit rijden lijkt me geen
goede oplossing, wat als hij de aanval inzet. Dan maar plank gas
(toch wel fijn die 200 pk onder de motorkap). We schieten langs
hem heen terwijl hij meedraait in onze richting.
Terug in Kasane
Bij de grensovergangen gaat alles gelukkig vrij voorspoedig. Coen
wil niet terug naar de privé-kliniek, hij heeft daar geen
vertrouwen in. We rijden door naar het winkelcentrum en kopen eerst
iets te eten en te drinken bij de Spar. Buiten eten we het op en
barst ik in snikken uit. Ik vindt het niet grappig meer en zou willen
dat we thuis waren. Ik vraag aan de manager van de Spar of hij een
goede arts in Kasane weet. Hij moet eens goed en lang nadenken maar
dan weet hij er een, ook raad hij ons aan om bij de Apotheek langs
te gaan. Bij de apotheek vertel ik mijn verhaal tegen een Zuid-Afrikaanse
vrouw. Ze is ongerust over Coen's toestand. Ze doet opnieuw een
malariatest bij Coen (dezelfde als de arts heeft gedaan), deze is
weer negatief. Lariam kan de verschijnselen onderdrukken en deze
test kan ook geen uitsluitsel geven of je malaria tropica hebt.
We vertellen over de arts in de privé-kliniek en ze is verbaast
dat hij een zelfde soort testje gebruikt. Zelf rijdt ze altijd 500km
naar Francistown, waar haar ouders wonen en een apotheek hebben,
als ze naar de dokter moet. Volgens haar is het erg slecht gesteld
met de gezondheidszorg in Botswana, de artsen worden in Afrikaanse
landen opgeleid waar weinig controle is op de kwaliteit van het
onderwijs. Hun huisarts is goed, hij behandeld ook de president,
dus daar moeten we maar heen gaan. Ze belt haar ouders op om ze
te vertellen dat wij misschien die richting op komen omdat Coen
ziek is. Anné heet ze, en ik ben blij met haar bezorgdheid
en gastvrijheid. Ik wil niet weer zo'n nacht meemaken en we besluiten
door te rijden naar Francistown.
500 km asfalt
Van Victoria Falls naar Kasane was 100 km. We gooien de tanks vol
met benzine en we gaan op pad. Ik heb haast geen oog dicht gedaan
en denk niet dat ik de afstand van 500 km asfalt in mijn eentje
kan rijden, maar Coen zegt dat hij zelfs met 39,6 graden koorts
nog kan autorijden, dus dat komt wel goed. Als ik echt niet meer
kan neemt Coen het over. Ik vindt het eigenlijk geen goed idee,
maar mijn ogen vallen bijna dicht.
Als Coen rijdt doe ik een hazenslaapje, ik word wakker van onweer
dat is losgebarsten. We rijden door open landschap en naast ons
slaat de bliksem in de grond. Nog meer stress! Wij zijn het hoogste
punt in de omgeving en Coen is bang dat de bliksem in de benzinetanks
op het dak slaat. Maar de bliksem blijft rechts van ons. De weg
is ondertussen erg slecht geworden, het asfalt zit vol potholes,
en niet van die kleintjes. Zigzaggend rijdt Coen eromheen terwijl
de donkergele lucht naast ons bliksemschichten op de aarde loslaat.
Samen proberen we tijdig de potholes te ontwaren. Ook zijn er om
de haverklap mond- en klauwzeer controleposten, we moeten uitleggen
wat er in de auto zit en we moeten met onze schoenen door een bak
(met het ondefinieerbare goedje) lopen en met de auto door een andere
bak rijden voordat de slagboom open gaat en ze ons doorlaten.
Het laatste stuk rijd ik weer en om 18:00 uur rijden we Francistown
binnen. Alle hoop is gevestigd op de ouders van Anné die
ons in contact kunnen brengen met hun huisarts. Op een mobiele telefoon
van een meisje bij een benzinestation bel ik de moeder van Anné,
die me uitlegt hoe we bij hun Apotheek kunnen komen, waar haar man
over een half uur zal arriveren.
Pharma Nord
Bij een klein winkelcentrum vinden we Pharma Nord en even later
komt Wilco Janse van Rensbeek aanrijden. Hij neemt ons mee naar
binnen waar hij eerst de groep wachtende mensen wil wegwerken zodat
hij tijd voor ons heeft. Mensen kijken eerbiedig naar hem op als
ze hem hun kwalen uitleggen. Hij legt ons uit dat het erbarmelijk
gesteld is met de kwaliteit van de gezondheidszorg in Botswana,
niemand wil in het ziekenhuis belanden en al zeker niet in een ambulance.
Dus komen ze naar hem toe. Hij stelt diagnoses en giet uit containers
drankjes in flesjes. Ondanks het aanzien dat hij heeft in Francistown
zakt de moed me in de schoenen. Het is zaterdag en volgens Wilco
trekken de huisartsen dan meestal de telefoonstekker er uit en zijn
niet bereikbaar. Tussen zijn 'consulten' door probeert hij ze toch
te bereiken. Hij legt aan iemand (een dokter?) de symptomen van
Coen uit en deelt ons naderhand mee dat Coen geen malaria heeft,
maar dat het waarschijnlijk komt door het drinken van onzuiver water.
Ik wil hem niet kwaad maken maar vertel hem toch dat we de 500 km
niet voor niets hebben gereden. We willen een dokter zien, anders
hadden we net zo goed in Kasane kunnen blijven. Daar zou ik in ieder
geval nog s'nachts een dokter kunnen bellen als Coen weer hoge koorts
heeft, ook al is die dan slecht opgeleid. Hij zegt dat het echt
onmogelijk is om nu een arts te zien en dat we beter kunnen wachten
tot maandagochtend. Hij beloofd me dat ik hem uit zijn bed mag bellen
als Coen weer hoge koorts krijgt en geeft ons iets mee om de koorts
te onderdrukken, wat schijnbaar zo sterk is dat het in Europa niet
verkocht mag worden.
