|


Onderweg naar Drysdale River Station
(Foto
M&C)

Een
koele drank op Drysdale River Station
(Foto
M&C)

Een
van de stoere road trains
die klaar
stonden om het gevangen vee af te voeren
(Foto
M&C)

Terug
op de Gibb River Road

Op Mount
Barnett Roadhouse
probeerden we Yvette te bellen ...
(Foto
M&C)

... maar dat lukte niet, dus
zongen we "Lang zal ze leven"
in op het antwoordapparaat
(Foto
M&C)

De
Imintji Store,
een eenzame winkeltje
dat voor supermarkt speelt
...

...
een eenzame pomp, waar je
alleen diesel kon tanken

...
en er is een bushalte

Aan de rand van de afgrond ...
(Foto M&C)

... bij de Bell Gorge waterval

Ons
uitzicht aan de voorkant
van
onze kampeerplaats: Pandanus
Spring

Even
een vol gastankje ophalen
bij
de
Imintji Store,
en koffie drinken
op het terras
(Foto M&C)

Windjana
Gorge National
Park

De
paarsrode wand van het
350 miljoen jaar oude zandsteenrif,
dat gevormd werd in het Devoon

Deze
gorge is het leefgebied van
de zoetwater krokodillen

Met
de roodbestofte Nissan X-trail
gingen
Mirjam en Coen terug naar de woestijn
"Ben
voorzichtig!" en "Tot in Toogoom"

Met liedjes van
over de hele wereld
besloten we deze dag

Bij de ingang van Tunnel
Creek
zag je
in de duisternis
veel
lichtjes
twinkelen
...

... van
de zaklantaarns van
mensen
die naar buiten kwamen

De weg die heel wisselend
van karakter was en heel slecht
van kwaliteit kruist
hier
voor de
tweede keer het rif

Op
een cattle station wachten
de koeien
luidruchtig op transport

De
machtige Fitzroy River heeft
meer weg van
getijdengeulen op het wad

Geikie National Park
is
onderdeel van
het
350 miljoen jaar
oude rif
dat dateert uit het Devoon

