Into Africa by Jeep – Mirjam van Tiel en  Coen Barthels no. 3

Reisverslag 3

Geschreven door: Mirjam, 5 - 18 september 2003

Weer onderweg
De ochtend dat we van Solitaire vertrokken was het een komen en gaan van toeristen. Johan (de chef kok) en Don (die het restaurant van Ton van der Lee nu runt) hadden wel tijd voor een praatje maar Moose had het druk, iedereen wil met deze bekendheid praten. Toch wilde we Moose nog persoonlijk spreken. We wilde hem laten weten dat we hem waarderen. Ook omdat we de situatie nog al oneerlijk vinden. Hij is degene waarom toeristen komen, het boek van Ton gaat over hem, er zijn kranten artikels over zijn levenswijze in de woestijn, en natuurlijk zijn beroemde appeltaart en zelfgebakken brood. De Lodge-keten die Solitaire bezit betaalt Moose een vast loon, hij deelt niet mee in de winst van de verkoop van zijn producten, terwijl de zaken enorm goed gaan. We besloten hem onze nieuwe verrekijker te geven. Hij was er erg blij mee, romantisch als hij is zei hij er elke avond mee naar de maan te zullen gaan kijken.

Na ons uitgebreide afscheid, en de fotosessie met Don, Johan en Moose bij de karakteristieke dode boom van Solitaire, reden we richting Windhoek via de Spreetshoogte pas. We wisten dat we een prachtig uitzicht zouden krijgen over de Namib Naukluft woestijn. Het ging steil omhoog het plateau op, zo steil dat ik bang was dat als ik maar iets verkeerd zou doen de auto met een rotgang weer naar beneden zou rijden. Maar dan achterstevoren, of in mijn fantasie nog erger, over de kop slaand. Ons Jeepie ging steeds langzamer omhoog en uit paniek stond ik op de rem. We stonden zo enorm schuin, dit zou een super hellingproef worden. Coen houdt niet van zand maar ik houd niet van hoogtes (in de auto, te voet is iets anders). Ik durfde niet meer op te trekken, Coen stelde gelukkig voor dat hij het zou overnemen. Ik moest wel net zo lang in de auto blijven zitten als mogelijk want we waren bang dat de handrem het niet zou houden, en dan zou Iz in haar eentje naar beneden denderen. Met moeite kreeg Coen Iz aan het rijden, op een vlakker stukje heeft hij hem in zijn 4x4 laag gezet, en toen reed hij met gemak omhoog. De beloning was een prachtig uitzicht over de weidse woestijn vallei. Nergens een flat, een fabriek of asfaltwegen. Ik probeerde in te schatten of Amsterdam in deze vallei zou passen.

Inkopen en e-mailen
Op de hoogvlakte werd het iets groener en iets koeler. In Rehoboth rijden we van de piste af het asfalt op. Het dorp heeft twee asfalt wegen, de rest van de wegen zijn van zand. We besluiten hier inkopen te doen bij de Spar, dit is makkelijker dan in Windhoek, waar er meer kans is op auto-inbraken. We willen onze voorraad goed aanvullen want het komt niet vaak voor dat er een goed bevoorrade supermarkt te vinden is. Buiten de Spar staan drie kleine jongetjes, ze hebben oude versleten kleren aan en een van hun vraagt om eten. Coen zegt wel dat als je ze iets geeft er structureel niets wordt opgelost, maar ik kan hen toch niet voorbij lopen zonder ze brood, wat fruit of wat lekkers te geven. Ze zijn nog zo klein en hebben helemaal niets.

Naast de Spar is een internet café en we checken onze mail, dit kost veel tijd maar het is erg leuk om berichten van thuis te lezen. Mijn moeder heeft een nieuwe heup gekregen en is net uit het ziekenhuis. Mijn vader heeft foto's opgestuurd van haar in het ziekenhuisbed, het is net alsof we op bezoek zijn.

Al met al is het al weer laat geworden en we besluiten bij de dam in Rehoboth te overnachten. Lake Oanob Resort ligt er verlaten bij, wij zijn de enige gasten. s' Avonds wordt het steeds kouder. Ik durf niet naar het ablusion block omdat er twee honden blaffend op ons af komen rennen, we doen de afwas wel in het meer en plassen in de bosjes. s' Nachts wordt het ijzig koud.