Warm ontvangst
Na het afsluiten van de apotheek brengt hij ons naar de campsite
die vlak bij zijn huis ligt. We rijden tot aan een gate, die wordt
geopend door een guard. Wij rijden achter hem aan de binnenplaats
op. Een vrouw komt uit een van de huizen en ik begrijp dat hij ons
mee genomen heeft naar zijn woonhuis. Achter ons komt een 4x4 huurauto
met daktent de binnenplaats op gereden. Er zit een jong Duits stel
in. Ze hadden twee uur tevergeefs rondgereden in Francistown (Francistown
is een klein stadje) op zoek naar de camping. Toen ze ons zagen,
een Nederlandse auto met daktent, hebben ze zich aan ons vastgeklampt
en niet meer losgelaten. Wilco en Elna nodigde ons vieren uit in
hun huis. Elna vertelde dat Anné net had gebeld omdat ze
zich zorgen om Coen maakte.
Elna zei dat we zeker moesten bellen als Coen weer koorts zou krijgen,
en dat als hij koorts kreeg we meer dan welkom waren om in hun gastenverblijf
te logeren. Ik was erg blij met deze steun, ik had niet meer het
gevoel dat ik er alleen voor stond. Na een drankje en een praatje
(de Duitse jongen sprak geen woord Engels en het meisje mondjesmaat
- hoe gaan die zich hier redden?) bracht Wilco ons tot aan de receptie
van de camping.
Vijf dagen Marang hotel campsite
We blijven op de camping totdat Coen opgeknapt is. De koorts komt
niet meer terug maar heeft veel energie van hem gevergd.
De tweede dag komen er twee fietsers de camping opgereden, ze zette
hun piepkleine tentje op. Het zijn vast Nederlanders, het kan haast
niet missen. Wie gaat er nu fietsen in Afrika? En ja hoor het zijn
Nederlanders, s'avonds komen ze bij ons op de thee. Ik ben erg blij
met hun gezelschap, Coen's ziekte heeft ook veel van mij gevergd.
Ik miste vooral mijn 'vermeende' veiligheid in een Europees land
en het contact met en de steun van mijn vriendinnen. Met Frank en
Peggy konden we gezellig kletsen.
s'Morgens en s'avonds dronken we gezamenlijk thee en aten boterhammen
of chips en koekjes. Ze vertellen over hun avonturen en die van
ons verbleken erbij. Wat zij allemaal moeten doorstaan, ik vind
het maar dapper! Ze worden op hun fiets achtervolgd door bavianen
die ze moeten wegjagen door hard te gillen; olifanten staan vlak
naast hun piepkleine tentje of er zelfs overheen, toen Frank uit
zijn tent keek zag hij aan alle kanten een poot van een olifant;
in dorpjes rennen mensen achter hun aan of fietsen met hun mee,
soms met als gevolg dat een enthousiaste, uitsloverige fietser tegen
hun fietsen aanrijdt en ze over de kop slaan; ze moeten op plekken
slapen waar wij niet graag zouden overnachten omdat ze gewoonweg
niet verder kunnen fietsen op een dag.
En waterzuivering daar doen ze niet aan, ze zijn al lang blij als
ze op tijd water kunnen vinden om weer een paar uur verder te kunnen.
Smokkelaars
Peggy en Frank vertrekken na een paar dagen, wij blijven nog.
Op de campsite staan niet veel toeristen. Wel is er een vaste groep
jonge mensen (van ongeveer 25 jaar) waarvan ons niet duidelijk is
waarom ze hier kamperen. Ze draaien s'avonds harde dreunmuziek en
vertrekken om de haverklap in hun Sjonnie auto. We speculeren wat
er nu precies gebeurd, is het een hoerenkast, horen ze bij de camping
of zijn het criminelen?
De nachtwaker maakt geregeld een praatje met ze, wat het nog onduidelijker
voor ons maakt. Ook staat er aan de andere kant van ons een tent
waar een kaalgeschoren jongeman om de beurt in een van zijn twee
auto's vertrekt. Zodra hij aankomt komt er een zwarte jongen uit
de tent (die daar blijkbaar al die tijd in heeft gezeten) en begint
de auto te wassen waarmee de jongenman net is gearriveerd. Deze
start de andere auto en rijdt daar, nadat hij een praatje heeft
gemaakt met de jongen van de andere groep, mee weg. Na twee uurtjes
komt hij terug en de zwarte jongen komt weer uit de tent en gaat
de blinkende auto wederom wassen. Meneer vertrekt even later weer
in de andere net gewassen auto. En zo gaat het dagen achtereen.
Ook komen er jongens met bakkies waar olievaten in staan, die melden
zich bij de groep en even later vertrekken ze weer.
We ontmoeten een Zuid-Afrikaan die hier kampeert omdat hij een klus
in Francistown heeft, deze weet ons te vertellen dat het smokkelaars
uit Zimbabwe zijn.
Olievaten
Elke dag komen er vaders met hun zoon, of echtparen naar de camping.
In hun bakkies staan twee of drie ijzeren olievaten. Ze slapen een
nacht op de camping in simpele tentjes en vertrekken de volgende
dag weer. Het zijn blanke boeren uit Zimbabwe die hier brandstof
komen halen. In Kasane hebben we dit soort taferelen ook gezien,
het is ons onduidelijk of ze via sluipwegen terug naar Zimbabwe
gaan of dat ze de benzine gewoon kunnen invoeren.
Voeten
Als ik het toiletgebouw van de mannen inloop (wat in zuidelijk Afrika
een soort zonde is) om Coen wat te vragen laat hij mij akelige wondjes
zien op zijn voeten. Volgens hem heeft hij zijn voeten kapot gelopen
op de dag dat we Vic. Falls bezochten. Hij had toen overdag waarschijnlijk
al koorts wat hem door de hitte niet was opgevallen. Het ziet er
niet goed uit, gelukkig herinneren we ons van de cursus in het Havenziekenhuis
dat je wondjes in een Biotex-badje moet weken. In Afrika ontsteken
wondjes veel sneller dan bij ons in Nederland, dat had ik in Kaapstad
al opgemerkt toen ik een piepkleine wondje aan mijn vinger had.