Een
langdradige bijna
liniaalrechte "snel" weg naar
Broome

Het
Overflow Caravan Park in
Broome,
waar
we het
allerlaatste plaatsje veroverden
dat er nog over was
(Foto Rieky)
|
The
land of the Aborigines, deel 7
Zouden ze er nog zijn, of waren ze al weg
We wisten waar we aan begonnen, de weg terug over de slechtste
"weg" die we ooit gereden hadden. Maar eerst moesten
we de olie nakijken en de kilometerstand noteren.
We noteerden 19 juli, kilometerstand 3776 km, tijdstip van
vertrek 6.45 uur. Wij zouden vooruit rijden en na anderhalf
uur rijden stoppen om op Mirjam en Coen te wachten. Het moeilijkste
stuk hadden we dan hopelijk achter de rug. Even buiten Kalumburu
splitste de weg zich. Op de kaart was geen splitsing aangegeven,
de wegen deden qua structuur en breedte niets voor elkaar
onder, dus moest ik diep graven in mijn herinnering om uit
te vinden van welke weg we waren afgekomen. Ik besliste ter
plekke dat we de meest rechtse moesten inslaan. Ik bleef toch
nog enkele kilometers lang twijfelen of ik wel de juiste beslissing
had genomen, ondanks dat ik steeds dacht dat ik herkenningspunten
zag. Maar we zaten vanaf het begin goed.
De terugweg onderscheidde zich van de heenweg alleen door
dat we moesten wachten op Mirjam en Coen, die later toegaven
dat ze even buiten Kalumburu de verkeerde weg hadden genomen.
Gelukkig hadden ze snel op de GPS gezien dat ze fout zaten,
bovendien waren ze nog al vaak gestopt om foto's te maken.
En er liepen veel meer koeien op en langs de weg.
We hadden geschat dat het ons 8 uur zou kosten om naar Drysdale
River Station te rijden, maar we deden het in zes en een halfuur.
Daar aangekomen was mijn eerste opdracht om te kijken of we
daar 's avonds konden dineren, en dat kon gelukkig, want Rieky
en ik hadden op dit punt nog een belofte aan Mirjam en Coen
in te lossen. Toen ik terug kwam zaten de dames chocoladetaart
te eten met thee, dus Coen en ik bestelden een mandje frites,
een koffie voor Coen en biertje voor mij. Intussen verwonderden
we ons over de mensen die gingen opbellen in de hele grote
koelkast die onder een afdakje aan de rand van het grasveld
stond. We begrepen eerst niet waarom dat was, maar de telefooncel
was in het omhulsel van een koelkast gebouwd zodat men de
deur waterdicht kon afsluiten in het regenseizoen en de telefoon
niet steeds weer waterschade kon oplopen.
Daarna gingen Rieky en ik samen naar de winkel om ons aan
te melden en om te informeren of de campingbaas misschien
andere Nederlanders had ingeschreven met de naam Koppen. Hij
herinnerde zich dat niet, maar hij stelde voor dat we samen
het register van de laatst dagen zouden doorkijken. Met onze
vinger gingen we langs alle namen, maar de familie Koppen
uit Amsterdam stond er niet tussen. We waren ons bewust dat
vooral Charles ons graag wilde ontmoeten down under. We begrepen
er dus helemaal niks meer van, want op het schema van Charles
en Norma stond duidelijk dat zij hier een dezer dagen zouden
zijn.
Toen we na onze reis thuis kwamen vertelde Charles aan mij
dat ze nooit verder gekomen waren dan El Questro en daarna
waren teruggereden naar de Northern High Way en vandaar verder
gegaan in de richting Broome. Ze hadden de Gibb River Road
toch niet aangedurfd nadat een stel Australiërs hun verteld
hadden hoe bar en boos die weg wel kon zijn en soms ook was.
Maar daar waren wij gedurende onze reis niet van op de hoogte.
We bleven dus naar hen uitkijken als we weer ergens aankwamen.
Een koeienjacht met heli's
We zochten een goed plaatsje onder de bomen voor onze camper
en aangezien we redelijk vroeg waren zouden Mirjam en Rieky
van de gelegenheid gebruik maken om een was te draaien voordat
we gingen eten. Om 6 uur sloten we de boel af en gingen we
met zijn viertjes richting de bar en het restaurant. Het werd
in een mum van tijd hartstikke donker en ook vreselijk koud,
maar op het grasveld van het terras was een groot vuur ontstoken.
En daar zaten al meerdere mensen te wachten tot ze rond 7
uur aan tafel konden gaan. Ook wij zochten een plaatsje bij
het vuur nadat we een paar consumpties hadden gehaald.
Het diner boden wij aan ter ere van het feit dat Mirjam en
Coen een maand geleden getrouwd waren. Eigenlijk was de juiste
datum toen we in El Questro waren. Het diner was voortreffelijk
en de witte wijn smaakte ons perfect. Groente, fruit en vlees
die wij hier met geen mogelijkheid konden kopen stond hier
op tafel. Dit was een klein stukje verfijning temidden van
het ongerepte waarin we nu rondreden.
Nadat we afgerekend hadden waarschuwden
de mensen van het restaurant ons dat we morgenochtend, zodra
het licht werd, wel eens wakker konden schrikken van het geraas
van 5 helikopters. Want op dit 60x60 vierkante kilometer grote
cattle station wordt jaarlijks met behulp van helikopters
het vee bijeengedreven op een grote open plek in de bush,
waarna het vee in road trains wordt afgevoerd. Een
van de stoere road trains stond al een tijdje klaar
op de campsite. Op de voorkant stond de tekst "Still
Pushing' on". We waren dus gewaarschuwd voor mogelijke
overlast.
Op 20 juli was onze oudste dochter Yvette jarig. We feliciteerden
elkaar onder het ontbijt met haar verjaardag, maar het was
nog nacht in Nederland dus had het helemaal geen zin haar
nu te bellen.