Dik aangekleed
s' Ochtends is het nog steeds ijskoud. Er is elektriciteit bij de kampeerplaats en dik aangekleed maak ik de eerste twee reisverslagen klaar om verstuurd te worden. Zodra Coen wakker is probeert hij de digitale foto's te bewerken om ze met het reisverslag mee te kunnen sturen, maar we krijgen het niet voor elkaar. Gefrustreerd door de computer en de kou geven we het op, klappen de daktent in en gaan onderweg naar Windhoek. We luisteren naar Ramses Shaffy en Ry Cooder terwijl het landschap aan ons voorbij trekt.

Windhoek
s' Middags klappen we de daktent weer open op Arebush Travel Lodge campsite. Het is weer lekker weer en in mijn zomerjurkje zet ik de computer klaar om uit te zoeken hoe we de foto's moeten verkleinen. Maar de zon staat al weer laag en het wordt weer koud, ijzig koud. s' Nachts lig ik met mijn lange legeronderbroek, sokken, T-shirt, wollen trui en fleece onder een donsdeken te rillen van de kou.

s' Morgens gaan we in het restaurant zitten zodat we stroom hebben en proberen opnieuw de foto's te bewerken. Het lukt uiteindelijk maar we zijn er niet echt vrolijker van geworden. (Zodra Coen en ik samen achter een computer gaan zitten is het hommeles, dat was in Nederland al zo.) Onze poging om de reisverslagen met foto's in Windhoek te versturen maakt ons humeur er al niet beter op. Het internet café kost veel geld en de verbinding is super traag. Daarnaast weigert Yahoo de mail naar de 136 adressen te versturen. Om een lang verhaal kort te maken, na van alles geprobeerd te hebben heb ik de reisverslagen naar mijn vader gemaild en hem gevraagd om het door te sturen naar de hele mailinglijst. Mijn vader heeft samen met hulp van een buurman, Pieter Smak, de reisverslagen verstuurd. Onze dank daarvoor! (Anders was de stemming tussen Coen en mij vast nog grimmiger geworden dan hij al was.) s' Avonds hadden we ruzie, we gingen zelfs slapen zonder het goed te maken (nog nooit voor gekomen!). Maar het was weer zo ontzettend koud dat ik toch maar lekker tegen hem aankroop.

De andere dag hebben we gewinkeld in Windhoek en hebben we Brunhilde en Wim opgezocht die we vorig jaar ontmoet hadden. (Eigenaren van reisorganisatie Focus Travel in Windhoek. Wim is de enige Nederlands sprekende gids in Namibië.)

Naar het niet-westerse noorden
Van Windhoek zijn we naar Uis gereden. Om ons heen keken we tot aan de horizon naar het uitgestrekte landschap, dat als in een film telkens na verloop van tijd van vorm veranderd. Ik heb vast te veel in mijn appartement naar de tv gekeken. Zittend in een auto, kijkend uit de ramen lijkt het alsof er een film wordt afgedraaid, alsof je zelf niet van plaats veranderd maar de beelden worden verwisseld. Je kunt hier voortdurend de hele cirkel van de horizon zien, wat je een gevoel geeft in een viskom te zitten waarbij je zelf in het midden stilstaat.

We kampeerde net als vorig jaar bij Nico van Dyk. Het is hier heerlijk warm, ook s' avonds blijft het aangenaam. s' Morgens werden we gewekt door de motor van Nico's ultra light vliegtuigje. Na het ontbijt nam hij me mee en vloog ik met hem over de verlaten mijnen van Uis. We stegen op van een piste achter de camping. Ik dacht dat het heel eng zou zijn omdat er geen kap om het vliegtuig zit, je zit in een kuipje met als enige beveiliging een gordel om je middel. Maar gek genoeg voelde het heel natuurlijk. De eerste keer dat we een bocht maakten dacht ik dat ik uit het vliegtuig zou vallen maar er gebeurde niets. We vlogen een half uur rond, hij scheerde af en toe laag over de grond en dan weer hoog door de lucht. Coen stond beneden op de piste en Nico vloog er een paar keer overheen zodat ik Coen als een minuscuul poppetje zag staan. De rest van de dag hebben we de was gedaan, gelezen, bij het zwembad rondhangen en met onze Pools, Italiaanse buren gekletst. De volgende dag vertrokken we verder naar het noorden.