Het duurde lang voordat het genezen was. De Biotex-badjes helpen,
de wondjes trekken snel dicht. Coen zegt zich weer goed te voelen
en na boodschappen bij de Spar nemen we afscheid van het apothekersechtpaar
en verlaten op 18 september Francistown.
Just forget about it!
We hebben overwogen om Botswana over te slaan en meteen door te
rijden naar Zuid-Afrika in de richting van Mozambique. Coen vindt
alles veel te duur en het ziek zijn van Coen in Botswana willen
we snel vergeten. Maar Chobe en Moremi schijnen toch echt wel de
moeite waard te zijn en waarschijnlijk komen we hier nooit meer
terug, dus we rijden weer terug richting het noorden om via de wildparken
af te zakken naar de Kalahari.
Het landschap in Botswana is eentonig, het veranderd maar heel geleidelijk.
Het is vlak. Open bos met lage accacia's, geel gras en bosjes her
en der in het landschap, en zand. Ook zijn er veel zoutpannen. Coen
rijdt het eerste stuk asfaltweg naar Nata. Op de lange smalle rechte
asfaltweg mag je 120 km per uur rijden. In dorpjes, die er niet
veel zijn moet je de snelheid verminderen tot 60 km per uur. We
zitten te kletsen als we worden aangehouden door de politie. Of
we maar even willen uitstappen om te kijken op het radarcontrole
afleesscherm hoe hard we hebben gereden. We waren blijkbaar een
van de dorpjes ingereden zonder het te hebben opgemerkt. Coen probeert
er onder uit te komen en vraagt de politieagent hoe hij kan aantonen
dat de 93 km per uur, die het apparaat aangeeft, bij onze auto hoort.
Coen ontkent dat wij het geweest zijn. De politieagent kijkt beteuterd
maar hersteld zich en heropent agressiever de ondervraging. Dit
lijkt me geen goede aanpak, ik zeg Coen (in het Nederlands) dat
hij zijn mond moet houden en vertel de politieagent dat het voor
ons onduidelijk was dat er een dorp kwam, dat we het bord waarop
de maximum snelheid stond niet hebben opgemerkt, dat we niet gewend
zijn om op dit soort wegen te rijden, dat we altijd heel goed opletten
maar we het bord toch echt niet hebben gezien, dat we nooit hard
rijden en dat het ons vooral erg spijt. Nadat ik dit meermalen heb
herhaald stuurt hij ons naar zijn chef die iets verderop in een
stilstaande politieauto zit.
Ik doe opnieuw mijn verhaal maar hij vindt dat we moeten betalen,
Pula 400,- (ongeveer Euro 100,-). Coen zegt dat we geen geld bij
ons hebben (niet waar), wat de politiechef niet geloofd. Je bent
volgens hem niet op reis zijn met zo'n goed uitgeruste auto zonder
geld bij je te hebben. Coen legt uit dat alle ATM-machines in Francistown
het al twee dagen niet doen (echt waar), hij kan het navragen als
hij wil. De politiechef kijkt bedenkelijk en vraagt hoe we dit gaan
oplossen. "Just forget about it" zegt Coen. De man lacht
schamper en zegt: "No, that is not possible! That isn't how
things work! We can't just forget about it. You have to pay!".
"Ik ga echt niet betalen", zegt Coen tegen mij. De man
ziet de vastberadenheid van Coen en stelt hem voor om in plaats
van Pula 400,-, Pula 200,- te betalen. Coen legt hem uit dat het
onmogelijk is omdat we geen geld bij ons hebben. Na een tijdje geeft
de man het op en laat ons zonder te betalen gaan. Hoezo: We can't
just forget about it?
Weer in Kasane
In Nata blijven we twee nachten op de camping, Nata Lodge. We staan
tussen de palmbomen in diepzand, sommige auto's zitten hier al vast,
dat beloofd wat voor Chobe. We maken een dagtoertje naar een zoutpan,
waar Coen als een opgewonden jongen keihard overheen crosst. We
zwemmen in het zwembad en de andere dag vertrekken we verder naar
het noorden. Ik rijd omdat de wondjes aan Coen's voeten terug zijn,
of nooit zijn weggeweest? De dag voordat we uit Francistown vertrokken
hebben we daar de hele ochtend rondgelopen en dat heeft zijn voeten
blijkbaar geen goed gedaan. We rijden weer het stuk met de enorme
potholes, de rest van de weg is goed maar saai om te rijden. Kasane
komt weer in zicht, zoals gewoonlijk stoppen we meteen bij het benzinestation
om de tank vol te laten gooien.
Ik heb het hele stuk alleen gereden dus ik verwacht dat Coen het
tanken voor zijn rekening neemt, maar hij protesteert en reageert
chagrijnig. Dit is niets voor Coen, en als ik nog eens goed naar
hem kijk zie ik dat het nog helmaal niet goed met hem gaat. Ik ben
teleurgesteld en pissig dat hij het niet heeft aangegeven. We zijn
weer 500 km terug gereden naar Kasane en nu is hij nog steeds ziek.
Ik zie mezelf alweer naar Francistown rijden om alsnog een bezoek
aan de dokter te kunnen afleggen.
Geconfronteerd met onze kwetsbaarheid
Als ik uiteindelijk op de camping in Kasane de voeten van Coen te
zien krijg schrik ik me rot, alle wondjes zijn ontstoken, en het
zijn er veel. Hoe kan dit? We maken ons zorgen. Wat is er toch met
hem aan de hand? We proberen terug te halen hoe het gekomen is.
Coen had de wondjes al toen we zijn gaan zwemmen in het zwembad
in Nata Lodge, waarschijnlijk is er toen een bacterie bij gekomen.
Maar echt snappen doen we het niet en we zijn bang dat het misschien
van binnen uit komt. We hebben moeite om niet moedeloos te worden.