Om ongeveer 8 uur gingen we weg van Drysdale River Station
en reden terug in de richting van de Gibb River Road. Onderweg
passeerden we een rijtje van 5 rechtopstaande kangaroe's aan
de rand van de weg, 3 grote en twee kleintjes. Het leek wel
een beeldengroep. In de achteruitkijkspiegel zag ik ze wegspringen
in de bush. Even later stond er midden op deze verlaten
weg een road train met pech. Zo'n ding is een geweldig
groot obstakel, maar de weg was breed genoeg om er langs te
kunnen rijden.
Bij de afslag naar de Gibb River Road stopten we nog even,
alvorens we verder reden in westelijke richting. Hier stonden
heel veel borden met informatie en de aansporing om "je
kampvuur niet uit de hand te laten lopen".
Halfweg Gibb River Road
Toen we nog maar net op Gibb River Road reden, werden we ingehaald
door een van de road trains vol koeien. Deze truck
met aanhangers denderde ons voorbij en liet ons achter in
een kolossale wolk van rood stof. Zo dik, dat we wel moesten
stoppen langs de weg. We konden geen hand voor ogen zien,
en zeker ook niet waar we reden. Zodra de stofwolk was opgetrokken
konden we pas verder. Verder in westelijke richting, dwars
door een wisselend landschap, vervolgden we onze weg en moesten
we nog tientallen rivieren en kreken door. Na iets meer dan
een uurtje bereikten we de afslag naar Barnett River Gorge.
Vanaf de weg was het maar 3 km, maar we vroegen ons eerst
wel in alle ernst af of dit wel zou lukken en of dit stukje
weg nog wel "weg" genoemd mocht worden. Het was
meer een trail met gapende gaten en een verraderlijk diep
spoor van harde klei en leem, een spoor waar je in gedwongen
werd als je niet goed uitkeek. En aan weerszijden de onmogelijkheid
om uit te wijken. Uiteindelijk bereikten we een weelderige
oase van groen waar een klaterende kreek doorheen stroomde.
Hier parkeerden we om wat te eten en te drinken. De rest van
het pad konden we beter lopen, dachten we.
Het was werkelijk de moeite waard dat we deze afslag hadden
genomen. Een wild stukje natuur met veel fris groen en veel
water. In de informatie over deze plek stond dat in de omgeving
van een grote boab tree, tegen een van de rotswanden van de
gorge Aboriginal RockArt te vinden moest zijn, maar
hoe we ook speurden we konden de tekenigen en schilderingen
niet ontdekken. Verder de gorge in gaan was niet zo
gemakkelijk gezien de ruige bebossing en het vele water. Jammer,
maar we konden niet alles hebben en we wilden ook wel verder.
Het was nu nog zo'n 70 à 80 km naar Mount Barnett Roadhouse,
waar we zouden kamperen. De weg was heet en stoffig, het waren
de kreken en rivieren die we door moesten die nog voor enige
verkoeling zorgden. Op een gegeven moment was het "erg
druk" bij de open plek waar we door de brede ondiepe
rivier heen moesten rijden. Er waren wel 5 à 6 verschillende
auto's die ongeveer gelijktijdig bij de rivier aankwamen.
Een file?!?! Zo zie je hoe snel je er aan went als er weinig
verkeer op de wegen is en hoe snel je dan 5 à 6 4WD's
een "erg druk verkeersbeeld" gaat vinden.
Vanwege de warmte en het stof waren we dus blij dat we het
bord zagen dat onze bestemming op 5 km afstand aankondigde.
Toen we het voorterrein van het roadhouse opreden stonden
er wel 7 of 8 donkerrood bestofte 4WD's met of zonder aanhanger,
om te gaan tanken, om inkopen te gaan doen of zich te melden
voor de campsite. Het was half drie in de middag en
we wilden eerst naar onze jarige dochter bellen. Dat zou nu
moeten lukken omdat het in Amsterdam half negen in de morgen
was, maar er werd jammer genoeg niet opgenomen, noch door
Yvette, noch door Wim. We hebben toen maar met ons viertjes
op het antwoordapparaat van de jarige ons "lang zal ze
leven" ingezongen.
Na ons afgemeld te hebben en we onze voorraden hadden aangevuld
reden we door het hek de weg op richting "Manning Gorge
and Campsite" dat 7 km verder van de Gibb River Road
lag. De weg erheen was in een redelijke staat van onderhoud.
We moesten wel twee keer door de Manning River heen om ons
doel te bereiken. De campsite was gesitueerd rondom
een meertje dat in het midden doorwaadbaar was. We zochten
een leuke plaats onder de bomen om de nacht door te brengen.
Hier ontmoeten we voor de zoveelste keer Ricardo & Andrea,
een stel uit Duitsland die ook met een 4WD Apollo Camper rondreden
zoals wij. Zij hadden hun camper voor een half jaar gehuurd
(voor hun reisverhaal zie: leuverink.net/oz2006.
Bij deze hernieuwde ontmoeting hadden we eindelijk eens de
kans om bij te praten, omdat alle andere keren dat wij hen
onderweg zagen daar geen gelegenheid voor was geweest.
Toen wij eindelijk hun relaas hoorden over Apollo, hun Apollo
camper en hun lijst met klachten, vielen die van ons daarbij
zo goed als in het niet. Ricardo vertelde wat er allemaal
niet deugde en stukgegaan was aan hun 4WD Apollo Camper en
hoe ze behandeld waren op de verschillende servicepunten van
de Apollo Organisatie. Dat was geen opwekkend verhaal om te
horen. Gelukkig waren Ricardo & Andrea er niet de mensen naar
om hun reis te laten verzieken door al dit ongemak.
Ricardo vertelde ook, dat het voor hen de tweede keer was
dat zij voor een langere tijd een 4WD camper bij Apollo hadden
gehuurd, maar dat juist die eerste keer alles perfect verzorgd
was geweest en ze toen hoegenaamd geen averij hadden gehad.