Opeens ben je echt in Afrika
In het zuiden van Namibië zijn geordende boerderijen van blanken, de landerijen zijn afgezet met keurig onderhouden hekkes (zoals Coen en ik ze noemen) en de winkels en huizen doen westers aan. De landerijen zijn hier niet zoals in Nederland, een boer bezit hier zoveel hectaren grond dat je na drie uur rijden nog steeds langs het land van dezelfde boer rijdt. Boven Windhoek verandert dat geleidelijk, en in het noorden bestaan de boerderijen uit een paar hutten en loslopende geiten en koeien, en geen hekkes meer. De winkels en benzinestations worden gerund door de locale zwarte bevolking (in het zuiden altijd door blanken). Opeens ben je echt in Afrika.

Vanuit Uis reden we door Khorixas en overnachte in Xaragu (stokstaartje) Camp, gelegen langs de piste D2620. Van Xaragu Camp reisde we naar Sesfontein. De afstanden zijn groot. Het rijden op een grindpiste is heel wat anders dan in Europa rijden. Je moet voortdurend de piste afscannen, lettend op potholes, grote of scherpen keien, diep zand, wilde beesten die opeens oversteken en steile afdalingen door rivierbeddingen, want bruggen zijn er uiteraard niet. Achter je ontstaat een enorme stofwolk waardoor je een achterligger niet altijd ziet aankomen. Je komt ook uren niemand tegen dus je schrikt je soms rot als een auto je met hoge snelheid inhaalt. Het is vermoeiend om zo geconcentreerd te rijden daarom rijden we om en om. Soms zijn er wasborden, als je te langzaam rijdt schud je uit elkaar en als je te snel rijdt bestaat de kans dat de auto gaat zweven en van de piste glijdt. Je bent dus telkens bezig de piste in te schatten en je snelheid en rijstijl aan te passen aan de omstandigheden.

Begrijpen hoe het in elkaar steekt
Fort Sesfontein Lodge dat we vorig jaar als een oase ervoeren, vonden we er vervallen uitzien. In de toiletblokken was van alles kapot en ook de campsite zelf zag er verwaarloosd uit. Dit is voor Coen altijd aanleiding om te bespreken hoe het komt dat de dingen die kapot gaan hier meestal niet worden gerepareerd en hoe het anders zou kunnen worden aangepakt. Maar we zijn er nog steeds niet uit, is de mentaliteit in Afrika zo wezenlijk anders of komt het door het gebrek aan onderwijs en de spiraal van armoede en uitzichtloosheid waardoor er niets lijkt te worden opgebouwd? Ik ben het boek: "Afrika, van de koude oorlog tot de 21e eeuw" van Roel van der Veen aan het lezen. Het gaat over de recente geschiedenis en de problemen van Afrika. Misschien werpt dit een licht op onze westerse kijk en gaan we begrijpen hoe het in elkaar steekt. Ik vind het in ieder geval enorm interessant om er over te lezen.

Gek zijn op elkaar
Fort Sesfontein is een Duits koloniaal fort, op de binnenplaats van het fort is nu een groot zwembad en overal staan palmen, hier kun je heerlijk zitten. Bij het zwembad ontmoette we Ineke en Otto, een Nederlands stel, zij waren enthousiast over onze reis en nodigde ons uit om met hun te eten in de lodge. Heerlijk weer eens een hele avond kletsen met iemand anders dan Coen. Coen en ik zijn zo goed als altijd samen, als we reizen zitten we naast elkaar in de auto, slapen doen we samen in de daktent, overdag op een campsite zijn we meestal niet verder dan vijftig meter van elkaar verwijderd. Maar goed dat we zo gek op elkaar zijn!

Tussen uitersten
De Himba's en Herero's leven in traditionele dorpjes apart van elkaar, maar in Opuwo leven ze samen. De Himba vrouwen zijn zo goed als naakt en zien er allemaal hetzelfde uit. Ze dragen leren lendendoeken en sieraden om hun nek, middel en enkels, hun haren zijn in een bepaalde steil gekapt. En alsof ze in een rood verfbad zijn gaan zitten, is alles aan hun steenrood gekleurd, van hun haren tot hun voeten. De Herero vrouwen zijn daarentegen geheel gekleed in Victoriaanse jurken die als een hoepel van hun middel tot aan de grond reikt. Op hun hoofd dragen ze een hoofddeksel met twee punten die als koeienhorens omhoog wijzen. Tussen deze uitersten in sta je dan in de bakkerij van Opuwo je brood te kopen.