We maken ons allebei zorgen maar willen elkaar niet verontrusten.
Verstoken van hulp, worden we geconfronteerd met onze kwetsbaarheid.
Gelukkig hebben we om beurten ons dieptepunt en kunnen we elkaar
uitstekend uit de put helpen. We gaan de wondjes behandelen met
jodium en penicillinezalf. Sommige wondjes lijken iets te verbeteren
maar er gebeurt niet echt iets. Ook lijkt het zich langzaam uit
te breiden, ik vind het doodeng. Waarom zijn we hier, wiens idee
was het om een jaar door Afrika te gaan reizen? Kan ik nog terug?
Ja, ik kan nog terug! Met ons retourticket van Amsterdam naar Kaapstad,
de vlucht is op 5 oktober. Altijd goed om in mijn achterhoofd te
houden.
Hulp is onderweg
Coen kan haast niet lopen, hij waggelt van de daktent naar de campingstoel
en terug. Ondertussen ontmoet ik een leuk stel uit Cape Town, er
is even sprake van dat we gezamenlijk naar Chobe en Moremi gaan.
We weten beide niet wat we moeten verwachten van de Indianenverhalen
over de diepzand tracks die door Chobe naar Savuti leiden. Het lijkt
ons daarom een goed idee om dit met onze twee auto's (onze Jeep
en hun Land Rover Defender 90, stoer hoor!) te ondernemen zodat
we elkaar los kunnen trekken als we vast komen te zitten. Maar Coen
kan zich haast niet verplaatsen, en we betwijfelen of het verstandig
is om te vertrekken. Na overleg besluiten we dat we in Kasane blijven
totdat Coen's voeten genezen zijn. De volgende dag ontmoet ik twee
Nederlandse stellen, ze nodigen mij uit voor een drankje bij de
ondergaande zon. Ik heb behoefte om mijn zorgen te delen en vertel
hun over onze reis en Coen's ziek zijn. Een van hen blijkt huisarts
te zijn en biedt aan naar Coen's voeten te komen kijken. Een geschenk
uit de hemel!
Beter worden
De huisarts constateert dat een bacteriële infectie diep in
de wonden zit en geeft Coen een penicillinekuur. Hij belooft de
andere dag naar de apotheek te gaan om daar een speciaal zalfje
te halen zodat we het ook van buitenaf kunnen aanpakken. Als hij
weg is valt er een last van onze schouders, nu weten we in ieder
geval wat het is en kan het genezingsproces beginnen. Coen moet
zo weinig mogelijk lopen dus zit hij hele dagen naast de auto op
de campingstoel. Voor het eerst sinds we weg zijn is hij aan het
lezen. De camping is toeristisch zo vlak bij Vic. Falls en de drie
belangrijkste natuurparken van Botswana (Okavango Delta, Chobe en
Moremi). Safari trucks met Nederlanders komen en gaan. Onze Nederlandse
nummerplaat en het logo met de route die we gaan reizen zijn aanleidingen
voor vele praatjes.
Terwijl Coen mensen ontmoet en leest ben ik bezig met alle huishoudelijke
beslommeringen. Ik loop naar het stadje om boodschappen te doen,
doe de was, verzorg het ontbijt, de lunch en het avondeten, was
alles weer af, ruim het op in de kookkist, kook water voor de Biotex-badjes
voor Coen's voeten (1 x daags), maak de wondjes schoon (2 x daags),
smeer zijn voeten in met zalf (2 x daags) en nog zo wat van die
dingen.
Het is snikheet, gelukkig hebben we een redelijke goede plaats in
de schaduw voor Coen, Iz en de daktent.
Beestenboel
Coen heeft een wrattenzwijn als gezelschapdier, hij loopt rond op
de camping en komt af en toe bij hem liggen. Ik ben niet zo dol
op hem. Net zo min als op de kleine aapjes die dagelijks de camping
afstruinen naar voedsel. Zodra ze merken dat ik bang voor ze ben
(ik ren namelijk voor ze weg) komen ze gillend achter me aangerend.
Dat moet ik toch anders aanpakken! Zij zijn klein en ik ben groot!
Ik krijg door hoe het werkt, je doet alsof je nergens bang voor
bent en loopt nooit voor ze weg. Of je negeert ze, of je loopt naar
ze toe. Dan zijn ze opeens bang voor mij. Naast deze kleine aapjes
zijn er nog bavianen, een soort miereneters en vele verschillende
vogeltjes die de camping bevolken.
www.art3400ad.nl
Op vrijdag 26 september loop ik weer naar het stadje en bekijk onze
website die net klaar is. Hij is gemaakt door mijn vader (op zijn
eigen website: www.art3400ad.nl) samen met Peter van Zaanen. Ik
ben onder de indruk, de site ziet er erg goed uit, jammer dat Coen
hem nog niet kan zien. Ik ben blij met hoeveel enthousiasme mijn
ouders onze reis volgen en van alles voor ons doen.
Op naar Chobe
Alhoewel Coen's voeten nog niet helemaal genezen zijn besluiten
we toch om te vertrekken. Het gaat erg goed en het lopen doet geen
pijn meer, dus we wagen het er op. Alleen is opeens de waterstroom
van de waterzuivering beduidend minder geworden. Nadat we het ceramische
filter hebben schoongemaakt is de stroom gelukkig weer acceptabel.
We slaan eten in en gaan op weg naar Chobe. Ik vind het wel spannend,
Coen kan nog niet rijden, dus ik zal ons door het diepe zand (het
gesprek van de dag op de camping) moeten leiden.