Een supermarktje en een dienstregeling
De volgende morgen vertrokken we na een nieuwe watervoorraad
te hebben ingeslagen in de richting van de King Leopold Ranges.
Het landschap veranderde sterk van karakter, eerst de weidse
vergezichten met tafelbergen in de verre verte, daarna kwam
er meer en meer beweging in hoogtes en laagtes, dan weer wildernis
afgewisseld met hier en daar de sporen van menselijke aanwezigheid.
Ook hier stonden de bijna ontelbare waarschuwingsborden met
"floodway", zoals je die in heel Australië
vindt, maar voor floodways was het nu toch echt te
droog. En dan ineens stond er in deze "onbewoonde wereld"
ook een bord dat waarschuwde voor kinderen die de weg zouden
kunnen oversteken. Maar we zagen geen mens, we moesten dus
wel in de buurt zijn van de Imintji Store en haar Aboriginal
Community. En jawel, na een kilometer arriveerden we bij het
leuke, eenzame winkeltje dat voor supermarkt speelt.
De Imintji Store heeft grote betekenis voor iedereen die zich
op Gibb River Road waagt. Hier kan men zijn voorraden aanvullen.
Dat gold dus ook voor ons, want wij waren om maar iets te
noemen door ons gas heen, en bovendien waren we erg nieuwsgierig
hoe zo'n winkel, zover van de bewoonde wereld, er uit zou
zien.
Tot onze schrik waren ze door hun gasvoorraad heen. De mevrouw
van de winkel verwachtte pas aan het eind van de middag nieuwe
voorraden binnen te krijgen. Daar konden we niet op wachten.
We spraken af dat we na ons bezoek aan de King Leopold Ranges
even een stukje terug zouden rijden om een nieuw tankje met
gas op te halen. Dat was maar 37 km om.
Aan de buitenkant was de Imintji Store een door de hier levende
Aboriginals bontbeschilderde en bloemrijke waranda waar plaats
was om in de schaduw van een kopje koffie te genieten, en
dat leek ons wel wat met uitzicht op een eenzame pomp, waar
je alleen diesel kon tanken, en een stellage met drie grote
reservoirs.
Van binnen had de winkel veel weg van een langgerekte caravan
die aan weerszijden van een smal pad zijn koopwaar aanprees
vanaf echte schappen, en een paar koelmeubelen zoals in een
echte supermarkt. Maar wel eentje waar meer keuze was dan
elders in deze regio, alcoholische drank uitgezonderd.
Terwijl we onze inkopen deden kwamen er Aboriginal kinderen
uit het dorpje om ijsjes te kopen, en jonge mannen voor sigaretten.
Het leuke was dat je hier nog tussen al die moderne producten
ouderwetse merkverpakkingen vond, zoals bijvoorbeeld de originele
Sunlightzeep verpakking die herinneringen opriep aan mijn
jeugd. Intussen maakte Coen hier een reeks prachtige foto's,
met toestemming, van Aboriginal kinderen en hun ouders.
Op het publicatiebord vonden we aardige krantenartikelen,
foto's, aankondigingen van exposities e.d., maar wat het meest
opviel was het bordje "Bus Stop" van de Gibb River
Express. Drie dagen in de week kun je, eenmaal per dag van
hieruit om 2.45 pm naar Derby en drie andere doordeweekse
dagen om 9.15 am naar Kununurra. Maar er werd de reiziger
wel aangeraden vooraf te reserveren.
De site tag en de goddelijke plek
Het was nu nog maar 8 kilometer rijden naar de afslag King
Leopold Range Conservation Park. En vanaf hier moesten we
dus nog 19 km van de weg af richting Silent Grove, en dan
nog eens 10 km verderop ligt Bell Gorge.
Beide plekken hebben een campsite volgens de map. Ook
hier bestond de weg voor een groot deel uit modder, diepe
kuilen met water en kreken die de weg kruisten. Silent Grove
deed zijn naam eer aan, naast eenvoudige sanitaire voorzieningen,
en een picknickplaats onder de bomen was er niets dan een
grote open plek. Geen mens was er, zelfs de ranger
was in geen velden of wegen te zien. Hier dronken we wat onder
de bomen, alvorens we verder zouden gaan naar Bell Gorge,
want de Silent Grove campsite leek ons niet de meest aantrekkelijke
plek om te verblijven. Maar hadden we niet bij het oprijden
van dit terrein een bord gezien waar ook info over de Bell
Gorge campsite op te lezen was?
Teruglopend zagen we een telefooncel van Telstra staan, eenzaam
temidden van een grote stenige roodgele vlakte, een heel onwerkelijk
beeld temidden van de ongerepte natuur en ver van de "beschaafde
wereld".
Bij het publicatiebord aangekomen begrepen we al snel dat
als we op de Bell Gorge campsite wilden kamperen we een van
de site tags van het bord moesten afhalen en meenemen.
Op dat aluminium plaatje staat een naam van een kampeerplaats
waar je dan de komende nacht mag staan. Van de 10 site
tags waren er al 8 van het bord verdwenen. Omdat we verzekerd
wilden zijn van een plaats namen wij er ook een mee. En omdat
het nog vroeg was konden we nog gemakkelijk eerst de wandeling
gaan maken naar Bell Gorge en de waterval die beide voorbij
de Bell Gorge campsite lagen. Onderweg kwamen we eerst langs
de kampeerplekken (je moet dan niet denken aan de kleine afgebakende
kampeerplaatsjes zoals we in Europa kennen, maar deze tien
plaatsen lagen verdeeld over ongeveer een kilometer langs
de weg en hebben allemaal hun eigen oprit met een lengte van
ongeveer 25 à 30 meter die toegang geeft tot een grote
open ruimte met een doorsnee van zeker 20 meter).
Vanaf hier reden we verder naar de parkeerplaats van waaraf
we begonnen aan de smalle Bell Gorge Walking Trail. Het smalle
pad kronkelde zich naar beneden door een dun bebost en uitgedroogd
savannegrasland. Het pad was grotendeels geplaveid met grote
rode en hoekige rotsblokken, 4 à 5x zo groot als een
Vlaams kassei, dus gemakkelijk lopen was het niet. Onderaan
de helling moesten we een smalle kreek oversteken. Op deze
plek was weer water genoeg voor een weelderige tropische begroeiing.