Er woont geloof ik één Europeaan in dit dorp en in zijn Franse restaurantje hebben we gelucht, we sliepen op zijn camping midden in het dorp. De mensen zijn arm en spreken je aan in de hoop iets van je te krijgen. Bij de drankwinkel hangen de dronkaards rond. De rommel wordt niet opgeruimd, flessen en andere troep liggen langs de weg in grote hopen, varkens scharrelen rond. Het lijkt hier wel de middeleeuwen! Op de camping is bewaking. Wij zijn samen met een ander Nederland stel de enige gasten. Coen kletst wat met de barjongen en het valt me weer op hoe zorgvuldig en geciviliseerd Coen zich altijd gedraagt. Hij brengt keurig zijn glas terug naar de bar, als hij door een hekje gaat sluit hij het weer netjes en hij kijkt bijvoorbeeld altijd of we geen propjes papier per ongeluk zijn vergeten op te ruimen, als we ons kamp opbreken.

s' Nachts wordt ik (door mijn oordoppen heen) wakker van lawaai. Ik kijk uit ons raampje en zie drie auto's naast die van ons geparkeerd staan en allerlei mensen die druk doende en pratend aan het uitpakken zijn. Ze zijn net gearriveerd. Het is na twaalven. Coen wordt ook wakker en hij is boos dat ze ons uit onze slaap hebben gewekt. Ik voel de bui al hangen en probeer hem nog te stoppen maar Coen heeft de tent al open geritst en schreeuwt keihard: "Shut up! Shut up! We want to sleep." "Sorry, sorry", zegt een van de Italiaanse dames. En Coen schreeuwt woedend: "Sorry Sorry! You fucking Italians!" Is het de lariam (malariapillen)? Ik schaam me in ieder geval helemaal rot. De volgende ochtend was de stemming tussen de Italianen en ons niet echt gezellig. Ik wilde zo snel mogelijk vertrekken en Coen moest me beloven dit nooit meer te doen. Zo zie je maar, beschaving is een dun laagje.

Kaokoveld, een van Afrika's laatste ongerepte gebieden
Op de weg naar Opuwo zit veel wild, zoals luipaarden, die ik zo graag wil zien, woestijnolifanten en nog veel meer. Maar het enige dat we zagen was olifantenpoep. Misschien dat we in het Kaokoveld wild gaan zien? Voorbij Opuwo waren we vorig jaar niet geweest. In het Kaokoveld kun je alleen met een vierwiel aangedreven auto komen. We wilden helemaal naar het oosten er doorheen trekken, maar dit werd ons afgeraden. De pistes zijn daar zo slecht dat een Duits-Namibiaanse familie die er net doorheen was gereden er een week over had gedaan. En er is daar helmaal niets en niemand. In andere delen van Namibië kom je minimaal één auto per dag tegen maar hier ben je helemaal alleen. Er zijn ook geen boerderijen van blanken die vaak wel een satelliettelefoon of in ieder geval een auto hebben om je te helpen. Er is helmaal niets, je gaat terug in de tijd. De weg naar Epupa Falls is niet al te slecht en er komen af en toe toeristen langs, dus we besluiten om rechtstreeks daarheen te gaan.

Terug in de tijd
In vijf uur overbrugde we de afstand van 170 kilometer van Opuwo naar de Epupa Falls. De laaste twintig kilometer waren zo slecht dat we ieder uur wisselde met rijden. We vonden het beide wel erg leuk, dit is het echte werk. De smalle piste bestond uit stenen, rotsen en zand met veel drooggevallen rivierbeddingen. Er kwamen steeds meer bomen langs de weg, het uitzicht tot de horizon verdween. Het Kaokoveld is het gebied van de Himba's, langs de weg zag je de dorpjes, een aantal hutten bij elkaar, vaak in een kraal van houten takken. Kinderen rennen je achterna roepend om sweeties. Onderweg kwamen we een aantal keer een jager tegen, jongens met zo goed als niets aan en een speer in hun hand. Vrouwen lopend naar een onbekende bestemming probeerde van ons een lift te krijgen soms trokken ze bozen gezichten als we doorreden en aangaven dat we geen plaats over hadden in de auto. Een onbehaaglijk gevoel bekroop me, deze wereld ken ik niet! Dit is zo anders dan wat ik ooit in mijn leven heb meegemaakt. Deze mensen hebben denk ik geen weet van televisie, telefoon, internet, megashops en al datgene van wat ik al ken vanaf dat ik geboren ben. Het lijkt of de tijd hier stil heeft gestaan, mensen leven hier op een traditionele manier zoals eeuwen geleden.