Eerst rijden we langs de riverfront van Chobe. Het zand is diep,
maar het spoor heeft een vrij harde ondergrond dus levert niet veel
problemen op voor Iz met haar Good Year Wrangler MT/R banden. De
banden hebben we laten leeglopen tot 1.5 bar, ik rijd in zijn 4x4
hoog, tweede versnelling. Langs en in het water lopen tientallen
olifanten samen met sabel- en andere antilopen. Het zandpad loopt
soms vlak langs de rivier en soms er vandaan. Overal is wild, we
zien sabel antilope, impala's, kudu's, giraffen, buffels en heel
veel olifanten. Het is voor het eerst dat we buffels zien, één
van The Big Five. Er is ons verteld dat buffels erg agressief kunnen
zijn, dus ik schrik me helemaal rot als de buffel die we op een
meter afstand passeren zich opricht. Ik trap op Iz z'n staart en
we spuiten weg. In mijn achteruitkijk spiegeltje zie ik dat de buffel
juist van ons geschrokken was en opstond om zich uit de voeten te
kunnen maken. Er liggen er heel veel en zodra wij langsrijden staan
ze op en lopen ze weg. Misschien is het imponerend als je ze als
kudde langs ziet trekken, maar wij vinden het net koeien. Wel zijn
we onder de indruk van de olifanten, zeker van de enorm grote mannetjes.
Diep zand!
We zijn blij met onze GPS want bewegwijzering hebben ze hier nog
nooit van gehoord, in ieder geval is het minimaal. Aan de andere
kant van de rivier ligt de Caprivi Stip (Namibi‘), we zien daar
een kudde zebra's grazen. Het is hier prachtig! Als we de riverfront
verlaten rijden we verder over een piste richting Savuti, in een
ander deel van Chobe. Coen maakt grappen over het zogenaamde diepe
zand. Was dit alles, dit is voor watjes. Ik snap er ook niets van,
het stuk wat we hebben gereden was diep zand maar niet dieper dan
in Sossusvlei, Namibi‘. Zouden ze dit dan hebben bedoeld met diep
zand? Coen blijft grappen maken, maar ik houd nog even een slag
om de arm. We rijden over een grindpiste langs een paar dorpjes.
Opeens houdt de grindpiste op en is er een smal spoor van zand,
diep zand. Okay, daar gaan we dan. Momentum maken, dat is wat we
geleerd hebben. Snelheid maken en het behouden. Het zand is echt
diep en het vergt al mijn concentratie om de snelheid te behouden
en de Jeep in het spoor te houden. Het is inspannend, maar ook leuk.
Het pad loopt omhoog waardoor je nog meer kans hebt om vast te komen
zitten, maar het gaat goed. Als hij dreigt vast te lopen, schakel
ik snel naar de eerste versnelling en heeft hij weer genoeg power.
Even verderop vertakt het spoor zich in een tweebaans spoor. Er
komt geen eind aan het pad, gas terug nemen zit er niet in, je moet
blijven rijden. De motor krijgt het er warm van, het koelwater stijgt
tot boven de honderd graden. De twee ventilatoren kunnen het niet
meer aan. Gelukkig kwam er een stuk minder diep zand zodat ik de
auto stationair kan laten draaien om af te koelen en om zelf even
bij te komen.
Niet meer leuk
Ik was ondertussen doodmoe maar we waren er nog lang niet. Zodra
het koelwater onder de honderd graden was gingen we weer verder.
Buiten en in de auto was het snikheet. Opeens stond er een entreepoort
in het landschap. Wij hadden al gehoopt dat we er op de een of andere
manier onderuit gekomen waren. Bij de riverfront zat namelijk niemand
bij de entreepoort en zijn we gewoon doorgereden. Hier zat er ook
niemand bij de entreepoort dus ik reed langzaam door. Er kwamen
twee mannen achter uit het veld aangelopen die ons tot stoppen maanden.
Op een arrogante manier vroegen ze ons waarom we doorreden. We liepen
mee naar binnen in het gebouw dat gesubsidieerd is door de Europese
Unie, en vroegen hoeveel het ons ging kosten.
Als buitenlander kost het je een bedrag gelijk aan Euro 90,-, voor
mensen uit Botswana is het vijf keer minder duur. Dat vond Coen
belachelijk. Hij ging stennis schoppen, dat was me al duidelijk.
Ik had er geen zin in, de zon stond al laag aan de horizon en we
moesten nog verder door het diepe zand. Coen vertelde de twee mannen
dat wij uit Francistown kwamen en eigenaar waren van de apotheek
aldaar. We waren alleen onze identiteitspapieren vergeten en de
straat waar de apotheek gevestigd is was ons ook even ontschoten.
Maar Coen legde uit hoe je bij de apotheek kon komen. De man was
bekend in Francistown en ik zag allang dat het niet zou gaan lukken.
Coen vond het onrechtvaardig dat wij zoveel moesten betalen. Hij
is daar ook niet de enige in, in elk 4x4 blad gaat het over de belachelijk
hoge prijzen in Botswana en het is het gesprek van de dag onder
de toeristen. Maar ik moest nog rijden en wilde dat liever niet
doen als de zon al onder was. Ik werd boos op Coen maar het duurde
nog wel even voordat hij eindelijk toegaf en het hele bedrag betaalde.
Net na zonsondergang kwamen we aan op Savuti.
Savuti
Als je van Kasane naar Maun reist moet je in Savuti overnachten,
over de 165 kilometer van Kasane naar Savuti doe je namelijk een
hele dag. Over de 185 km van Savuti naar Maun doe je ook weer een
hele dag. Op de campsite van Savuti staat in het midden een ommuurd
wc-blok, het is tot stand gekomen met subsidies van de Europese
Unie. Olifanten plunderde voorheen het wc-blok op zoek naar water.
Verder zijn er totaal geen voorzieningen. Het wordt afgeraden om
na zonsondergang op de camping rond te lopen in verband met hyena's
en olifanten. Tijdens de oversteek, na zonsondergang, van de auto
naar de douche en terug keek ik schichtig om me heen in de hoop
geen hyena te moeten verjagen met een hard geluid (zoals op de affiches
bij de poort wordt aangeraden).
Savuti is bekend om zijn vele olifanten, maar wij hebben er daar
niet één gezien. Wel was er een prachtige sterrenhemel
(waar we trouwens elke avond onder zitten, wat een luxe).