We volgden de kreek nog zo'n 300 meter en staken die nogmaals
over. Nu stonden we op het plateau boven de grote waterval.
Ook hier weer die verwondering over zoveel pracht en kracht
op zo'n verscholen, bijna onbereikbare, plek waar de aarde
ooit is opgetild en opengereten, en waar water met duizenden
liters tegelijk zijn natuurlijke weg moeiteloos weet te vinden.
Staande aan de rand van de afgrond zagen we helemaal aan de
voet van de waterval kleine groepjes mensen, mensen die op
deze afstand meer weg hadden van mieren.
Mirjam en Coen besloten boven de waterval de rivier over te
steken en ook om helemaal naar beneden af te dalen, om daar
nog wat te zwemmen, maar wij zouden op ons gemak terug naar
de camper lopen om alvast kamp te gaan maken op Pandanus Spring.
Toen
we terug liepen naar de parkeerplaats was het warm, heel warm.
Bij de waterval hadden we dat niet zo gemerkt omdat het neerstortende
water nog enige verkoeling gaf.
Met de camper was het maar een klein stukje naar onze kampeerplek.
We passeerden bordjes met "Woollybut Flat", "Melaleuca
Hole", "Wattle Glen" e.a., maar campers, kampeerwagens
of kampeerder waren vanaf de weg niet te zien. Bij het bordje
Pandanus Spring aangekomen reden we onze eigen stek op helemaal
omringt door bomen. Op deze goddelijke en riante plek konden
ons inziens gemakkelijk 4, zoniet 5 tenten staan. We zochten
een goed plekje voor onze camper en verkenden daarna de omgeving.
Aan de achterkant van de plek vonden we een heel smal paadje
dat naar een ondiepe snelstromende beek leidde, met hier en
daar stilstaand water en een omgevallen boom, temidden van
een uitbundige tropische plantengroei.
Aan de kant van de "oprijlaan" keken we uit over
de weidse vallei van de ranges. Toen Mirjam en Coen terug
kwamen van het zwemmen en hun tentje hadden opgezet hadden
wij al voorbereidingen getroffen voor de maaltijd en genoten
we al van ons glas bier.
Het was op de King Leopold Ranges ten strengste verboden open
vuren te maken in verband met de ernstige droogte. Vanavond
dus geen kampvuur. Even voor we gingen eten kwam de ranger
langs om het staangeld te innen. De site tag nam hij
mee terug omdat we aangaven dat we de volgende morgen weer
verder wilden trekken.
"Wees voorzichtig!" "Tot in Toogoom"
Voor we op 22 juli wegreden controleerden we het oliepeil
van onze camper en noteerden we dat er 4307 km op de teller
stonden, om
7.30 uur reden we weg nadat we voor de laatste keer samen
ontbeten hadden hier in het noorden. Mirjam en Coen gingen
maar tot aan Windjana Gorge National Park met ons mee. Zij
wilden vandaag in ieder geval doorrijden naar Fitzroy Crossing
en daarna zo snel mogelijk weer terug de woestijn in.
Zoals afgesproken reden we eerst terug naar de Imintji Store
om ons gasflesje te laten vullen en om koffie te drinken op
het prachtige beschilderde terras. De koffie stelde nergens
veel voor, meestal was het oploskoffie, maar het was vocht.
We
lieten Imintji Store achter ons, reden over de voor ons laatste
113 km van Gibb River Road tot aan de afslag Fairfield-Leopold
Road. Hier gaat de Gibb River Road nog verder in de richting
van Derby, maar wij sloegen af naar Windjana Gorge National
Park in de richting Fitzroy Crossing.
Het deel van de beruchte Gibb River Road dat door de King
Leopold Ranges loopt was nog kleurrijker en het landschap
nog ruiger dan het stuk dat we achter ons hadden gelaten.
Ook de hoogteverschillen waren groter, de afgronden dieper
en de rotswanden hoger en vooral dat laatste kwam de kwaliteit
van het wegdek niet echt ten goede. Het bochtige traject lag
bezaaid met veel scherpe en soms grote stenen, maar we waren
hieraan nu al zo gewend dat dit ons niet meer kon deren.
Bij Inglis Gap, een natuurlijke opening in een miljoenen jaren
oude zandsteen rif, denderen een paar road trains ons
in een wolk van stof tegemoed en benamen ons het zicht op
dit fenomeen. Iedereen schijnt hier te moeten stoppen en dat
maakt Inglis Gap tot toeristische kermis. En dat haten we.
We besloten om verder te rijden want straks bij Windjana Gorge
zouden we het rif van dichtbij kunnen bewonderen.
Bij de afslag Fairfield-Leopold Road, of heet deze weg nou
Geikie-Windjana Road?, is de informatie ter plekke door de
vele aanduidingen zeer verwarrend. Hier zouden we wachten
op onze dochter en schoonzoon. Toen ze eindelijk aan kwamen
rijden moest Coen, voor we verder konden, natuurlijk eerst
nog alle borden en richtingaanwijzers fotograferen.
Na ongeveer 20 km rijden, bereikten we het Windjana Gorge
National Park. We besloten om eerst te picknicken en daarna
de gorge in te wandelen. De majesteitelijke paarsrode
wand van het 350 miljoen jaar oude zandsteenrif, dat gevormd
werd in het Devoon, diende als decor voor onze picknick. Niet
alleen de Windjana Gorge behoort tot dit rif, maar ook het
rif bij Inglis Gap op de Gibb River Road en de Geikie Gorge
in de buurt van Fitzroy Crossing.
Nadat we onze dorst gelest hadden en onze trek gestild, begaven
we ons door een nauwe spleet in de rifwand op pad naar de
gorge. Een verblindend witte vlakte lag voor ons. Tegen
de linkerwand van het rif aan de andere kant van het strand
stroomde de nu smalle rivier. Hoe verder we de gorge
inliepen hoe smaller hij aanvankelijk werd. Het pad liep verder
langs de rechterkant van de gorge die uitbundig begroeid
was en voor schaduw en koelte zorgde op het warmst van de
dag.
Aan de oevers van de rivier zagen we de eerste zoetwater krokodillen.
Deze krokodillen zijn in tegenstelling tot hun "zoute"
broertjes en zusjes niet agressief. Zolang ze niet bedreigd
worden, laten ze iedereen met rust. Verderop, half op het
strand, liggen er zich vele tientallen in de zon op te warmen.