Het landschap vonden we niet bijzonder mooi meer totdat we bij de Epupa Falls kwamen waar het water van de Kunene rivier twintig meter naar benden valt. Vrouwen doen de was terwijl de kinderen er spelen. Op weg er naar toe voelde we ons toeristen die kwamen kijken naar hun primitieve manier van leven, maar hier bij de waterval ben je met hun samen. Meteen toen we aankwamen pakten de kinderen me bij mijn hand en moest ik met ze spelen. In het water gingen twee meisjes met mij zwemmen, op mijn rug paardje rijden en vlochten mijn haren. Heel anders dan bij ons waar kinderen niet eens zomaar een vreemde volwassenen aanspreken, laat staan met ze spelen. De andere dag toen ik weer bij het water kwam kwamen de meisjes me meteen omhelzen en wilde ze verder spelen.

De camping ligt iets stroomopwaarts van de waterval. We staan tussen de palmbomen, het bulderen van de waterval klinkt op de achtergrond en aan de overkant van de rivier zien we Angola liggen. We zijn gelukkig, Coen in zijn hangmat en ik lekker lezen, nietsdoen en de was doen.

Wegblokkade?
Uiteindelijk wordt je wel dol van het gebulder van de waterval. Na een paar dagen braken we ons kamp weer op en vertrokken naar Ruacana. Het eerste deel reden we dezelfde weg terug want het eerste deel van de weg langs de grens zou vreselijk slecht zijn, het zou je minimaal een dag kosten om de zesennegentig kilometer af te leggen. Verderop werden we ergens omgeleidt, waarschijnlijk omdat de rivier over de piste was gestroomd. We reden recht de bush in, een rivierbedding door waar water in stond. Een jongetje kwam op ons afgerend en we kwamen dwars door een dorpje. De Himba's gingen op de weg staan alsof ze ons niet door wilde laten. Even dachten we allebei dat de omleiding opgezet was om toeristen te overvallen, maar gelukkig gingen ze opzij.

Bij Swartsbooidrift kwamen we weer bij de Kunene aan. Er staat daar een monument voor de afstammelingen van de Dorslandtrekkers die uit Angola naar Zuid-West Afrika (Namibië) waren gekomen. Volgens Coen de eerste overlanders dus die wilde al naar de bijeenkomst die net op dit moment plaatsvond. Toch maar doorgereden, want volgens mij zijn dit van die bierdrinkende wild schietende boeren, deze overlanders van Coen. We overnachtte in Ruacana, op een totaal verlaten camping. Ik had hoofdpijn van alle indrukken en van het besef me te bevinden op een plek waar alles vreemd voor me is, afgesneden van alle comfort en zekerheden die ik in Amsterdam om me heen had.

Twee werelden
Ik voelde me nog niet helemaal toppie dus Coen reed de andere dag. In Ruacana begint het asfalt, wat we minder leuk vinden, en ons prachtige Namibië vonden we hier niet meer terug. Het leek wel alsof we al over de grens waren. Geen vergezichten meer, maar een lange rechte weg met daarnaast bomen, struiken, troep en veel mensen. De asfalt weg leek de vooruitgang te vertegenwoordigen, maar langs de weg wonen de mensen gewoon nog in hun ronde hutten van leem en stro. Koeien, ezels en geiten lopen vrij rond. Aan de rechterkant van de weg is een irrigatiekanaal aangelegd waardoor de beesten telkens oversteken om daar te gaan drinken. Je mag er 100 of 120 km per uur rijden, terwijl de bevolking verder leeft zoals ze deden toen dit nog een ge‘galiseerd pad was. Kinderen van twee jaar oud lopen er alleen vlak langs de rand van het asfalt. Maar ze lijken te weten dat ze niet opeens de weg op moeten lopen. Twee werelden komen hier samen.