Wildernis
De volgende dag deed de waterzuivering het niet meer. De waterstroom
was helmaal gestopt. En dat is niet zo prettig hier midden in de
wildernis. Dus Coen heeft eerst van alles geprobeerd om de waterstroom
weer op gang te brengen en na anderhalf uur hadden we weer gezuiverd
water.
Ik reed door Chobe in de richting van Moremi. Coen ging op het dak
zitten zodat hij de omgeving kon afspeuren naar wild. Toen het spoor
te hobbelig werd is hij weer in de auto komen zitten. De tracks
waren goed te doen in dit deel van het Park. We kwamen bijna niemand
tegen in dit uitgestrekte gebied. Het voelt voor mij, als Nederlander,
in eerste instantie onnatuurlijk om zo veel ruimte om me heen te
hebben en totaal geen infrastructuur (op een 4x4 track na, als je
dat al mee kan rekenen). Al die wilde dieren om ons heen waarvoor
we op onze hoede moeten zijn en waarvan we kunnen genieten, dit
alles maakt een grote indruk op me.
Bekenden
We klappen onze stoelen en tafel uit en gaan in de schaduw van een
boom lunchen (hopelijk hebben de leeuwen al geluncht! ). Als we
weer verder rijden komt er een auto aan, we zwaaien en laten ze
passeren. De auto passeert maar rijdt dan weer achteruit, het blijkt
een stel te zijn die we in Sesfontein ontmoet hebben. Wij vertellen
dat we besloten hebben niet naar Moremi te gaan (veel te duur!)
en vragen hoe de weg is. Zij hebben het net gereden en daar schijnt
pas echt diep zand te zijn. Hij, een stoere Duitse Namibiaan, heeft
daar net vast gezeten. Dat was hem in zijn hele leven nog nooit
overkomen. Niet echt gerustgesteld vervolgen we ons pad.
Diep zand specialist
De saaie stukken landschap, het pad is omringd door dorre struiken,
wisselt zich af met prachtig Afrikaanse savannes. Niet dat ik er
nog op kan letten zodra het pad, zoals voorspeld, erg moeilijk wordt.
Daar waar het spoor heel slecht geworden is zijn er zijpaden gemaakt.
De locals weten precies welk pad ze moeten nemen maar voor ons is
nergens een aanwijzing achtergelaten. Het is telkens een gok. Ik
kan de auto niet stoppen en er moet snel een beslissing worden genomen.
Eén keer rijden we een verkeerde richting op, het pad waarvoor
we gekozen hebben buigt naar het westen af terwijl we naar het zuiden
moeten. Ik kan de auto een kilometer verderop keren en we rijden
terug naar het spoor. Af en toe is het pad redelijk en dan opeens
wordt het zand erg diep. Ik geef dan gas maar zodra de auto kracht
verliest moet ik hem terugschakelen naar de eerste versnelling.
Dit lukt me niet altijd omdat het op die momenten ook net een heel
karwei is Iz in het spoor te houden dat gemaakt is door voorgaande
auto's. Ik roep dan tegen Coen dat hij de versnelling in zijn één
moet zetten en trap de koppeling in terwijl hij schakelt en ik Iz
in het spoor houd. Het is een heel avontuur en ik krijg steeds beter
door hoe het werkt.
We komen een gele Land Rover tegen (de derde auto die dag) hij
rijdt voor ons. Opeens ziet Coen dat hij stil staat voor een andere
auto die uit tegenoverliggende richting lijkt te komen. Weer moet
er snel beslist worden hoe we het gaan oplossen want voor je het
weet staat Iz tot haar buik in het zand. Coen stuurt me de helling
op, waar halverwege net een plat stuk is waar ik Iz even kan neerzetten.
Het smalle pad ligt zo'n anderhalve meter onder het maaiveld, de
wanden lopen aan beide kanten steil omhoog. We wachten een kwartier
en opeens is de gele Land Rover verdwenen, maar de andere auto lijkt
niet te bewegen. We besluiten er naar toe te rijden. Als we dichterbij
komen zien we dat het een kleine vrachtwagen is die daar vastzit
en het hele pad blokkeert. De mannen wijzen naar links, Coen denkt
het te snappen en zegt dat ik recht tegen de steile wand omhoog
moet rijden zonder te stoppen. Ik doe wat me gezegd wordt. Bovenop
is er harde ondergrond en ik stop de auto. De mannen blijken er
al twee dagen te staan, ze hebben pech aan de motor. Coen leidt
me over kleine boompjes (dat mag anders nooit van hem, want dan
beschadigd de auto), door struiken heen naar de andere kant van
de vrachtauto waar ik het zandpad weer oprijd. Het pad loopt hier
gelijk aan het omringende land. Het zand is minder diep dus hier
kunnen we uit stilstaande positie wel wegkomen. Coen kijkt nog even
naar de motor maar hij kan hun niet helpen. Zij moeten wachten op
een reserveonderdeel. In zijn 4x4 hoog kom ik niet weg, maar als
ik hem in zijn 4x4 laag zet kan ik gelukkig optrekken. Als de zon
ondergaat wordt het pad beter en gaat geleidelijk aan over in een
piste. We zien een camping en maken ons kamp. Onder het genot van
een wijntje moet zelfs Coen toegeven dat ik nu de diepzand specialist
ben. Want diep was het!
Ontmoetingsplaats
De andere dag rijden we het korte stukje wat we nog te gaan hadden
naar Maun. We tanken en doen boodschappen.