Toen we dat in ogenschouw namen hadden we voor ons zelf al
snel de naam "Crocodile Beach" voor dit strand bedacht.
Coen was intussen, met Mirjam samen, de krokodillen van dichtbij
aan het fotograferen, zo dichtbij dat Mirjam het soms maar
eng vond. Maar het leverde wel prachtige plaatjes op. Intussen
genoten wij van de schoonheid die Windjana Gorge ons voortoverde.
Aangezien Mirjam en Coen nog verder wilde rijden naar Fitzroy
Crossing liepen we gezamenlijk de gorge weer uit en
namen we afscheid van het pas getrouwde paar op het parkeerterrein
met de woorden: "Wees voorzichtig!" en "Tot
in Toogoom". Toen de roodbestofte Nissan X-trail met
de N.T. Outback-nummerplaat 757 814 ons de rug toekeerde realiseerden
we ons dat onze tocht door de Kimberley er bijna op zat en
dat Mirjam en Coen nog anderhalf à twee weken door
de woestijn zouden gaan crossen.
Liedjes van over de hele wereld
Natuurlijk gingen eerst een plekje zoeken op één
van de twee campsites die Windjana Gorge rijk is. Wij
kozen voor het meest rustige van de twee. Het was eigenlijk
niet meer dan een groot dor grasveld met hier en daar een
groepje bomen die maar voor weinig schaduw zorgden. Aan de
oostzijde werd dit veld begrensd door een wand van het rif.
Het was op het dorre veld zo heet dat er spontaan kleine wervelstormpjes
ontstonden die het dorre gras tot grote hoogte omhoog zoog
en het dan weer liet neerdwarrelen.
Rieky had intussen ontdekt dat er douches waren, geen warme.
Maar dat was niet erg gezien de buitentemperatuur. Heerlijk
al dat water over je lijf. Daarna maakten we van de gelegenheid
gebruik om wat te lezen, want daar was weinig van gekomen
toen Mirjam en Coen met ons meereisden. We zagen wel dat er
een dame alle campers, tenten en caravans langs liep, maar
we besteedden er weinig aandacht aan. Ineens stond ze ook
bij ons voor de camper met de vraag of we van muziek hielden?
Zij vertelde dat zij met haar man en hun drie kinderen vanavond
een concert zouden geven. Ze kwamen uit de staat Victoria
en reisden alle campsites af om concerten te geven,
vertelde ze. En we waren rond halfzeven hartelijk welkom,
maar we moesten dan wel onze eigen stoelen meebrengen.
Toen wij ons eten stonden klaar te maken verkleurde de ondergaande
zon de hoge wand van het rif van paarsrood naar fel oranjegeel.
Tegen het eind van onze maaltijd, het was praktisch donker,
zagen we de muzikanten hun voorbereidingen treffen en... heel
langzaamaan zagen we ook mensen die daarheen liepen met hun
stoeltjes, en met iets te drinken.
We zaten op de tweede rij toen het concert begon. De muzikanten
hadden allerhande instrumenten bij zich en er werden liedjes
gezongen die hun oorsprong hadden in Zuid-Afrika, Israël,
de Balkan, maar ook folksongs uit Engeland, Australië
en Amerika. Zeg maar liedjes van over de hele wereld. En het
klonk nog zeer professioneel ook. Met aluminiumfolie hadden
ze een carbidlantaarn omgebouwd tot een soort voetlicht dat
de optredende artiesten uitlichtte. Op het eind van de avond
ging de oudste dochter, die ook een paar prachtige solo's
had gezongen, rond om geld op te halen met een grote gebreide
kerstlaars die zij als muts had gedragen tijdens het concert.
Het was een sfeervolle avond geweest en we hadden er van genoten.
De groep had ook cd's te koop van hun optredens. Achteraf
hadden we spijt dat we er niet een als aandenken hadden meegenomen.
Voor ons ontoegankelijk
Op zondag 23 juli verlieten wij om tien
voor acht Windjana Gorge National Park met nog 147 kilometers
te gaan richting Fitzroy Crossing. Voor vandaag stond alleen
nog op ons programma om het Tunnel Creek National Park te
bezoeken. Op weg daarheen zagen we opvallend veel Boab
trees, jong en oud en vaak heel bijzonder van vorm.
Tunnel Creek is een tunnel die dwars door het zandsteenrif
heen loopt en waar een rivier doorheen stroomt. Het park is
alleen maar toegankelijk buiten het natte seizoen als het
water laag staat en tot rust is gekomen. Het is de bedoeling
dat je een krachtige zaklantaarn mee neemt als je de tunnel
ingaat, want grote delen van de tunnel zijn aardedonker.
Toen wij eenmaal bij de ingang stonden waren de reusachtig
grote basaltkeien een te groot obstakel om zonder risico van
gebroken benen in de tunnel af te dalen. Want eerst moest
je over die gigantische keien heen zien te klauteren en daarna
kom je pas in de eigenlijke tunnel waar je op enkele plaatsen
door het zeer koude water moet waden, water waarin zich ook
zoetwater krokodillen ophouden. Er werd verder gewaarschuwd
voor de tientallen vleermuizen die de tunnel bevolken en daar
rondvlogen.
Vooral de prachtig getekende gladde basaltkeien, de Aboriginals
maakten uit dit materiaal hun bijlen, die de ingang versperden,
hielden ons tegen door hun omvang en hun ligging. We waren
echt bang om iets te breken als we er af zouden glijden. Het
leek ons verstandiger om dit maar aan ons voorbij te laten
gaan. Later hoorden we dat Mirjam en Coen, een dag eerder,
de tunnel ook niet waren in gegaan.
Juist toen we op het punt stonden om terug te lopen naar de
parkeerplaats kwam er een groep de tunnel uitgelopen. In de
verte zag je de lichtjes aankomen in de donkere tunnel. Zelfs
die jongelui klauterden met meer dan normale moeite omhoog
uit de tunnel. Blij dat we ons daaraan niet hadden gewaagd.
De Gibb River
Road heeft de naam, maar...
Terug op de weg ontmoetten we een aantal koeien die midden
op de weg in het water stonden. Ze keken ons wat stom aan
en het opzij gaan ging uiterst langzaam. Voorbij de koeien
draaide de weg van het rijk begroeide en interessante kalksteenrif
af.
De weg veranderde in een diep overdwars gegroefd wasbord dat