In de twee plaatsjes waar we doorheen kwamen, Outapi en Oshakati, was de plaatselijke bevolking opeens allemaal in het bezit van een auto. Het was enorm druk op de weg, en langs de weg zag je het ene autokerkhof na het andere. Als je nog reserve onderdelen voor je auto nodig had, was dit de plek waar je moest wezen volgens Coen. Overal waar we geweest zijn loopt de locale bevolking omdat ze geen andere manier hebben om zich te verplaatsen. Ook zie je wel mannen op een fiets, soms zelfs met hun hele gezin (op één fiets). Vaak moeten ze dagen onderweg zijn, want in de weide omgeving is er helemaal niets waarheen hun tocht zou kunnen leiden. Maar hier heeft dus iedereen een auto. En nog steeds steken de beesten over als ze daar zin in hebben. De geiten waren het lastigste in te schatten. Zal ik wel of zal ik niet lijken ze te denken. Voor twee ezels was het niet goed afgelopen, hun dode lichamen lagen naast de weg. Niemand was op het idee gekomen om ze op te ruimen. Dit zijn toch wel de dingen die voor mij als geordende Europeaan moeilijk te begrijpen zijn. Bij de bottle stores (waar er vele van zijn) liggen stapels kapot gegooide lege flessen. Het was snikheet, en we moesten samen op de weg letten om geen ongelukken te maken. Doodmoe kwamen we in het donker aan ten oosten van Etosha (National park), we logeerden op een boerderij annex camping en wildparkje.

Met Andy en Sandy, een Canadees-Engels stel dat op wereldreis is, en ook logeerde bij deze boer, maakte we een halve afspraak om samen door Kaudom Game Park richting de Caprivi te rijden. Zij wisten ons te vertellen dat je minimaal met twee 4x4's moet zijn om door Kaudom te mogen rijden. Wij bleven nog een dagje om wat bij te komen. Zij reden vast vooruit omdat ze problemen met de auto hadden en op Coen's aanraden in het volgende stadje er naar zouden laten kijken.

Beelden uit een film
Het was snikheet en waren daarom de hele dag tot niets in staat. De boer wel, die ging met drie blanke gasten (die zullen er wel dik voor betalen?!) jagen. In het donker keerde ze terug, de auto reed door naar achteren, dus hoogst waarschijnlijk hadden ze iets geschoten. Het was donker dus we konden het niet goed zien. Toen Coen en ik gezellig zaten te eten hoorde we gezaag. Ik wist meteen wat er aan de hand was, beelden van films verschenen voor mijn geestesoog terwijl dit geluid uit het donker oprees. Getverdemme, ze zijn het beest in stukken aan het zagen!
s' Morgens, voor we vertrokken heeft Coen een foto gemaakt van het ontvelde hoofd van deze ongelukkige Spiesbok.

Op twee september reden we via Grootfontein, waar we bij de Spar inkopen deden en Duitse gebakjes aten, door naar Tsumkwe, waar we Andy en Sandy hoopte te treffen. De weg naar Tsumkwe is een rechte grind piste van 250 kilometer lang, langs de zijkanten staan bosjes en bomen, alles oogt dor en ongezellig. De piste was vrij goed dus konden we lekker doorkachelen, alleen voor de veecontrolepost waar je altijd je rijbewijs of een ander belangrijk papier moet laten zien voor je wordt doorgelaten, moesten we stoppen. We passeerde een paar San dorpjes (afstammelingen van de eerste bewoners van (zuidelijk) Afrika), maar dat was dan ook alles (heel anders dan in Nederland waar je op zo'n afstand vele dorpjes en steden passeert). Opeens zag ik een San-man op de grond liggen met zijn fiets nog tussen zijn benen, of hij vanuit fietsende positie, zonder tuimelingen, op de grond was neergezakt. Wat moeten we doen? Stoppen of doorrijden? Misschien moeten we hem reanimeren? Coen twijfelde en reed voorbij de man voordat hij vaart minderde. Terwijl we bespraken wat we moesten doen zag Coen in zijn achteruitkijkspiegel dat de man razendsnel opstond. Was dit bedoelt als overval methode, of zijn het gewoon rare jongens die San? We waren in ieder geval blij dat we altijd zo voorzichtig zijn.

Zeer vastberaden!?!?
We kwamen in het donker aan in Tsumkwe, een dorp van een paar hutten en een klein winkeltje, en gelukkig een lodge met camping. Het zag er wel gezellig uit, we kookte, aten en zaten wat bij het vuur voordat we gingen slapen. De andere dag was het weer snikheet, er zaten daar vliegen en muggen die ons staken. Andy en Sandy zouden ons een satelliet-sms sturen zodat we zouden weten waar ze uithingen, maar we kregen geen bericht. Het nummer van hun mobiele telefoon werkte niet. We informeerde bij de lodge naar het park. Volgens de eigenaar, een blank jong stel, was het zuiden van Kaudom wel te doen maar in het noorden was het zand zo diep dat het je dagen zou kosten om er door heen te komen. En de overheid raadde iedereen af om er alleen doorheen te reizen, maar ze zouden je niet tegenhouden. Coen vond dat we toch moesten gaan, ook al kwamen Andy en Sandy niet, we hadden niet voor niets die saaie lange weg gereden, daarlangs wilde hij niet weer terug. En we zijn toch naar Afrika gegaan voor het avontuur, dus konden we nu niet omkeren.