Onze Jeep rijdt gemiddeld 1 op 7, maar door diep zand was het toch
ietsje meer, namelijk 1 op 4. We rijden naar Audi Camp, achter ons
rijdt een zwarte Jeep Cherokee. We zijn altijd blij broertjes van
Iz tegen te komen. Op de camping komt de eigenaar van de zwarte
Jeep naar ons toe. Het blijkt een Nederlander te zijn die in Pretoria
voor de Nederlandse ambassade werkt. We drinken een pilsje terwijl
zijn collega bezig is met het (Zuid-)Afrikaanse potjiekos (een gietijzeren
pot waarin ze op een houtvuur groente en vlees stoven). Ook zien
we een bekende auto staan, de Toyota Landcruiser met oranje jerrycan's
op het dak, van Andy en Sandy. We hebben naar jullie uitgekeken
in Tsumkwe (Namibi‘), waar waren jullie? We praten bij, Andy is
in de tussentijd nog helemaal teruggevlogen naar Canada omdat hij
de Canadese Nationaliteit toegewezen had gekregen, waar hij lang
op had gewacht. s'Avonds worden we uitgenodigd voor een wijntje
door een Duits stel. Getver, het blijken weer van die betweters
te zijn. We ronden het gesprek zo snel mogelijk af en beloven elkaar
voortaan beter op te letten met wie we wijntjes drinken. De man
had véél ervaring met reizen in Libi‘ en Algerije,
hij maakte beledigende opmerkingen over Iz (Jeeps are for fun) en
ging ons allerlei tips geven waar we helemaal niet op zaten te wachten.
Coen probeerde Iz nog te verdedigen door te pochen met de 200 pk,
waar een Landcruiser niet aan kan tippen.
Waterzuivering
Over de asfaltweg zijn we naar Ghanzi gereden dat in de Kalahari
ligt. Het zag er heel anders uit dan we ons hadden voorgesteld.
Het was vooral het bushmanland van de San (bosjesmannen), veel bosjes
in de rode aarde en geen rode zandduinen zoals wij de Kalahari in
Namibi‘ gezien hadden. Langs de weg zochten de wilde paarden en
ezels verkoeling in de schaduw van de bomen.
Aan het eind van de middag kwamen we in Ghanzi aan waar we aan het
schoonmaken van de waterzuivering begonnen. Die was er namelijk
weer mee opgehouden en volgens Coen hadden we een algenprobleem.
We hadden een of ander spul gekocht om zwembaden mee schoon te maken
en spoelde daar alle tanks mee schoon en lieten het door het hele
systeem (behalve de filters natuurlijk) lopen. Dit leek toch niet
het probleem te zijn. We zijn een extra dag in Ghanzi gebleven om
de waterzuivering in orde te maken en andere klusjes te doen. Echt
goed is de waterzuivering het niet gaan doen, maar we hadden weer
gezuiverd water toen we vertrokken.
Waar is de weg naar Tsabong?
Van Ghanzi rijden we over asfalt naar Tshane waarvandaan we dwars
door de Kalahari naar het zuiden willen rijden. Langs de weg zien
we veel struisvogels. We komen eerst in Hukuntsi aan, terwijl op
de kaart de weg via Tshane naar Hukuntsi loopt. De dorpjes zijn
klein en zonder voorzieningen en campings. Tshane lijkt aan het
eind van de wereld te liggen. Zandpaden leiden naar de verschillende
huisjes en op de achtergrond zien we een grote zoutpan liggen. Waar
is nu de weg naar Tsabong? We vragen het aan twee vrouwen die gemoedelijk
zitten te babbelen voor hun huis. Zij wijzen ons de weg. Ze hebben
het goed uitgelegd, we kunnen het makkelijk vinden. Maar vreemd
vinden we het wel. De weg die wij zoeken staat op de kaart aangegeven
als een rode lijn (dus een belangrijke doorgaande route), maar we
zien voor ons een zandpad dat sinds het laatste regenseizoen niet
meer gebruikt lijkt te zijn. Terwijl we ons afvragen of we goed
zitten kom ik, de zandspecialist, vast te zitten. Niet diep want
ik heb meteen mijn gas losgelaten, maar toch! In een mum van tijd
staat een groep dorpskinderen om ons heen. Zij vinden het wel grappig.
Ik snap niet waarom ik vast kwam te zitten totdat Coen erachter
komt dat we het belangrijkste van in diep zand rijden vergeten zijn,
namelijk je banden leeg laten lopen. Zodra we dat gedaan hebben,
en het zand rond de wielen hebben weggeschept, rijden we verder
het zandpad op. Het zand is mul omdat er geen andere auto's op hebben
gereden en het lijkt me geen goed idee om hierover 300 kilometer
te gaan rijden. We weten dat hier zo goed als geen toeristen komen,
dus op hulp kun je erg lang wachten. Het wordt al donker dus we
gaan eerst maar een plekje zoeken om de nacht door te brengen. We
rijden de helling op naast het pad om een bushcamp te gaan maken.
Ons eerste bushcamp
We rijden een paar 100 meter door zodat we niet vlak langs het pad
staan. De omgeving lijkt op de Veluwe, maar dan op macro niveau.
Om ons heen heerst volmaakte stilte. We vinden het allebei een beetje
eng. We klappen de tent uit en Coen hakt hout en maakt een vuur
om de leeuwen en andere wilde beesten op een afstand te houden.
Opeens horen we mensen praten in de verte, we staan ingespannen
te luisteren. Waar komt het geluid vandaan? We zijn bang dat mensen
ons opmerken en ons lastig gaan vallen. Waar we precies bang voor
zijn weten we zelf ook niet, we zijn gewoon een beetje bang. Gemekker
van een groep geiten en de aanmoedigende roepen van hun herder komen
ons kamp binnen drijven. We zitten muisstil te luisteren welke kant
ze opgaan. We moeten om onszelf lachen, maar slapen allebei niet
goed. Als we wakker worden zien we een prachtige zonsopgang. Het
landschap ziet er vriendelijk en vredig uit, niets om bang voor
te zijn!