niet alleen de camper maar ook ons op een verschrikkelijke
manier door elkaar schudde. Het leek wel of alles bewoog en
er niks in ons lichaam op zijn plaats bleef zitten. We kwamen
dus maar langzaam vooruit. Het landschap was veranderd in
een saaie, grauwe, grijze, rechte weg met aan weerszijden
van ons land dat geen natuurlijke habitat meer was maar ook
niet de uitstraling had van goed verzorgd cultuurland. Het
enige landmark dat we zagen was een paal met daarop
de schedel van een koe en de aanduiding dat hier ergens in
het achterland een Aboriginal Community gevestigd was.
Direct daarop veranderde het grijs in de dieprode kleur waaraan
we gewend waren geworden, en het landschap om ons heen werd
gaandeweg weer interessanter met meer begroeiing, meer rotsen
en meer hoogte en laagte verschillen. Even verderop zagen
we een doorgang in de kalkstenen rifwand, die hier een dof
zwarte kleur had aangenomen, waar we doorheen moesten om onze
weg te vervolgen.
Terwijl het wegdek nog steeds niet van karakter was veranderd
en wij nog steeds door elkaar werden geschud, passeerden we
kilometers verder op weer een van die grote cattle stations.
Er stonden duizenden koeien achter hekken en het was een geloei
van jewelste. Dat hoorden we overigens pas toen we stopten
en het gerammel van de camper het geloei niet meer overstemde.
Rieky vertelde dat ze het gevoel had gehad dat de camper soms
helemaal opzij schoof door de abominabele toestand van deze
weg en we waren dan ook blij toen we na 83 km schudden bij
de Great Nothern Highway uitkwamen en het asfalt konden oprijden.
Nog 42 km naar Fitzroy Crossing gaf het bord aan. Wij kwamen
tot de conclusie dat de Gibb River Road
de naam had, maar dat deze weg veel erger was en veel meer
vergde van voertuig en bemanning.
Eindelijk terug op het asfalt
Met bijna 100 km per
uur reden we nu in de richting van Fitzroy Crossing zonder
door elkaar geschud te worden. Zodra we daar aankwamen zouden
we eerst even kijken of er hier op zondag iets open was, en
we ergens wijn en bier konden kopen, want we stonden al enkele
dagen droog. Onze voorraad wijn en bier was helemaal op. En
jawel, in Fitzroy Crossing was een supermarkt open, maar de
dame die we daar aanspraken verwees ons voor bier en dergelijke
door naar de Fitzroy River Lodge. Deze lodge had ook een campsite
waar we konden kamperen. Voor de rest stelde het stadje niet
veel voor.
Nadat we ons hadden ingeschreven en een plaats toegewezen
hadden gekregen, en besproken hadden voor het avondeten in
het restaurant gingen we op zoek naar een plek waar we wat
konden drinken. In de kale lege bar zaten twee jongelui met
de barman te praten. Op ons verzoek tapte de ober twee heerlijk
koele biertjes voor ons, en dat smaakte best. Voor we hier
vertrokken bestelde ik nog een doos met 12 blikjes bier, na
een momentje kwam de ober aanzetten met een plastic zak. Ik
vertrouwde het niet helemaal of het er wel twaalf waren, want
de ober had meer aandacht voor het gesprek waar hij mee bezig
was dan voor onze bestelling. In een oogopslag zag ik dat
er 2 blikjes aan te kort kwamen en daar sprak ik de man op
aan bij het afrekenen. Met duizend excuses vulde hij het tekort
aan waarna wij op zoek gingen naar onze plaats op de campsite.
Zoals gebruikelijk gingen we, nadat we de camper en onze stoelen
en tafel op een schaduwrijke plaats hadden neergezet, douchen
maar nu weer eens voor de verandering met lekker warm water.
Rieky maakte van de gelegenheid gebruik om wat kleding te
wassen. Na het douchen belden we naar Janey en Ian die intussen
terug in Toogoom moesten zijn van hun trip door Europa. Ze
vertelden dat ze een geweldige tijd hadden gehad, en wij vertelden
aan hen dat we ons avontuur door "The Top End" van
Australië er zonder noemenswaardige problemen bijna op
hadden zitten, en dat zij ons over vier dagen in Toogoom konden
verwachten.
Een
verzameling Apollo's
De volgende ochtend voordat we verder gingen stopten we bij
de brug over de Fitzroy River. Wat in het natte seizoen een
brede machtige rivier moet zijn had nu meer weg van een getijdengeul
op de wadden die bij laagwater heel langzaam aan het leegstromen
was. Alleen de groene en tropische wallekanten en de drooggevallen
delen van de brede rode bedding laten er geen misverstand
over bestaan dat elke verdere vergelijking met ons waddengebied
mank gaat.
Na getankt
te hebben reden we naar Geikie Gorge National Park. Vergeleken
bij de andere parken die we bezocht hadden was dit
park in oppervlak een heel kleintje. We parkeerden op een
plek, waar een wandeling begon die verderop afgezet bleek
te zijn. Zover we konden zien was ter plaatse de wallekant
van de Fitzroy river weggeslagen. Deze wandeling kon dus niet
doorgaan, en daarom reden we naar het andere deel van het
park. Op de parkeerplaats aangekomen had het veel weg van
een samenscholing van Apollo Campers. Zouden we hier dan toch
misschien nog Charles en Norma tegenkomen? Het was inderdaad
mogelijk geweest, als zij zich aan hun schema hadden gehouden.
Met z'n tweetjes liepen we langs al die campers en keken overal
in de cabine of we iets zagen dat een aanwijzing kon zijn
dat Norma en Charles hier waren. Maar nergens een spoor van
die twee.
Wij maakten in dit deel van het park een korte wandeling en
genoten van haar prachtige en hoge steenformaties, maar van
een rondvaart door de eigenlijke gorge zagen we af.
We hadden alles wel een beetje gezien en waren verzadigd van
de vele indrukken die we tot nu toe hadden ondergaan en opgeslagen.
Bovendien hadden we vandaag nog een kleine 400 kilometer te
gaan om in Broome te komen, onze eindbestemming met de camper.