Ik zag het helemaal niet zitten. We hebben dan wel een satelliettelefoon bij ons, maar ik kon me niet voorstellen dat ze je snel komen helpen als je daar vast zit. Zelfs de eigenaar van de lodge zei dat zij het nooit zomaar zouden doen, en dat ze met hun Land Rover stapvoets vooruit kwamen in het moeilijkere gedeelte in het zuiden, laat staan in het noorden. Maar Coen was vastberaden. Ik was bang dat hij me ging overhalen, of dat Andy en Sandy zouden aankomen en ze me met zijn drie‘n zouden overhalen. Ik zag het zelfs met hun erbij al niet meer zitten, ik wilde hier zo snel mogelijk weer weg. Na kort beraad met mezelf besloot ik dat ik het hoe dan ook niet zou doen, we hadden ons helemaal niet goed voorbereidt, we hadden een halve afspraak met Andy en Sandy, we hadden Touratech (ons navigatiesysteem) niet op orde. Ik vond het veel te ondoordacht en alle moeite niet waard. Toen ik dit met Coen besprak zag hij na lang heen en weer praten toch ook wel in dat het misschien niet zo'n goed idee was. We reden die dag nog de lange rechte weg van 250km terug naar Grootfontein. Als troost kochten we bij de Spar heerlijke Duitse gebakjes, ieder drie.

Van Grootfontein reden we over de asfaltweg naar Rundu, het begin van de Caprivi Strip. Een strook Namibiaans land van 20 bij 400km, ingesloten door Angola, Zambia en Botswana. Langs de weg stonden steeds grotere, groene bomen, het droge Namibië hadden we achter ons gelaten. De mensen wonen in rieten hutten met rieten daken, en vaak zijn de kralen om de hutten heen ook van riet. Het ziet er gezellig en vriendelijk uit (al die tuinhuisjes). Op de tweebaans asfaltweg ben je bezig de potholes te omzeilen. We kregen de indruk dat hier opbouwende dingen gebeuren, er werden overal schooltjes gebouwd en langs de weg werd houtsnijwerk en fruit verkocht. We stopte om wat te kopen en meteen stond heel het dorp om ons heen. De kinderen riepen om sweeties maar die hadden we niet meer, dus gaf ik ze pennen. Niet zo handig, we zaten alweer in de auto en via Coen zijn kant gaf ik hun de pennen. Gretige handjes graaiden langs Coen naar mijn uitgestrekte handen, en de voorste kinderen werden platgedrukt tegen de autodeur aan. Dat moet volgende keer anders! In Rundu tankte we benzine, meteen renden alle kinderen op ons af om houtsnijwerk, fruit en gekookte eieren te verkopen. Ik kocht van één jongetje en één meisje een aantal sinaasappels. Ondertussen dat ik afrekende waren zij druk bezig om de opdringerige andere verkopertjes bij ons weg te houden.

Was Lee Towers hier?
Over de piste rijden we naar N'kwasi lodge, langs kleine groepjes hutten. Kinderen komen naar de kant van het pad gerend en staan te zingen en doen een soort dansje, of is het een soort groet? Helemaal duidelijk vindt ik het niet. Ze bewegen ritmisch hun arm van voor naar achter, waarbij hun vuist uitkomt op hun borst, hun heupen wiegen. Volgens Coen is Lee Towers hier geweest om hun dit te leren (of zij hebben Lee Towers les gegeven).

N'kwasi lodge ligt aan de Kavango rivier, we blijven er drie nachten, we kunnen nog steeds niet goed rust vinden. We vinden van één kant dat we steeds maar door moeten reizen maar willen ook lekker een plekje voor onszelf hebben waar we kunnen lezen en relaxen. Het reizen is enerverend, elke dag zie je nieuwe en vaak ombekende dingen. We hebben tijd nodig om alles te verwerken voordat we weer nieuwe input aankunnen.