Kiezen voor avontuur
Mijn voorstel is om terug te gaan naar Tshane en via de asfaltweg
naar Tsabong te rijden. Coen wil avontuur en ik eigenlijk ook wel,
dus kiezen we voor het zandpad. Coen stelt voor dat als het er na
een uur rijden nog steeds onbegaanbaar uit ziet we omkeren en over
het asfalt naar Tsabong rijden. Coen rijdt, want hij wil nu ook
wel eens diepzand ervaring opdoen. In Touratech hebben we de route
aangeklikt en overgezet naar de GPS. Op de GPS zie je precies of
je de goede richting uitrijdt en als je afwijkt van de route geeft
hij dat meteen aan. Het zandpad is smal met soms diepzand. Maar
het is goed te doen dus we vervolgen onze weg. Midden op het spoor
ligt een karkas van een dier dat Coen moet ontwijken, bomen die
omgevallen zijn liggen half over het spoor. Het is wel duidelijk
dat wij de eerste sinds lange tijd zijn die hier rijden. Dikdiks
schieten voor de auto langs op zoek naar een veilig heenkomen. Het
pad buigt af en nu vormt het een tweebaans spoor, net als het pad
naar Savuti. Er staan opeens borden langs de weg die ons waarschuwen
voor overstekende kudu's, ze kunnen beter borden neerzetten die
de richting aangeven waarnaar de wegen leiden. Zonder GPS zouden
we onze volgende bestemming nooit kunnen vinden, terwijl we zelf
wel kunnen bedenken dat hier kudu's en andere wilde dieren over
kunnen steken.
Tegenliggers
Omdat het zandpad goed is schieten we aardig op en kunnen we waarschijnlijk
tegen de avond in Tsabong aankomen. In de auto loopt de temperratuur
op tot 43 graden. De motor krijgt het ook warm, we moeten af en
toe stoppen om hem af te laten koelen.
We wisselen met rijden. De hitte heeft een raar effect, we weten
niet precies hoe we ons voelen, we hebben het alleen maar warm.
Boven de 37 graden snapt je lichaam er volgens ons niet veel meer
van, en is alleen maar bezig met manieren te vinden om af te koelen.
We worden om Mabuasehube Game Reserve (wat een onderdeel is van
Kgalagadi Transfontier Park, dat zowel in Botswana als in Zuid-Afrika
ligt) heengeleid. Langs het pad hangen de enorme weaver-nesten van
kleine vogeltjes die met zijn allen bij elkaar in één
nest wonen. Een Gemsbok steekt het pad over. In de verte zien we
een auto aankomen, de eerste vandaag. Een Jeep, hij flitst met zijn
lichten als groet. Ik flits terug, we zijn helemaal opgewonden dat
we iemand tegen komen in deze verlaten woestijn. Het zijn drie Jeeps
op avontuur, net als wij. Voor zonsondergang komen we aan in Tsabong
en overnachten we bij Berry's bush. Keith, de eigenaar, ontvangt
ons met een drankje en sterke verhalen over allerlei avontuurlijke
Nederlanders die hij in zijn leven ontmoet heeft.
Hele slechte piste
Keith als kenner van de Kalahari weet ons te vertellen dat ze hier
in Botswana nog nooit goed de Kalahari in kaart hebben gebracht.
De weg naar Tsabong bleek helemaal niet te beginnen in Tshane maar
in Hukuntsi. Het eerst deel dat wij hebben gereden is al lang niet
meer in gebruik. Hij weet voor ons nog een prachtige route langs
en door de bedding van een rivier naar de grensovergang bij Bokspits.
Je kunt daar rode naast witte zandduinen zien. We willen nog wel
wat rode zandduinen meepikken dus gingen we op pad. Van Tsabong
naar Bokspits is 250 km over grindpiste. De grenspost bij Bokspits
naar Zuid-Afrika sluit om vier uur dus dat konden we makkelijk halen
en anders zouden we gaan wildkamperen.
We hobbelden langs leuke kleine dorpjes, de weg leidde ons langs
een steile afgrond naar de rivier (zonder water) en dan weer omhoog
naar een dorpje. Het hobbelen werd steeds erger, de grindpiste was
erg slecht. We reden gemiddeld 25 km per uur. Langs sommige delen
van de weg was een zandpad aangelegd. We zagen dat de locale bevolking
daar over reed, omdat de weg te slecht was. We probeerde het af
en toe ook maar veel helpen deed het niet. We schoten niet op. Om
vier uur waren we nog lang niet bij Bokspits en we waren helemaal
door elkaar geschud. Het was onderweg wel mooi, maar nu hadden we
toch wel genoeg van dat schudden. We wisselden elkaar om het uur
af en de zon zakte gestaag.
In het donker
We reden vlak langs de grens met Zuid-Afrika die was afgezet door
een hek. Aan de kant waar wij reden stonden opeens ook hekken langs
de zandduinen. Ons plan om een bushcamp te maken was daarom niet
mogelijk en onaantrekkelijk. Toen we op een stuk kwamen waar geen
hekken waren probeerde we of we op of achter een zandduin konden
gaan staan. Ik reed omhoog de zandduin op maar daar stond al een
hut. Wij weer terug, we probeerden het ergens anders maar daar staan
twee mannen met een stel geiten en koeien. Het was ondertussen al
donker geworden en dan ziet alles er toch een stuk onprettiger uit.
Met grootlicht op reden we verder over de piste. Mensen op weg naar
hun hut kwamen langs. Eindelijk om negen uur kwamen we Bokspits
inrijden. De door kaarsen en olielampen verlichte hutten deden gezellig
aan (doen mij aan kerstmis denken, terwijl deze mensen gewoonweg
geen elektriciteit tot hun beschikking hebben).
Nergens was een camping te vinden en op straat parkeren om daar
te overnachten is niet echt aan te raden. Mensen zijn hier erg arm.
We reden naar het Rode Kruis en vroegen of we bij hun op het erf
konden kamperen. Dat mocht, wij brachten de nacht door naast het
plaatselijke ziekenhuisje. De nachtwaker sloot het hek achter ons
en wij konden heerlijk gaan slapen. De volgende dag zouden we de
grens oversteken naar Zuid-Afrika, niet ver van ons beginpunt (Kaapstad)
vandaan, terwijl we toch al 8500 km hebben gereden.
Niets uit bovenstaande tekst mag worden
gepubliceerd zonder voorafgaande toestemming van de auteurs.
Het zelfde geldt voor alle afbeeldingen en foto's.
Mirjam van Tiel & Coen Barthels ©
2003
|