Een langdradige bijna liniaalrechte "snel" weg
Zoals ik al vertelde in het begin van dit verhaal zijn highway's
niet te vergelijken met onze snelwegen, toch zijn het de belangrijkste
ontsluitingswegen van grote delen van Australië. Grote
delen van The Great Northern Highway lijken langs een tekenliniaal
op de kaart getrokken te zijn. De weg heeft geen verharde
vluchtstrook, over grote stukken geen belijning en zeker geen
middenberm met een vangrail. Voor het overgrote deel is de
weg aan twee kanten begrensd door onontgonnen bushland
dat door boeren wordt gebruikt om koeien te laten grazen.
De weg was kilometers lang een lege weg. Geen verkeer voor
ons, geen verkeer achter ons. Af en toe kwam er een road
train of een auto voorbij die ons inhaalde, en een enkele
keer een tegenligger. Nadat we wat gedronken hadden onder
een groepje enorme grote en hoge boab trees langs de
weg reden we verder. Het enige wat ons bezig hield was een
enorme bosbrand die verderop ergens in westelijke richting
voortwoedde. De rookkolom toornde hoog boven ons uit, pas
vele kilometers verderop kwamen we op enige afstand langszij
van de brandhaard. De brand raasde daar voort over een breed
front, maar van enige blusactiviteit was geen sprake.
Warm was het wel en de kilometers draaiden voor ons gevoel
maar langzaam onder ons door, terwijl we nu veel harder reden
dan in de achter ons liggende weken mogelijk was. Om iets
te drinken en te eten stopten we bij Willare Bridge Roadhouse,
230 km voorbij Fitzroy Crossing en nog 165 km te gaan naar
Broome. Na de lunch reden we over de brug die hier de 9 km
brede bedding van Fitzroy River overspant. De landschappen
die ons hier in het voorbij rijden als in een diashow voorgetoverd
werden hadden een pastorale uitstraling. Het waren net in
beweging gezette schilderijen van middeleeuwse meesters. Stoppen
was jammer genoeg verboden op deze 9 km lange brug. Het had
wel gekund want er was in geen velden of wegen een auto te
zien.
In de loop van de middag bereikten we Broome. Een levendig
stadje was onze eerste indruk. We wilden zomogelijk in de
stad kamperen, maar de eerste campsite die we aandeden
was helemaal vol. Dus werden we doorgesluisd naar het Overflow
Caravan Park waar we het allerlaatste plaatsje veroverden
dat nog over was. Het was zo druk omdat er een of ander evenement
voor de komende week gepland was. Ondanks de drukte op deze
wat lawaaiige maar toch gezellige campsite was het
een prima uitvalsbasis om Broome te zien, de camper schoon
te maken voor we die terugbrachten bij een agentschap van
Apollo, en wat uit te rusten. We hadden in totaal 5057 km
afgelegd in de 4WD camper die we in Darwin gehuurd hadden.
Met
dank aan Rieky en Johan Hermsen voor het kritisch lezen van
de teksten, het aandragen van tekstsuggesties en het aanbrengen
van tekstcorrecties
Ad
van Tiel, Landsmeer,
22 september 2007
Niets
uit bovenstaande tekst mag worden gepubliceerd zonder
voorafgaande
toestemming van de auteurs.
Hetzelfde geldt voor alle afbeeldingen en foto's.
Rieky
& Ad van Tiel © 2007
|