Niet zo los in de heupen
Op de camping lopen half wilde paarden rond en er is een struisvogel die vlak bij onze auto komt grazen. Coen ligt één hele dag onder de auto om de aandrijfassen en wielophanging door te smeren. Ik assisteer hem, maar hij doet het zware werk. s' Avonds is hij gebroken van de hele dag op de grond liggen. Hij is de hele dag lastig gevallen door de vliegen die blijkbaar gek zijn op stoffige, zwetende mensen. We gaan naar de dans-, en zangvoorstelling kijken van de locale bevolking en eten daarna in de lodge. Ik werd tot twee keer toe de dansvloer op getrokken en moest mee dansen. (De Afrikaanse dansworkshop die ik ooit gedaan had kwam goed van pas). Coen was zeer opgelucht dat hij werd overgeslagen. Hij is niet zo los in de heupen.

We rijden de rechte weg van de Caprivi naar Kongola, waar we afslaan richting de lodge waar Johan's (de chef kok van Solitaire lodge) broer als manager werkt. Het grootste deel van de Caprivi vinden we niet mooi, het landschap bestaat uit afgebrande en kaal gehakte stukken bos, de weg is lang en recht en je hebt geen weidse uitzichten. In Caprivi Game Park staan om de honderd meter borden die je op het gevaar van overstekende olifanten wijzen maar we zien er geen één.

Trillende benen
We worden vriendelijk ontvangen en zoeken als het al donker is een plekje voor de Jeep. Wij zijn de enige gasten. Op de kampeerplaats ligt olifanten poep, hier zijn dus wel olifanten. Staan we zo wel goed of is dit precies waar ze samenkomen? We slapen nog maar even als ik wakker wordt van geluid in de bosjes. Ik hoor takken en bomen knappen, er loopt iets groots. Ik zit rechtovereind alles in de gaten te houden. Coen wordt ook wakker. Het geluid komt steeds dichter bij. Een nieuw geluid komt erbij, iets groots laat zich vlakbij, onder aan de helling, in de rivier vallen. Ze zijn met meerderen, kunnen ze de helling opklimmen naar de camping? We weten het niet zeker, het was al donker toen we aankwamen en we hebben de omgeving niet echt kunnen verkennen. Ze zijn met vele, ik wordt steeds banger. Ik zit rechtop in de tent met mijn benen voor me uitgestrekt, ze trillen. Ik weet niet zeker of ik niet in mijn broek ga plassen als de olifanten opeens in het zicht komen en recht op de Jeep aflopen. Maar mijn gebeden worden verhoord en de olifanten blijven uit het zicht. Jezus Christus, ik kom uit Nederland, ik ben dit echt niet gewend. Volgens Coen was het net alsof we in Artis in het olifantenverblijf aan het kamperen waren.

De andere dag vertelde de mensen van de lodge ons dat het of nijlpaarden of olifanten waren die we in de rivier hadden gehoord. Ze vinden het maar lachwekkend van die Europeanen die bang zijn voor wat olifanten. Ze doen nooit wat (bijna nooit)!

Ze lieten zich niet zien
Johan zou naar de lodge komen, hij heeft vakantie. We vonden het leuk om te blijven om hem nog even te zien. Overdag maakte we met een plaatselijke gids een tochtje door de riviertjes. Het is net Waterland, bij Landsmeer waar ik ben opgegroeid. Er zijn hier alleen krokodillen en nijlpaarden in het water en op het land lopen olifanten en ander wild. Maar ze lieten zich niet zien, dus ik moest vooral denken aan het Ilperveld. Wel zagen we heel veel mooie vogeltjes. We zien trouwens onderweg ook vaak prachtige grote arenden en andere roofvogels.

De ander ochtend kwam Johan ons begroeten bij de tent, we dronken wat met hem en vertrokken toen naar het grensplaatsje Katima Mulilo, waar we Namibië zouden verlaten en moesten beslissen of we de Victoria watervallen van de Zambia kant of van de Zimbabwe kant zouden gaan bezichtigen.

In Katima Mulilo klapte we onze daktent open langs de Sambesi rivier. We hoorde de nijlpaarden maar zagen ze niet. Coen had die avond koorts en we besloten een dagje te blijven in plaats van al door te rijden naar Vic. Falls, Namibië uit.

Niets uit bovenstaande tekst mag worden gepubliceerd zonder voorafgaande toestemming van de auteurs.
Het zelfde geldt voor alle afbeeldingen en foto's.

Mirjam van Tiel & Coen Barthels © 2003